Strafrecht overig

Vernietiging vonnis om proceseconomische redenen. Veroordeling voor diefstal met geweld (overval)…

Gerechtshof Amsterdam, 16 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 16 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
16 oktober 2026
Datum publicatie
16 oktober 2026
Zaaknummer
23-001699-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2952
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vernietiging vonnis om proceseconomische redenen. Veroordeling voor diefstal met geweld (overval). Gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden met aftrek. Beslissing over de voorlopige hechtenis.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001699-24

datum uitspraak: 16 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 18 juli 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-057823-24 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
2 oktober 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 10 augustus 2023 te Hoorn een kassalade en/of een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- op die [slachtoffer] af te lopen met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of

- tegen die [slachtoffer] te zeggen: "Doe je kassa open" en/of

- ( vervolgens) met een hamer, althans een zwaar voorwerp op de kassalade en/of cashbox te slaan en/of

- ( vervolgens) het geld en/of de kassalade weg te nemen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd om proceseconomische redenen. Het hof komt weliswaar tot dezelfde bewezenverklaring en strafoplegging als de rechtbank, maar motiveert deze beslissingen anders, waardoor een bevestiging van het vonnis een te weinig overzichtelijk samenstel van beslissingen en motiveringen zou opleveren. Voorts neemt het hof een beslissing over de voorlopige hechtenis.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit bewezen kan worden verklaard op de wijze als de rechtbank heeft gedaan.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. Hij heeft hiertoe – samengevat –

het volgende aangevoerd.

Het DNA-spoor in de op afstand van de plaats delict aangetroffen handschoen is door de rechtbank onterecht aangemerkt als daderspoor. Er is geen overtuigend bewijs dat dit de handschoen van de overvaller betreft. Door de politie is geverbaliseerd dat de overvaller een zwarte handschoen met “iets van een witte tekening aan de bovenzijde” droeg. De op DNA-bemonsterde handschoen is echter volledig zwart, aldus de verdediging. De kans is voorts behoorlijk groot dat tijdens een ruim 6 uur durende onderwaterzoeking ook spullen worden aangetroffen die niks met de overval te maken hebben. Het DNA-spoor op de handschoen wordt door het NFI bovendien omschreven als onvolledig. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat op enig moment spullen van zijn vader – waaronder een paar handschoenen – zijn gestolen en dat zijn DNA dan wel het DNA van zijn vader op deze handschoen is te verwachten. Het scenario dat de overvaller gebruik heeft gemaakt van het gestolen paar handschoenen, is door het openbaar ministerie niet onderzocht.

Wat betreft de overige stukken in het dossier geldt dat de mogelijk overeenkomstige jas van het bekende merk Puma geen persoonsonderscheidend item betreft. De looppatroonanalyse is door de rechtbank terecht niet als bewijsmiddel gebruikt. In andere zaken is kansberekening ‘niet effectief gebleken’ en de camerabeelden die zijn gebruikt voor de vergelijking zijn vanuit een ander perspectief gefilmd en bovendien minder scherp dan die van de [winkel] .

De signalementen van de overvaller die de getuigen geven lopen uiteen, maar een rode lijn is dat getuigen verklaren dat de dader een jong persoon was. De verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde feit al bijna 45 jaar oud. Dit is een contra-indicatie voor betrokkenheid van de verdachte.

De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit niet kan worden gekwalificeerd als diefstal met geweld. De kassière is niet meteen weggevlucht toen ze de overvaller zag staan, het op de kassalade slaan heeft niet in het bijzijn van de kassière plaatsgevonden, het sommeren om de kassa open te maken ging niet op een dreigende toon en het voorwerp dat de overvaller vast had leek onvoldoende op een vuurwapen om tot een kwalificatie van diefstal met geweld te komen, aldus de raadsman.

Oordeel van het hof

Daderschap verdachte

Op 10 augustus 2023 omstreeks 21:00 uur heeft een diefstal met geweld (overval) plaatsgevonden in de [winkel] in winkelcentrum [locatie] . Tijdens deze overval heeft de overvaller aan de kassière [slachtoffer] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond en tegen haar gezegd “doe je kassa open”. Nadat de kassière haar kassa had verlaten, heeft de overvaller de kassalade opengebroken door er met een hamer op te slaan en geld uit de lade gepakt. Vervolgens heeft de overvaller een kassalade van een andere kassa losgeslagen en meegenomen, waarna hij de winkel heeft verlaten.

Op de camerabeelden is te zien dat de overvaller gedurende een deel van het incident één zwarte handschoen draagt en daarnaast een zwarte jas/vest van het merk Puma. Deze jas/dit vest doet de overvaller op enig moment uit, waarna te zien is dat hij een donkerkleurig(e) vest/trui met capuchon van het merk Champion draagt.

