Strafrecht overig

Jeugdzaak. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart - anders dan de rechtbank heeft gedaan…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 20 oktober 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Datum publicatie
20 oktober 2026
Zaaknummer
20-003115-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2880
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Jeugdzaak. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart - anders dan de rechtbank heeft gedaan - bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op een kind van enkele maanden oud.

Hoewel het hof zich in belangrijke mate kan vinden in de bewijsoverwegingen van de rechtbank komt het hof tot een andere weging dan de rechtbank voor wat betreft de vraag of de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer bewust heeft aanvaard en – in het verlengde daarvan – of de feitelijke gedragingen van de verdachte aldus een ‘poging tot doodslag’ opleveren.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 75 uren subsidiair 37 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 11 april 2024

    ECLI:NL:RBZWB:2024:2398
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 20 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2026:2880

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

Parketnummer : 20-003115-25

Uitspraak : 20 oktober 2026

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen, na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 11 april 2024, parketnummer 02-298540-19, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres verdachte] .

Hoger beroep

Bij vonnis van 11 april 2024 heeft de rechtbank de verdachte ter zake van ‘zware mishandeling’ veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 75 uren subsidiair 37 dagen jeugddetentie. Voorts heeft de rechtbank beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen [moeder slachtoffer] en (destijds genaamd) [slachtoffer] (thans genaamd [slachtoffer] , hierna ook: [slachtoffer] ):

  • De vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] is toegewezen tot € 16.099,27, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Haar vordering is voor een bedrag van € 910,25 niet-ontvankelijk verklaard, waarbij is bepaald dat zij deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen, en voor het overige afgewezen.

  • De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] is toegewezen tot € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zijn vordering is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard, waarbij is bepaald dat hij deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De officier van justitie heeft tegen dit vonnis tijdig hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van dit hof van 28 februari 2025 is voormeld vonnis van 11 april 2024 vernietigd en is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. Daarbij zijn de vorderingen van de benadeelde partijen [moeder slachtoffer] en [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaard en is bepaald dat zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

De advocaat-generaal heeft tegen dit arrest tijdig cassatieberoep ingesteld.

Bij arrest van de Hoge Raad d.d. 9 december 2025 is voormeld arrest van dit hof vernietigd en is de zaak teruggewezen naar dit hof, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging

Namens de verdachte is als preliminair verweer in de eerste plaats bepleit dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging wegens schending van het vertrouwensbeginsel c.q. de beginselen van een goede procesorde. Daartoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat de correspondentie richting de verdediging moeizaam is geweest sinds de terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad. Hoewel de raadsman van die terugwijzing op de hoogte is gesteld, heeft hij pas zeer recent de handhavingsformulieren van de benadeelde partijen ontvangen en heeft hij uiteindelijk een dag voor de zitting vernomen dat het Openbaar Ministerie de bezwaren tegen het vonnis niet langer handhaaft, aldus de verdediging.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel c.q. de beginselen van een goede procesorde. Er zijn geen andere omstandigheden aan de orde dan de omstandigheden die ten tijde van de vorige behandeling in hoger beroep al speelden.

Het hof overweegt als volgt.

Naar het oordeel van het hof is geen sprake van een schending van de beginselen van een goede procesorde (al dan niet wegens schending van het beginsel van gerechtvaardigd vertrouwen). Feit is immers dat in de onderhavige zaak het arrest van het hof d.d. 28 februari 2025 door de Hoge Raad integraal is vernietigd en de zaak is teruggewezen naar dit hof opdat de zaak opnieuw wordt berecht. Dat de raadsman – hoe ongelukkig ook – bepaalde stukken na deze terugwijzing kennelijk pas kort voor de eerste zitting na die terugwijzing heeft ontvangen doet aan de verwijzingsopdracht niet af te meer niet nu die verwijzingsopdracht op geen enkele wijze raakt aan de vervolgingsbeslissing van het Openbaar Ministerie.

