Strafrecht overig

Vernietiging vonnis wegens (iets) andere bewezenverklaring. Veroordeling voor belaging. Feit wordt in…

Gerechtshof Amsterdam, 16 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 16 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
16 oktober 2026
Datum publicatie
16 oktober 2026
Zaaknummer
23-001988-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2955
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vernietiging vonnis wegens (iets) andere bewezenverklaring. Veroordeling voor belaging. Feit wordt in verminderde mate aan de verdachte toegerekend. Geheel voorwaardelijke taakstraf van 40 uur + vrijheidsbeperkende maatregel 38v Sr (contactverbod) voor de duur van 3 jaar. Door politierechter bevolen DUT opgeheven. Vordering benadeelde partij geheel toegewezen.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001988-24

datum uitspraak: 16 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 4 september 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-157170-24 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1985,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

2 oktober 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 12 januari 2024 tot en met 29 februari 2024 te Opmeer, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door meermalen:

- die [slachtoffer] te bellen;

- voicemails bij die [slachtoffer] in te spreken;

- via Whatsapp en/of Instagram en/of sms en/of e-mail berichten en/of afbeeldingen en/of video's te

sturen naar die [slachtoffer] ;

- via [website] een bericht te sturen naar die [slachtoffer]

met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een ietwat andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van belaging in de gehele tenlastegelegde periode. Daartoe heeft zij erop gewezen dat ieder bericht van de verdachte, los van de precieze inhoud daarvan, telkens angst en onzekerheid bij de aangeefster veroorzaakte en daarmee een enorme impact had op haar privéleven. Dat dit ongewenst was moet de verdachte duidelijk zijn geweest, niet alleen vanwege het met hem gevoerde stopgesprek, maar ook omdat hij zich volstrekt niet hield aan de door hun gezamenlijke vriendin [persoon 1] overgebrachte mogelijkheid om één brief aan de aangeefster te sturen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. Zij heeft hier toe – samengevat – het volgende aangevoerd.

De verdachte betwist niet dat hij herhaaldelijk heeft geprobeerd contact te zoeken met de aangeefster. De omstandigheden waaronder hij dit heeft gedaan, zijn echter van belang bij de beoordeling van de vraag of dat ook daadwerkelijk belaging oplevert. Daarbij is van belang om de tenlastegelegde periode niet ‘klakkeloos als één geheel te beschouwen’.

De contactpogingen in de periode van 12 tot 17 januari 2024 moeten worden gezien als het gedrag van iemand die een zeer intense relatie probeert af te sluiten. Het exacte aantal contactpogingen kan bovendien niet worden vastgesteld, nu verifieerbare onderbouwing voor deze contactpogingen – anders dan de verklaring van de aangeefster – ontbreekt.

Voor de periode van 17 januari 2024 tot 1 februari 2024 geldt dat de verdachte op 15 en 17 januari berichten heeft gekregen van [persoon 1] , een gemeenschappelijke vriendin van de verdachte en de aangeefster. Zij heeft de verdachte berichten gestuurd waarin zij onder meer schreef dat de aangeefster zeker zou reageren op zijn brief. De boodschap van [persoon 1] noemde geen specifiek medium, waardoor de verdachte het voorbehoud van één fysieke brief, zoals pas twee jaar later door de aangeefster bij de raadsheer-commissaris is verwoord, niet zonder meer hoefde te begrijpen. In de periode die volgde heeft de verdachte via Whatsapp en per briefkaart geprobeerd contact te zoeken met de aangeefster. Op één gemiste oproep na heeft de verdachte de aangeefster niet telefonisch benaderd. Voor zover al kan worden gesproken van een stelselmatige inbreuk, kan voor deze periode in ieder geval niet worden gesteld dat de verdachte opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster, nu voor hem onvoldoende duidelijk was dat dit contact ongewenst was.

Voor de periode van 1 tot en met 29 februari 2024 – de periode na het stopgesprek – geldt dat het contact bestond uit een beperkt aantal berichten via verschillende kanalen en een tweetal telefonische contactpogingen. De contactpogingen waren met name van praktische aard en gericht op het terugkrijgen van spullen en een medische kwestie die ook voor de aangeefster van belang was.