Het dossier bevat verder verklaringen van getuigen die de overvaller na afloop van het incident hebben gezien. Zo heeft de getuige [getuige 1] verklaard dat zij op 10 augustus 2023 omstreeks 21:03 uur – enkele minuten na de overval – een mannelijk persoon in haar straat zag fietsen die een zwarte hoody droeg met de capuchon over zijn hoofd. Hij kwam uit de richting van het winkelcentrum [locatie] . Tijdens het fietsen liet de man een rugtas vallen, waardoor de getuige kon waarnemen dat hierin een kassalade zat. De man is, nadat hij zijn spullen had opgeraapt, weggefietst over de [straat] .

De getuige [getuige 2] – woonachtig op de [straat] – heeft verklaard dat zij op de dag van de overval omstreeks 21:15 uur gekletter hoorde dat haar deed denken aan een vallende besteklade. Toen zij vervolgens vanaf haar balkon naar buiten keek, zag zij een mannelijk persoon met een zwarte hoody over zijn hoofd, die een langwerpig kistje in zijn rugzak probeerde te doen. De man fietste op een blauw/zwarte damesfiets vervolgens de (voor autoverkeer) doodlopende straat in.

Voorts heeft een getuige genaamd “ [getuige 3] ” zich bij de politie gemeld. Hij heeft verklaard dat zijn minderjarige stiefzoon [getuige 4] op 10 augustus 2023 omstreeks 21:30 uur met zijn vriendin op het stadstrand van Hoorn heeft gezeten. Zijn stiefzoon heeft hem verteld dat er politie over de dijk reed en dat plotseling een Afghaans uitziende man van tussen de 30 en 40 jaar oud naast hen op het bankje kwam zitten. De man kwam onrustig over en zei “niet steeds naar de smeris kijken, want ze zoeken mij”. De man droeg bovenkleding van het merk Puma en had geen schoenen aan.

De politie heeft de beelden van de overval vergeleken met beelden van een incident dat op 27 augustus 2023 plaatsvond en waarop de verdachte was te zien. De jas die de overvaller droeg was van hetzelfde merk (Puma) als de jas die de verdachte toen droeg. Ook de kleur (zwart, met wit logo) komt overeen en op beide beelden zijn witkleurige strepen op de jas te zien, waaronder een streep op de mouw van de jas.

Verder heeft de politie (mede) naar aanleiding van bovengenoemde verklaringen op 14 augustus 2023 onderzoek gedaan in de sloot aan het parkeerterreintje dat ligt aan een doodlopend straatje aan de [straat] . In deze sloot zijn verschillende goederen aangetroffen. Het gaat onder meer om een blauwe damesfiets, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (bestaande uit vuilniszakken en – vermoedelijk – een schroevendraaier, omwikkeld met tape), een zwarte hoody met de witte letters “Champion” op de borst, twee zwarte sportschoenen en één zwarte handschoen.

Er is onderzoek gedaan naar de aangetroffen schoenen en schoensporen die op de plaats delict (op de boodschappenrolband) waren aangetroffen. De conclusie van dat onderzoek was – kort gezegd – dat het schoenspoor was veroorzaakt door een soortgelijke schoen als was gevonden in het water.

Gelet op de plek waar de goederen zijn aangetroffen (in lijn met de verklaringen van de getuigen), de combinatie van de betreffende kledingstukken en de omstandigheid dat deze zijn aangetroffen samen met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp dat grote gelijkenissen vertoont met het voorwerp op de camerabeelden uit de supermarkt, en een damesfiets, is het hof van oordeel dat deze goederen door de overvaller in het water moeten zijn gegooid.

Bovengenoemde goederen zijn veiliggesteld en bemonsterd op DNA-sporen. Aan de binnenkant van de zwarte handschoen is een DNA-profiel aangetroffen. Op basis van het deskundige rapport met betrekking tot dit spoor, en de daarin vermelde berekening van de bewijswaarde, trekt het hof de conclusie dat dit DNA van de verdachte afkomstig is.

De verdachte stelt dat het enkele feit dat zijn DNA in de handschoen is aangetroffen, niet betekent dat hij degene is geweest die de handschoen in het water heeft gegooid. Hij heeft verklaard dat hij op de avond van de overval bij een vrouw genaamd [persoon] was en dat de handschoenen van zijn vader – die in de buurt woont – op enig moment voorafgaand aan de overval zijn gestolen, hetgeen de DNA-match zou kunnen verklaren.

Het hof acht deze verklaringen niet aannemelijk geworden nu deze niet zijn voorzien van enige nadere informatie over bijvoorbeeld [persoon] of de periode waarin de betreffende handschoenen zouden zijn gestolen. Het voorgaande betekent dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven die bovengenoemde redengevende feiten en omstandigheden voor de conclusie dat de verdachte de dader is, ontzenuwt.