Ontvankelijkheid van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep (subsidiair)

Namens de verdachte is als preliminair verweer voorts bepleit dat het hof het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren nu de bezwaren van het Openbaar Ministerie tegen het vonnis niet langer worden gehandhaafd. Weliswaar heeft het Openbaar Ministerie te kennen gegeven bezwaren tegen het vonnis te hebben voor wat betreft de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen, maar die bezwaren blijken niet uit de ter zake door de officier van justitie ingediende appelschriftuur.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de bezwaren voor wat betreft de bewijsbeslissing enerzijds en voor wat betreft de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen anderzijds, zo zeer met elkaar samenhangen dat het voor zich spreekt dat het Openbaar Ministerie ook een standpunt inneemt ten aanzien van de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen. Bovendien is het hof niet verplicht is om het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Dat betreft immers een discretionaire bevoegdheid waarbij wordt opgemerkt dat inmiddels vaststaat dat de benadeelde partijen hun vorderingen handhaven en in zoverre reeds een belang is gediend met een behandeling van de onderhavige zaak.

Het hof overweegt als volgt.

Uit HR 21 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1236, rov. 2.3 kan worden afgeleid dat – na een geslaagd cassatieberoep – het niet handhaven van eerdere bezwaren niet kan leiden tot toepassing van artikel 416, tweede of derde lid, van het Wetboek van Strafvordering omdat dit niet past bij de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad aan een hof om de zaak op het bestaande hoger beroep geheel of ten dele opnieuw te berechten en af te doen. Reeds hierom ziet het hof geen ruimte om het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad – gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de benadeelde partijen integraal zal toewijzen, telkens met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Voorts heeft de verdediging een standpunt ingenomen over de vorderingen van de benadeelde partijen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen omdat het tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Dit laat onverlet dat het hof zich in belangrijke mate kan vinden in de bewijsoverwegingen van de rechtbank, met dien verstande dat het hof tot een andere weging komt dan de rechtbank voor wat betreft de vraag of de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] bewust heeft aanvaard en – in het verlengde daarvan – of de feitelijke gedragingen van de verdachte aldus een ‘poging tot doodslag’ opleveren.

Het hof stelt tegen die achtergrond vast dat het in hoger beroep gevoerde vrijspraakverweer van de verdediging een herhaling betreft van het vrijspraakverweer dat reeds in eerste aanleg is gevoerd en waarop – naar het oordeel van het hof – door de rechtbank juist en voldoende gemotiveerd is beslist. Bij deze stand van zaken zal het hof dan ook delen van de bewijsoverwegingen van de rechtbank overnemen in het onderhavige arrest en deze tot de overwegingen van het hof maken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 11 augustus 2018 te Roosendaal, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ) van het leven te beroven,

- meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer] (met kracht) tegen/op zijn hoofd heeft geslagen/en/of gestompt en/of op een hard oppervlak heeft laten vallen en/of tegen een hard oppervlak heeft geslagen en/of gestoten, in elk geval (zeer heftig) uitwendig botsend en/of stompend geweld tegen en/of op zijn hoofd heeft uitgeoefend en/of

- meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of heeft vastgehouden en/of met kracht door elkaar en/of op en neer en/of heen en weer heeft geschud, in elk geval anderszins (hevig) geweld heeft uitgeoefend op zijn lichaam en/of zijn hoofd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 11 augustus 2018 te Roosendaal, althans in Nederland, aan [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstig hoofdtrauma (een of meer breuken in de schedel en/of een of meer bloedingen in de hersenen/hersenschade), heeft toegebracht, door die [slachtoffer]

- meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen/op zijn hoofd te slaan en/of te stompen en/of op een hard oppervlak te laten vallen en/of tegen een hard oppervlak te slaan en/of te stoten, in elk geval (zeer heftig) uitwendig inwerkend botsend en/of stompend geweld tegen en/of op zijn hoofd uit te oefenen en/of

- meermalen, althans eenmaal (met kracht) vast te pakken en/of met kracht door elkaar en/of op en neer te schudden, in elk geval anderszins geweld uit te oefenen op zijn lichaam en/of zijn hoofd;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 11 augustus 2018 te Roosendaal, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] (met kracht) tegen/op zijn hoofd heeft geslagen/en/of gestompt en/of op een hard oppervlak heeft laten vallen en/of tegen een hard oppervlak heeft geslagen en/of gestoten, in elk geval (zeer heftig) uitwendig botsend en/of stompend geweld tegen en/of op zijn hoofd heeft uitgeoefend en/of

- meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] (met kracht) heeft vastgepakt en/of heeft vastgehouden en/of met kracht door elkaar en/of op en neer en/of heen en weer heeft geschud, in elk geval anderszins (hevig) geweld heeft uitgeoefend op zijn lichaam en/of zijn hoofd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 augustus 2018 te Roosendaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ) van het leven te beroven,

- (zeer heftig) uitwendig botsend en/of stompend geweld tegen en/of op zijn hoofd heeft uitgeoefend en/of

- meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of heeft vastgehouden en/of met kracht door elkaar en/of op en neer en/of heen en weer heeft geschud, in elk geval anderszins (hevig) geweld heeft uitgeoefend op zijn lichaam en/of zijn hoofd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest cassatieberoep wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

Algemene bewijsoverweging

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Feiten en omstandigheden

Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verbalisanten kregen op 11 augustus 2018 omstreeks 21.45 uur een melding om te gaan naar een woning waar een baby aanwezig zou zijn die niet meer kon ademen. De melding bleek door de verdachte te zijn gedaan. Voordat de politie ter plaatse kwam, was de ambulance al gearriveerd. Ambulanceverpleegkundige [getuige] heeft aangegeven dat de baby, [slachtoffer] genaamd, heel bleek was en niet reageerde. [getuige] trok al snel de conclusie dat er geen sprake kon zijn van een spontane verwonding, gezien de combinatie van bewustzijnsproblemen en een enorme bult/zwelling bij zijn oor.

[slachtoffer] werd daarop vervoerd naar het Sophia kinderziekenhuis EMC te Rotterdam. Daar werd hij onderzocht en intensief behandeld. Een CT-scan en MRI-scan lieten breuken in de schedel zien aan beide zijden van het hoofd, meerdere bloedingen in het hoofd en zwelling van de hersenen met name aan de rechterzijde. De oogarts constateerde voorts bloedingen in het netvlies van het rechteroog van [slachtoffer] . In het verslag van voornoemd ziekenhuis is voorts vermeld dat het ernstige schedelhersenletsel bij [slachtoffer] passend is bij een uitwendige geweldsinwerking en dat er kans is op blijvende beperkingen.

Dr. H.G.T. Nijs, forensisch arts van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), heeft nader onderzocht hoe en wanneer het letsel bij [slachtoffer] kan zijn ontstaan. Naar zijn inzicht is de combinatie van letsel in en aan het hoofd een gevolg van een heftig stomp botsende krachtsinwerking op het hoofd, op één of meer dan één moment, al dan niet in combinatie met heftige acceleratie-deceleratie krachtsinwerkingen. In het kader van de datering van het letsel concludeert de forensisch arts dat de veroorzakende krachtsinwerking juist vóór – in enkele seconden ‒ het ontstaan van de klinische verschijnselen, zoals bijvoorbeeld een onmiddellijke daling van het bewustzijnsniveau, ernstige ademhalingsstoornissen of ademstilstand en frequente epileptische activiteit, ofwel direct na het laatste moment van normaal functioneren, moet hebben plaatsgevonden. Hij stelt dat het schedelhersenletsel dermate acuut en ernstig was, dat het direct na het laatste moment van normaal functioneren of reageren moet zijn ontstaan. Gezien de leeftijd van het kind kunnen de schedelbreuken niet door hem zelf zijn toegebracht. Verder passen de schedelbreuken niet bij de normale verzorging en hantering van een gezond jong kind.

De zwelling kan zijn ontstaan door stomp botsende krachtsinwerking op het hoofd van het kind (aanvankelijk) ongeveer in de omgeving van de eerst zichtbare zwelling. Binnen een aantal uren kunnen weke delen zwellingen buitenwaarts langs de schedel zich verspreiden door de zwaartekracht. Gelet op de combinatie van medische bevindingen in en aan het hoofd van [slachtoffer] , acht de arts de hypothese van een medische (ziekelijke) oorzaak en krachtsinwerking rondom de geboorte uitgesloten en acht hij de hypothese van een

niet-accidentele krachtsinwerking waarschijnlijker dan de hypothese van accidentele krachtsinwerking.