Hoewel het de verdachte op dat moment duidelijk moest zijn dat de aangeefster geen contact wenste levert een beperkt aantal berichten van een praktische aard geen stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster op. Gelet op het voorgaande is geen sprake van het opzettelijk stelselmatig inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster in de tenlastegelegde periode, aldus de raadsvrouw.

Oordeel van het hof

Vooropgesteld moet worden dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

De relatie tussen de verdachte en de aangeefster was turbulent. Het valt niet precies vast te stellen op welk moment het zoeken van contact door de verdachte nog als ‘passend’ binnen een ‘normale’ relatie, dan wel de ‘normale’ afsluiting daarvan, viel aan te merken en op welk moment er daadwerkelijk sprake was van ‘stalking’. Zoals vaker het geval is in stalkingzaken verloopt die overgang enigszins gradueel, waarbij het op enig moment glashelder is dat de grens is overschreden. Het hof is van oordeel dat het in de hieronder bewezenverklaarde periode buiten twijfel staat dat de aangeefster geen prijs stelde op contact met de verdachte, de verdachte dit wist en dat hij desondanks op verschillende manieren contact is blijven zoeken met de aangeefster.

Het hof stelt vast dat de aangeefster en de verdachte tot 31 december 2023 een romantische, maar zoals hiervoor overwogen ook zeer heftige, relatie met elkaar hebben gehad. Voorafgaand aan de beëindiging van deze relatie was sprake van veelvuldig contact op vrijwillige basis. Op 31 december 2023 heeft de aangeefster de verdachte een Whatsappbericht gestuurd waarin zij te kennen heeft gegeven dat zij het contact met de verdachte definitief wenste te verbreken. In de tenlastegelegde periode die hierop volgde heeft de verdachte de aangeefster meermalen gebeld, voicemails bij haar ingesproken, whatsappberichten en e-mails met onder andere afbeeldingen en video’s gestuurd en onder haar [website] gereageerd.

Met de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de contactpogingen in de periode van 12 tot en met 17 februari 2024, bezien tegen de achtergrond van de recent beëindigde intensieve liefdesrelatie, nog niet met voldoende mate van zekerheid kunnen worden gekwalificeerd als een opzettelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. Het hof zal de verdachte dan ook partieel vrijspreken van dit deel van de tenlastegelegde periode.

Voor het overige deel van de tenlastegelegde periode komt het hof echter tot een andere conclusie dan de raadsvrouw. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Op 17 januari 2024 stuurt [persoon 1] – in navolging van haar bericht waarin zij de verdachte namens de aangeefster toestemming geeft een brief te sturen – nogmaals een Whatsappbericht naar de verdachte. In dit bericht schrijft [persoon 1] dat de aangeefster niet zal reageren op de berichten die de verdachte haar op verschillende plekken (het hof begrijpt: via verschillende kanalen) stuurt en dat de aangeefster alleen wil reageren op een brief.

Naar het oordeel van het hof had vanaf dit moment voor de verdachte volledig duidelijk moeten zijn dat zijn contactpogingen – anders dan een kennelijk schriftelijke brief – door de aangeefster ongewenst waren. De eventuele onduidelijkheid die bij de verdachte nog aanwezig zou kunnen zijn omtrent de gewenste vorm of frequentie van dat contact moet met dit bericht van [persoon 1] voldoende zijn opgehelderd.

Het hof constateert echter dat de verdachte de aangeefster ook na 17 januari 2024 is blijven benaderen. De verdachte benadert de aangeefster nog diezelfde dag en blijft de aangeefster ook in de periode die volgt berichten, afbeeldingen en video’s sturen. Een deel van die berichten is opdringerig en dreigend van toon: de verdachte dreigt in deze berichten persoonlijke geheimen van de aangeefster met anderen te delen (‘de waarheid zal aan het licht komen’) en stuurt onder meer een bericht met de tekst “Je komt nog wel aan de beurt, ik kapot, jij kapot!!!”.