Gelet op voornoemde overwegingen en de hieruit en uit de bewijsmiddelen overigens blijkende feiten en omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – komt het hof tot de conclusie dat de verdachte degene is geweest die op 10 augustus 2023 de [winkel] heeft overvallen.

Met betrekking tot de stelling dat de verdachte qua leeftijd niet overeenkomt met de diverse beschrijvingen/signalementen van getuigen overweegt het hof nog als volgt. Allereerst merkt het hof op dat het schatten van de leeftijd van iemand lastig is. Uiterlijke kenmerken en fysieke gesteldheid verschillen per individu en zeggen slechts tot op zekere hoogte iets over de leeftijd van deze persoon. Dat het schatten van de leeftijd moeilijk is wordt ook in deze zaak geïllustreerd, nu uit de verschillende getuigenverklaringen geen eenduidig beeld naar vorenkomt van de leeftijd van de dader. Bovendien hebben de twee kassières verklaard dat de verdachte – kort gezegd – gezichtsbedekking droeg, waardoor – naar mag worden aangenomen – een goede leeftijdsinschatting aanzienlijk wordt bemoeilijkt. Het hof overweegt in dit kader verder dat de getuige [getuige 1] over een jong persoon spreek (16-20 jaar oud), maar dat zij deze persoon van de nodige afstand heeft gezien op de openbare weg terwijl zijzelf op de 4e etage stond (p. 42 procesdossier), en zij deze persoon niet in zijn gezicht heeft kunnen zien (verklaring bij de raadsheer-commissaris). De getuige die de overvaller wel van dichtbij in het gezicht heeft kunnen kijken, te weten de getuige [getuige 4] , schatte de overvaller daarentegen tussen de 30 en 40 jaar oud. Deze schatting sluit de verdachte – die destijds 44 jaar oud was – naar het oordeel van het hof geenszins uit als dader. Het hof verwerpt gelet op het voorgaande dan ook het verweer dat – kort gezegd – de leeftijd van de verdachte ten opzichte van de ‘signalementen’ een contra-indicatie vormt die maakt dat de verdachte moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de vermeende witte tekening op de handschoen van de overvaller overweegt het hof tot slot als volgt. Eén van de verbalisanten spreekt bij de eerste (beknopte) beoordeling van de beelden over ‘iets van een witte tekening aan de bovenzijde’ van de handschoen. Deze bevinding doet naar het oordeel van het hof niet af aan hetgeen hiervoor is overwogen.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat deze bevinding kennelijk ter plaatse is gedaan met het oog op (onder meer) het direct doorgeven van het signalement van de dader terwijl deze beschrijving niet terugkomt in het uitgebreide proces-verbaal ‘onderzoek camerabeelden Dekamarkt’ (p. 65 e.v.). Hier komt nog bij dat de verdediging haar stelling dat de aangetroffen handschoen afwijkt van voornoemde beschrijving, kennelijk baseert op een (enkele) foto in het dossier waarop de zwarte handschoen slechts in één positie is te zien.

Het hof zal evenals de rechtbank geen gebruik maken van de looppatroonanalyse, zodat dit onderdeel van het verweer geen (nadere) bespreking behoeft.

Kwalificatie diefstal met geweld

Uit de verklaring van de kassière [slachtoffer] en uit de (beschrijving van de) camerabeelden volgt dat de verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op haar heeft gericht en daarbij de woorden “doe je kassa open” heeft gezegd. De kassière is hierop van haar kassa weggevlucht, waarna de verdachte deze kapot heeft geslagen en vervolgens een andere kassalade heeft gestolen.

Naar het oordeel van het hof kwalificeert het richten van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op een persoon als bedreiging met geweld. De omstandigheid dat de overvaller zacht sprak dan wel onzeker of zenuwachtig overkwam, maakt die bedreiging niet minder ernstig.

Het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 10 augustus 2023 te Hoorn een kassalade en een geldbedrag, die aan [winkel] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door

- op die [slachtoffer] af te lopen met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en