De verklaringen van de verdachte en de moeder van [slachtoffer] over de momenten waarop en kort voordat bij [slachtoffer] de ziekteverschijnselen werden opgemerkt sluiten op elkaar aan. Uit de verklaringen van zowel de verdachte als [moeder slachtoffer] (hierna: [moeder slachtoffer] ) volgt dat de verdachte met [slachtoffer] in de avond van 11 augustus 2018 alleen was in de woonkamer op het moment dat [moeder slachtoffer] ging douchen. De verdachte heeft aangegeven dat hij toen met [slachtoffer] is gaan lopen en dat [slachtoffer] stikgeluiden begon te maken, alsof [slachtoffer] hapte naar adem. De verdachte zou [slachtoffer] vervolgens in het campingbedje hebben gelegd. De verdachte zag dat [slachtoffer] ‘wat witter’ was. Kort daarna kwam [moeder slachtoffer] uit de douche, omdat zij door de verdachte werd geroepen. [moeder slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte helemaal in paniek was en zei dat [slachtoffer] raar deed. Zij spreekt over rare en pruttelende geluiden die [slachtoffer] toen maakte. Zij pakte [slachtoffer] vast, die eerst nog wat jammerde en daarna keihard begon te gillen. Aansluitend viel [slachtoffer] volgens haar weer weg alsof hij geen zuurstof kreeg. Het hoofd van [slachtoffer] bleef hangen en bleef niet rechtop staan. Deze gedragingen van [slachtoffer] herhaalden zich totdat hij door de ambulancebroeder onder narcose werd gebracht. Tussentijds bemerkte [moeder slachtoffer] een bult op het achterhoofd van [slachtoffer] , die er eerder die avond nog niet was. De verdachte heeft bevestigd dat het hoofdje van [slachtoffer] bleef hangen.

Tussenconclusie

Op basis van de bevindingen van de forensisch arts van het NFI stelt het hof vast dat het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel heel kort vóór de klinische verschijnselen is ontstaan. Gelet hierop en gezien de verklaringen van de verdachte en [moeder slachtoffer] is het hof van oordeel dat het letsel moet zijn ontstaan op het moment dat [moeder slachtoffer] onder de douche stond en de verdachte zich alleen met [slachtoffer] in de woonkamer bevond. Daarbij komt dat vóór het moment van douchen [slachtoffer] nog normaal functioneerde, nu daar als zodanig over is verklaard en niet anders is gebleken.

Het hof is verder van oordeel, gelet op de bevindingen van de deskundige, dat het vastgestelde letsel niet accidenteel/per ongeluk is veroorzaakt, en dus toegebracht letsel betreft. Te meer, nu ook niet is verklaard of gemeld dat een ongeval of ongeluk met [slachtoffer] heeft plaatsgevonden.

Heeft de verdachte dit letsel toegebracht?

Vaststaat dat er op het moment dat [moeder slachtoffer] ging douchen niets aan de hand was met [slachtoffer] Hij functioneerde normaal. Zoals reeds volgt uit de hiervoor aangehaalde verklaringen van de verdachte en [moeder slachtoffer] , maar ook uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, is de verdachte gedurende de tijd dat [moeder slachtoffer] heeft gedoucht alleen geweest met [slachtoffer] Op het moment dat [slachtoffer] de eerste klinische verschijnselen vertoonde zoals de genoemde stikgeluiden, het bleker worden en een slaphangend hoofdje, heeft de verdachte direct [moeder slachtoffer] geroepen, waarna zij ook direct onder de douche vandaan is gekomen. Zij constateerde dezelfde verschijnselen bij [slachtoffer] Nu vaststaat dat tussen het moment van douchen van [moeder slachtoffer] en de aanvang van de klinische verschijnselen verdachte als enige bij en met [slachtoffer] was, houdt het hof de verdachte verantwoordelijk voor het ontstaan van het letsel.