Vervolgens heeft op 1 februari 2024 een zogenoemd stopgesprek met de verdachte plaatsgevonden. In dit gesprek heeft de politie aan de verdachte duidelijk gemaakt dat hij moest stoppen met contact zoeken en is aangegeven dat de aangeefster geen afsluitend gesprek met de verdachte wilde hebben. Ook na afloop van het stopgesprek – dat plaatsvond op dag dat de aangeefster het telefoonnummer van de verdachte heeft geblokkeerd – heeft de verdachte contact gezocht met de aangeefster, onder andere door haar meerdere e-mails te sturen en te reageren op een [website]. Ook hier geldt dat de eerste

e-mails al op de avond van het stopgesprek zijn gestuurd.

Het hof constateert dat de verdachte de aangeefster gedurende de tenlastegelegde periode is blijven benaderen, ook als zij hem op een bepaald medium (Whatsapp) blokkeerde of wanneer contactpogingen onbeantwoord bleven. Na de belpogingen en voicemails volgden Whatsappberichten en toen de aangeefster het telefoonnummer van de verdachte blokkeerde, volgden e-mails en reacties op een [website].

Met betrekking tot het zoeken van contact via [website] merkt het hof op dat de verdachte op zitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij heeft gereageerd op de [website] advertentie van de aangeefster waarin zij haar auto te koop aanbod en dat hij absurd hoge bedragen bood omdat hij de auto niet wilde kopen. Gelet hierop en in aanmerking genomen de aard en inhoud van het via [website] verstuurde bericht op 29 februari (het hof begrijpt: 2024) waaruit volgt dat de verzender wist wat de werkauto van de aangeefster was, gaat het hof ervan uit dat de verdachte ook dit bericht heeft verstuurd. Uit dit bericht leidt het hof af dat de verdachte in de periode kort voor het versturen van dit bericht in de directe nabijheid van de woning van de aangeefster is geweest.

Gelet op hetgeen hierboven uiteen is gezet is het hof van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, alsmede de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, naar objectieve maatschaven bezien zodanig zijn geweest dat gedurende de periode van 17 januari tot en met 29 februari 2024 van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster sprake is geweest. De verdachte heeft deze inbreuk opzettelijk gemaakt met het oogmerk de aangeefster te dwingen iets te doen, te dulden en haar vrees aan te jagen. Hij dreigde immers zeer persoonlijke en gevoelige informatie van de aangeefster met anderen te delen en volhardde in zijn contactpogingen met de aangeefster terwijl voor hem duidelijk was dat dit contact niet gewenst was.

Het hof zal de verdachte veroordelen voor belaging. Het hof merkt hierbij op dat de omstandigheid dat de verdachte gedurende de relatie met de aangeefster psychische klachten heeft ontwikkeld (mede) door gebeurtenissen die zich in deze relatie hebben voorgedaan, opzichzelfstaand niet aan een bewezenverklaring voor belaging in de weg staat. Het hof zal deze omstandigheid echter wel meenemen bij beoordeling de op te leggen straf, zoals later in dit arrest nader zal worden besproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 17 januari 2024 tot en met 29 februari 2024 te Opmeer wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op een anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door meermalen:

- die [slachtoffer] te bellen;

- voicemails bij die [slachtoffer] in te spreken;

- via Whatsapp en sms en e-mail berichten en afbeeldingen en video's te sturen naar die [slachtoffer] ;

- via [website] een bericht te sturen naar die [slachtoffer]

met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

belaging.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter heeft de verdachte voor het bewezenverklaarde veroordeeld tot geheel voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, en daarnaast een contactverbod opgelegd in de vorm van een dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in art. 38v van het Wetboek van Strafrecht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd met dien verstande dat die maatregel opnieuw wordt opgelegd totdat de maximale duur van 5 jaar is bereikt.