(Alternatieve) scenario’s?

De verdediging heeft gewezen op twee scenario’s, te weten twee momenten waarop niet de verdachte maar [moeder slachtoffer] alleen met [slachtoffer] is geweest en op welke momenten het letsel eveneens kan zijn veroorzaakt. Het eerste moment betreft het moment dat de verdachte nog lag te gamen in de woonkamer en [moeder slachtoffer] met [slachtoffer] in de woning ging wandelen. Het tweede moment betreft het moment waarop, nadat [moeder slachtoffer] uit de douche was gekomen en [slachtoffer] aantrof, de verdachte was gaan bellen in het portiek van de woning, terwijl [moeder slachtoffer] alleen met [slachtoffer] in de woonkamer verbleef.

Het hof acht het eerste scenario niet aannemelijk geworden, nu dit alleen bij monde van de raadsman naar voren is gebracht en door niets of niemand wordt ondersteund. De verdachte noch [moeder slachtoffer] verklaren hierover.

Het moment dat de verdachte zijn ouders en de ambulance heeft gebeld betreft een moment nádat de verdachte reeds alleen was geweest met [slachtoffer] , terwijl hij en [moeder slachtoffer] op dat moment al (samen) hadden geconstateerd dat [slachtoffer] ziekteverschijnselen vertoonde. Dat was juist de aanleiding om de ouders en hulpdiensten te alarmeren. De verdachte heeft aangegeven dat hij toen in paniek was over wat er met [slachtoffer] aan de hand was, hetgeen tevens blijkt uit het 112-telefoongesprek. Dit betekent dat het letsel voorafgaand aan het bellen en dus vóór het door de verdediging aangegeven moment van alleen zijn van [moeder slachtoffer] met [slachtoffer] is toegebracht. Bovendien heeft de verdachte ter zitting aangegeven dat hij niet heeft gehoord dat er binnen iets gebeurde op het moment dat hij buiten aan het bellen was. Ook dit scenario is niet aannemelijk te achten.

Het hof verwerpt dan ook het verweer van de verdediging omtrent deze scenario’s.

Opzet op poging tot doodslag?

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe de gedragingen van verdachte zijn te kwalificeren. Ten eerste moet worden beoordeeld of de verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het doden van [slachtoffer]

In dit verband merkt het hof op dat de concrete handelingen en gedragingen van verdachte niet zijn vast te stellen. Wel wordt in het NFI-rapport gesproken over heftige krachtsinwerking(en) op het hoofd. Ook wordt daarin gesteld dat dit tot de dood had kunnen leiden, maar daaruit vloeit niet voort dat de verdachte vol opzet heeft gehad op het doden van [slachtoffer] , hetgeen naar het oordeel van het hof ook overigens niet uit het dossier valt af te leiden.

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het doden van [slachtoffer] , en of hij aldus een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] bewust heeft aanvaard.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend vast komen te staan dat de verdachte degene is geweest die het letsel bij [slachtoffer] heeft toegebracht. Weliswaar heeft de verdachte geen openheid van zaken gegeven omtrent zijn gedragingen die het hoofd/hersenenletsel hebben veroorzaakt, doch op grond van de tot het bewijs gebezigde rapport is voor het hof komen vast te staan dat dit letsel door een heftig stomp botsende krachtsinwerking op het hoofd, op één of meer dan één moment, al dan niet in combinatie met heftige accelaratie-deceleratie krachtsinwerkingen is veroorzaakt. Het is algemeen bekend dat de kans op overlijden van een baby door deze heftig te schudden, dan wel door een contacttrauma op het hoofd, aanmerkelijk is te achten.

Het hof is tevens van oordeel dat de handeling(en) van verdachte die hebben geleid tot het bij [slachtoffer] ontstane letsel naar de uiterlijke verschijningsvorm – behoudens contra-indicaties waarvan niet is gebleken – kan/kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op de dood van [slachtoffer] dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans hierop bewust heeft aanvaard.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het voorwaardelijke opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] Dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde 16 jaar was doet aan bovenstaande niet af.

Eindconclusie

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde, de poging tot doodslag, heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

De verdediging heeft primair bepleit dat het hof toepassing zal geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en aldus de verdachte schuldig zal verklaren zonder aan hem een straf op te leggen. Subsidiair is bepleit dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een geheel voorwaardelijke straf. Daartoe is – kort weergegeven – het volgende aangevoerd. Het tijdsverloop in de onderhavige zaak heeft negatieve gevolgen, voor zowel de benadeelden als voor de verdachte. Ook het pedagogische doel dat normaal gesproken met toepassing van het jeugdstrafrecht wordt nagestreefd is nu niet meer aan de orde. De vraag is dan ook of een straf nu nog van toegevoegde waarde is, temeer nu hij zonder straf beter in staat zal zijn om met zijn inkomen – naast de kosten van zijn gezin – ook de vorderingen van de benadeelden te voldoen, aldus de verdediging.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op de destijds slechts enkele maanden oude baby van [moeder slachtoffer] , met wie de verdachte toentertijd een relatie had.

Op het moment dat [moeder slachtoffer] onder de douche stond, was de verdachte alleen met [slachtoffer] en heeft hij hem iets aangedaan. Welke handelingen de verdachte precies heeft verricht bij [slachtoffer] valt niet vast te stellen, maar vaststaat dat dit met kracht moet zijn geweest. [slachtoffer] heeft daarbij onder meer een schedelbreuk aan weerszijden van zijn hoofd en verschillende bloeduitstortingen in de hersenen opgelopen.

Een feit als het onderhavige is zeer ernstig. De verdachte heeft in de eerste plaats een verregaande inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] die – zoals elk kind van enkele maanden oud – volkomen weerloos was. Onduidelijk blijft of en in hoeverre [slachtoffer] hiervan blijvende gevolgen zal ondervinden. Dat is een zorg waarmee [moeder slachtoffer] zal moeten omgaan.

Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft [moeder slachtoffer] een schriftelijke slachtofferverklaring voorgelezen. Daaruit blijkt dat [slachtoffer] enige tijd in kritieke toestand in het ziekenhuis heeft gelegen. Op dat moment kon nog niet worden uitgesloten dat [slachtoffer] als een ‘kasplantje’ verder had moeten leven en dat wellicht voor hem moest worden beslist dat zijn leven beëindigd zou moeten worden. Uiteindelijk is het niet zo ver gekomen. In de slachtofferverklaring is evenwel vermeld dat [slachtoffer] last heeft gehad van epilepsie, dat hij is behandeld door een fysiotherapeut en dat hij veel onderzoeken en controles heeft ondergaan gericht op zijn motoriek, spraak/taal en psychologische ontwikkeling.

Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 april 2026, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een strafbaar feit.

Ten slotte heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is hieromtrent gebleken dat de verdachte inmiddels vader is geworden van een tweede kind en een vaste baan heeft. Verder is hij schuldenvrij, met dien verstande dat zijn maandelijkse uitgaven gestegen zijn vanwege de kosten van de kinderen.

Jeugdstrafrecht

De verdachte was ten tijde van het bewezenverklaarde minderjarig. Daarom wordt hij berecht op basis van het jeugdstrafrecht, waarbij een pedagogische aanpak en het voorkomen van herhaling voorop staat en het vergeldingsaspect van ondergeschikt belang is. Hoewel in de onderhavige zaak, mede door het verstrijken van de tijd aan dit primaire strafdoel, nog nauwelijks betekenis kan worden gegeven, acht het hof – in het bijzonder vanwege de aard en ernst van het tenlastegelegde (poging tot doodslag op een baby van enkele maanden oud) en de impact die dit op de slachtoffers heeft (gehad)– toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht of een geheel voorwaardelijke straf niet aan de orde.

Overschrijding van de redelijke termijn

Ten slotte heeft het hof geconstateerd dat de redelijke termijn is overschreden.

De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 20 augustus 2018 met het eerste politieverhoor van de verdachte, en geëindigd op 11 april 2024 met het vonnis van de rechtbank. De redelijke termijn van 16 maanden is in eerste aanleg derhalve met ongeveer 4 jaar en bijna 4 maanden overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen is niet gebleken.