De raadsvrouw heeft – onder verwijzing naar overgelegde stukken van [instelling] – verzocht het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen omdat hij gedurende de tenlastegelegde periode leed aan een Post Traumatische Stress Stoornis (hierna: PTSS), en om daar – in geval van een bewezenverklaring – in strafmatigende zin rekening mee te houden. De raadsvrouw heeft het hof verzocht geen hogere straf op te leggen dan door de politierechter is gedaan en daarnaast af te zien van de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel. De verdachte ontkent dat hij na 2024 nog contact heeft gezocht met de aangeefster en hiervoor zijn ook geen objectieve aanknopingspunten. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de duur van de vrijheidsbeperkende maatregel zo te bepalen dat deze niet verder reikt dan de door de politierechter bepaalde termijn, te weten tot 4 september 2027.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich gedurende zes weken schuldig gemaakt aan het belagen van zijn ex-partner door haar te bellen, voicemailberichten in te spreken, berichten (met afbeeldingen en video’s) te sturen via verschillende kanalen en haar te benaderen via [website] . Een deel van de berichten die de verdachte aan de aangeefster heeft gestuurd, hadden mede door het zinspelen op het feit dat de verdachte geheimen van de aangeefster openbaar zou maken, een dreigende toon. De verdachte wist dat de aangeefster geen contact meer wilde. Toch is hij tegen deze uitdrukkelijke wens ingegaan en heeft hij zijn eigen drang naar contact met het slachtoffer vooropgesteld. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Het hof is van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke taakstraf passend is. Het hof ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om anders te beslissen.

Blijkens de door de raadsvrouw overgelegde stukken van [instelling] kampte de verdachte gedurende de tenlastegelegde periode met PTSS-klachten als gevolg van secundaire traumatisering door de verhalen en herbelevingen van de aangeefster tijdens de relatie. Het hof ziet hierin aanleiding het feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen en neemt deze omstandigheid ook in strafmatigende zin mee.

Blijkens het reclasseringsadvies van 14 september 2026 heeft de verdachte bovendien op dit moment een stabiele privésituatie. Hij heeft een koopwoning, zijn (net) meerderjarige zoon woont bij hem in en hij werkt fulltime. Het intensieve behandeltraject bij [instelling] is door de verdachte succesvol afgerond. Verder leidt het hof uit zijn strafblad af dat de verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest en dat hij na het bewezenverklaarde feit geen nieuwe feiten heeft gepleegd. De verdachte toonde zich ter terechtzitting in hoger beroep gemotiveerd om zijn leven na een voor hem zeer moeilijke periode weer op een constructieve manier op te pakken. Ook deze omstandigheden zullen in het voordeel van de verdachte worden meegewogen.

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw van de verdachte is het hof dan ook van oordeel dat een geheel voorwaardelijke taakstraf, zonder bijzondere voorwaarden passend is, met een proeftijd als stok achter de duur.

Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke taakstraf van 40 uur, subsidiair 20 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden. Het hof is van oordeel dat de verminderde mate waarin de verdachte het bewezenverklaarde feit wordt toegerekend in voldoende mate in deze straf is meegewogen.

Vrijheidsbeperkende maatregel: contactverbod aangeefster

Het hof ziet daarnaast – ter voorkoming van strafbare feiten – aanleiding aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, bestaande uit een contactverbod met de aangeefster

[slachtoffer] voor de duur van 3 jaren, waarbij de verdachte zich dient te onthouden van ieder contact met haar.

In afwijking van de vordering van de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding om de vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van vijf jaren op te leggen. Voorts ziet het hof onvoldoende aanleiding om de vrijheidsbeperkende maatregel (opnieuw) dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Dat is alleen mogelijk indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon. Daarvan is in deze zaak, bij gebrek aan informatie die daarop zou wijzen, geen sprake.

De tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de politierechter opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel zal bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering worden gebracht.