In hoger beroep, cassatie en – na terugwijzing door de Hoge Raad – wederom in hoger beroep, is geen sprake geweest van een overschrijding van de redelijke termijn.

Alles afwegende acht het hof passend en geboden de oplegging van een werkstraf voor de duur van 75 uren subsidiair 37 dagen hechtenis. Het hof ziet – gelet op de huidige leeftijd van de verdachte – aanleiding om in plaats van vervangende jeugddetentie vervangende hechtenis op te leggen.

Daarbij overweegt het hof ten slotte dat weliswaar sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop in de onderhavige strafzaak, maar dat sinds de behandeling van de zaak bij de rechtbank, geen sprake (meer) is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn.

Vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]

Inhoud van de vordering

De benadeelde partij [moeder slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 34.463,52. Deze vordering is vervolgens bijgesteld tot een bedrag van € 32.658,12, bestaande uit de volgende posten:

Verplaatste (materiële) schade:

  1. Ziekenhuisdaggeldvergoeding € 720,00

  2. Reiskosten naar ziekenhuis € 324,87

  3. Parkeerkosten ziekenhuis € 54,40

  4. Begeleiding naar afspraken [slachtoffer] € 501,25

  5. Vervoer bijzonder onderwijs [slachtoffer] € 409,00

  6. Toekomstig vervoer bijzonder onderwijs € 163,60 +

Subtotaal € 2.173,12

Materiële shockschade:

vii. Toekomstig eigen risico zorgverzekeraar € 385,00

viii. Toekomstige reiskosten € 100,00 +

Subtotaal € 485,00

Immateriële shockschade:

ix. Geestelijk letsel € 30.000.00 +

Subtotaal € 30.000,00 +

€ 32.658,12

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 16.099,27. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering zodat de vordering in volle omvang aan het oordeel van het hof onderworpen is.

Het hof overweegt als volgt.

Posten i), ii) en iii) – Ziekenhuisdaggeldvergoeding, reiskosten en parkeerkosten ziekenhuis

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van (€ 720,00 + € 324,87 + € 54,40 =) € 1.099,27. De onderbouwing van deze schade volgt uit de vordering tot schadevergoeding en het dossier, en is door de verdediging niet inhoudelijk betwist.

Post iv) – Begeleiding afspraken

Het hof zal de vordering ten aanzien van deze post (€ 501,25) niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De stelling dat [slachtoffer] voor de begeleiding naar afspraken een ander had kunnen inschakelen als [moeder slachtoffer] ‘buiten beeld zou zijn geweest’, maakt niet dat daarom aanspraak bestaat op een vergoeding als mantelzorger. Daarbij rijst bovendien de vraag in hoeverre een ouder mantelzorger kan zijn voor een eigen kind van die leeftijd, nu deze per definitie hulpbehoevend is en tot niets in staat zonder hulp van een volwassene (i.h.b. ouder). Het hof constateert in dat verband ook dat ter onderbouwing van deze schade is verwezen naar de letselschaderaad richtlijn huishoudelijke hulp, waarbij geldt dat het moet gaan om hulp in de huishouding voor werkzaamheden die vóór het ‘ongeval’ door het slachtoffer zelf werden verricht.

Concluderend acht het hof onvoldoende onderbouwd dat de gevorderde kosten van de begeleiding naar afspraken van [slachtoffer] onder voormelde noemer geschaard kunnen worden. Nader onderzoek daarnaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

Posten v) en vi) – vervoer en toekomstig vervoer bijzonder onderwijs

Ook voor wat betreft de reeds betaalde (en toekomstige) kosten voor het vervoer van [slachtoffer] naar een school voor bijzonder onderwijs zal het hof de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Het hof acht onvoldoende onderbouwd dat slechts het bewezenverklaarde de oorzaak is voor het feit dat [slachtoffer] speciaal onderwijs volgt. Nader onderzoek daarnaar levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Posten vii), viii) en ix) – Shockschade

Het hof stelt voorop dat het – voor wat betreft de criteria voor de toekenning van vergoeding voor shockschade – aansluit bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt.

Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid.

Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar.

Dit brengt met zich dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld. Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.

Tegen deze achtergrond ziet het hof zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is van shockschade die voor toewijzing in aanmerking komt.

Het hof stelt in dat verband vast dat uit de gegevens op het voegingsformulier van de benadeelde partij (en uit de daarbij overgelegde stukken) niet een in de psychiatrie erkend ziektebeeld kan worden afgeleid. Weliswaar is eerder gesteld dat de benadeelde partij EMDR-therapie zou ondergaan maar desgevraagd blijkt (wederom ten tijde van deze tweede behandeling in hoger beroep) dat deze therapie nog steeds niet is opgestart. Verder blijken aanwijzingen voor een in de psychiatrie erkend ziektebeeld slechts uit een verwijsbrief van de huisarts, waarin onder meer wordt gesteld dat sprake zou zijn van ‘klachten na psychotrauma’ en/of een vermoeden van ‘trauma- of stressorgerelateerde stoornissen’.

Een huisarts betreft – anders dan bijvoorbeeld een psychiater of psycholoog – naar het oordeel van het hof echter niet een ‘ter zake bevoegde en bekwame deskundige’ als het gaat om het diagnosticeren/vaststellen van dergelijke stoornissen. Bovendien betreft het slechts een verwijsbrief en geen rapport. Gelet hierop acht het hof onvoldoende onderbouwd dat van dergelijk geestelijk letsel sprake is.

Nader onderzoek hiernaar zou noodzakelijk zijn voor een inhoudelijke beoordeling van de vordering in zoverre. Het hof is echter van oordeel dat dit een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren en zal daarom de vordering van de benadeelde partij in zoverre (posten vii, viii, ix) niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Resumé

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [moeder slachtoffer] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.099,27, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren zodat de vordering in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard en de benadeelde partij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel [moeder slachtoffer]

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade aan het slachtoffer [moeder slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 1.099,27. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer aansprakelijk naar burgerlijk recht.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Inhoud van de vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 30.000,00 aan immateriële schade (smartengeld). Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering zodat de vordering in volle omvang aan het oordeel van het hof onderworpen is.

Smartengeld

Het hof stelt voorop dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van dat artikel is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast.​

Het hof stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen. Het hof begroot deze schade – met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt – naar billijkheid op ten minste een bedrag van € 10.000,00. Daarbij heeft het hof in het bijzonder betrokken de aard en ernst van het initiële letsel, bestaande uit onder meer verschillende schedelbreuken en bloedingen in de hersenen. Ook heeft het hof daarbij gelet op het gegeven dat [slachtoffer] na het bewezenverklaarde verschillende epileptische aanvallen heeft gehad. Sinds ongeveer vijf maanden na het bewezenverklaarde is daarvan geen sprake meer geweest (ondanks het afbouwen van anti-epileptische medicatie), maar desondanks wordt bij dergelijk hersentrauma gerekend op een zeker restrisico op epileptische aanvallen. Verder heeft het hof gelet op de (zeer) jonge leeftijd van het slachtoffer.

Tegelijkertijd moet het hof ook vaststellen dat – zoals ook blijkt uit de onderbouwing van het verzoek – nog geen medische eindtoestand is bereikt, terwijl de hersenen van jonge mannen pas uitrijpen rond het 25e levensjaar, en dat een nauwkeurige inschatting van de toekomstige ontwikkeling van [slachtoffer] pas vanaf zijn 17e mogelijk is. Gelet daarop zal het hof het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Resumé

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen ten minste rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren zodat de vordering in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard en de benadeelde partij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer]

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 10.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer aansprakelijk naar burgerlijk recht.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 75 (vijfenzeventig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 37 (zevenendertig) dagen hechtenis;

Vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.099,27 (duizend negenennegentig euro en zevenentwintig eurocent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [moeder slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.099,27 (duizend negenennegentig euro en zevenentwintig eurocent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen, waarbij toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 75 (vijfenzeventig) dagen, waarbij toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,

mr. S.V. Pelsser en mr. J.J. Peters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,

en op 20 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.