Anders dan door de vertegenwoordigster van de benadeelde partij is verzocht zal het hof aan de verdachte geen locatieverbod opleggen, omdat het hof daartoe onvoldoende aanleiding ziet.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.866,00, bestaande uit € 726,00 aan materiële schade en € 1140,00 aan immateriële schade.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.216,00, bestaande uit

€ 716,00 aan materiële schade en € 500,00 ter vergoeding voor immateriële schade. De vordering is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Materiële schade

De gevorderde materiële schade bedraagt in totaal € 726,00 en bestaat uit de volgende posten:

  1. Videodeurbel € 266,00

  2. Therapie € 460,00

De politierechter heeft de materiële schade toegewezen tot een bedrag van € 716,00. De kosten voor therapie zijn door de politierechter in hun geheel toegewezen. Met betrekking tot de kosten van de deurbel heeft de politierechter de aankoopwaarde (€ 166,00) geheel toegewezen en de kosten voor het abonnement gedeeltelijk tot een bedrag van € 90,00.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de materiële schade zal worden toegewezen conform de beslissing van de politierechter.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het causaal verband tussen de aanschaf van de deurbel en het tenlastegelegde is onvoldoende onderbouwd. Voorts is onvoldoende onderbouwd dat de psychische klachten waarvoor de therapiekosten worden gevorderd het gevolg zijn van het tenlastegelegde feit, aldus de raadsvrouw.

Het hof oordeelt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag.

Het hof acht het – gelet op het bewezenverklaarde feitencomplex en de context waarbinnen een en ander zich heeft afgespeeld – voldoende onderbouwd dat de aangeefster – die zich zelfs in haar eigen huis onveilig voelde – de camera heeft aangeschaft om gevoelens van onveiligheid te verminderen die rechtstreeks verband hielden met het handelen van de verdachte, en merkt de gemaakte kosten voor de videodeurbel en het bijbehorende abonnement aan als rechtstreekse schade.

Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat ook de gemaakte kosten voor therapie genoegzaam zijn onderbouwd gelet op de brief van de huisarts van 7 juni 2024 – waarin te lezen is dat vanwege stalking door haar ex-vriend EMDR wordt geadviseerd en dat dit (eventueel) ‘via praktijk [praktijk] ’ kan – , de facturen van [praktijk] en de begeleidende e-mail van mevrouw [persoon 2] , zodat ook deze post zal worden toegewezen.

Immateriële schade

De gevorderde immateriële schade bedraagt € 1.140,00.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot integrale toewijzing van dit gedeelte van de vordering.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht rekening te houden met de beperkte duur van de bewezenverklaarde belaging en de vordering in elk geval niet verder toe te wijzen dan tot het bedrag dat de politierechter heeft toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

Het hof oordeelt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Het handelen van de verdachte heeft grote gevolgen voor de benadeelde partij gehad, zoals ook uit de strafmotivering volgt. Zij voelde zich onveilig, ook in haar eigen huis, doordat de verdachte zelfs ondanks een stopgesprek via verschillende wegen contact met haar bleef opnemen en enkele berichten een dreigende toon hadden. Zij ervaarde hierdoor zelfs lichamelijke klachten; ze lag met hartkloppingen in bed, zo volgt uit de onderbouwing van de vordering. Op advies van haar huisarts heeft de benadeelde partij EMDR therapie ondergaan (meerdere sessies). Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof vanwege de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde, sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Het hof schat de omvang van de immateriële schade op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) naar maatstaven van billijkheid en gelet op de ‘Rotterdamse schaal’ (categorie c van paragraaf 17 ‘belaging’) op een bedrag van € 1.140,00.

Conclusie

Resumerend is de verdachte tot vergoeding van € 1.866,00 aan materiële en immateriële schade gehouden. Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met

[slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1981.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.

Heft het door de politierechter gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid op.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.866,00 (duizend achthonderdzesenzestig euro) bestaande uit € 726,00 (zevenhonderdzesentwintig euro) materiële schade en € 1.140,00 (duizend honderdveertig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.866,00 (duizend achthonderdzesenzestig euro) bestaande uit € 726,00 (zevenhonderdzesentwintig euro) materiële schade en € 1.140,00 (duizend honderdveertig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 18 (achttien) dagen.

Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op

29 februari 2024.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.M.G. de Weerd, mr. T. de Bont en mr. D.A.C. Koster, in tegenwoordigheid van

mr. L.C. de Groot, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

16 oktober 2026.

Mrs. De Bont en De Groot zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]