- tegen die [slachtoffer] te zeggen: “Doe je kassa open” en

- vervolgens met een hamer op de kassalade en/of cashbox te slaan en

- het geld en de kassalade weg te nemen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft het hof – onder verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van zijn cliënt – verzocht te volstaan met een onvoorwaardelijke straf die de duur van de voorlopige hechtenis niet overstijgt, eventueel in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel en/of een taakstraf. Daartoe heeft de raadsman onder meer aangevoerd dat de verdachte geen geweld heeft gebruikt en de dreiging met geweld van beperkte ernst was, zodat de gevolgen voor de betrokkenen relatief beperkt zijn gebleven. Verder is van groot belang dat de verdachte zijn leven inmiddels goed op de rit heeft: hij heeft een woonplek bij zijn ouders en werkt in het garagebedrijf van familie. Er is ‘echt sprake van een doorbraak gezien het verleden’ van de verdachte, zoals dat blijkt uit zijn aanzienlijke strafblad. De verdachte heeft zijn leven over een andere boeg gegooid, afscheid genomen van verkeerde vrienden en is sinds zijn schorsing in januari 2025 niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie. Deze positieve wending moet niet worden doorkruist door een hernieuwde detentie. Dat is in het belang van de verdachte én van de samenleving.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overval op een supermarkt. Hij heeft een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op de kassière gericht, waarna zij uit schrik voor hem is weggevlucht. Vervolgens is de verdachte op en over de kassaband gesprongen en heeft hij met een hamer een kassalade kapotgeslagen en geld dat daarin zat meegenomen. Daarna is hij naar een andere kassa gelopen en heeft hij met zijn hamer de kassalade losgeslagen en die in zijn geheel meegenomen. Met zijn handelen heeft de verdachte de nog minderjarige kassière en haar collega’s enorme angst aangejaagd. Blijkens de verklaring van de kassière bij de raadsheer-commissaris durfde zij na de overval in de avonden niet meer alleen naar buiten en heeft zij enige tijd niet achter de betreffende kassa gezeten. Dit laatste geldt ook voor andere personeelsleden.

Ook een ander personeelslid heeft verklaard dat zij een aantal maanden lang bang en oplettend is geweest tijdens haar werkzaamheden als kassière. Feiten zoals deze creëren bovendien gevoelens van angst en onveiligheid bij omstanders, omwonenden en in de samenleving als geheel. Het hof rekent de verdachte aan dat hij zich hier met het plegen van deze brutale overval – kennelijk omwille van zijn eigen financiële gewin – geen rekenschap van heeft gegeven. Dat de verdachte zich van een (betrekkelijk knullig) nepvuurwapen heeft bediend, maakt dit niet anders. De gevolgen voor de betrokkenen zijn zeer groot geweest, zoals hiervoor is overwogen, terwijl van het handelen van de verdachte in zijn geheel bezien een grote mate van agressie en dreiging is uitgegaan.

Het hof is van oordeel dat vanwege de ernst van het feit alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als passende sanctie kan worden beschouwd. Bij het bepalen van de duur hiervan heeft het hof acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierin staat voor een overval met bedreiging met licht geweld/ bedreiging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden genoemd voor een first offender. Gelet op het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte zich in het verleden al vaker schuldig heeft gemaakt aan vermogensdelicten (getuige onherroepelijke veroordelingen) en waaruit een patroon van het plegen van delicten naar voren komt, is het hof echter van oordeel dat in beginsel een hogere gevangenisstraf passend is.

In het voordeel van de verdachte houdt het hof echter rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze (mede) op de terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Na een periode waarin zijn leven in het teken stond van verslavingsproblematiek, waarin hij forse schulden had, waarin het hem ontbrak aan een zinvolle dagbesteding en waarin hij in een negatief sociaal netwerk verkeerde, werkt de verdachte nu in een garagebedrijf en onderneemt stappen om door te groeien naar de functie van APK-controleur. Hij heeft een stabiele woonsituatie bij zijn familie, die zich over hem heeft ontfermd. Het lijkt er dus op dat de verdachte zijn leven een positieve draai heeft gegeven. Op de zitting toonde de verdachte zich ook gemotiveerd om verder te gaan op de ingeslagen weg. Het hof neemt dit in het voordeel van de verdachte mee.

Gelet op het voorgaande neemt het hof alles afwegende een gevangenisstraf voor de uur van 24 maanden met aftrek van voorarrest als uitgangspunt voor de op te leggen sanctie.

Het hof heeft echter rekening gehouden met de omstandigheid dat de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. De verdachte heeft op 25 juli 2024 hoger beroep in gesteld en het hof doet op 16 oktober 2026 uitspraak, waardoor de redelijke termijn in hoger beroep met bijna 3 maanden is overschreden.

Het hof ziet hierin aanleiding de straf te matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, met aftrek van voorarrest.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Beslissing voorlopige hechtenis

De voorlopige hechtenis van de verdachte is geschorst met ingang van 8 januari 2025, tot aan de einduitspraak in deze zaak, zijnde 16 oktober 2026 omstreeks 13.30 uur. Namens de verdachte is een verzoek gedaan tot opheffing van de voorlopige hechtenis op dat moment wegens het ontbreken van gronden. De advocaat-generaal heeft zich tegen opheffing van de voorlopige hechtenis verzet. Het hof constateert dat een veroordelend vonnis op zichzelf reeds een grond vormt voor voorlopige hechtenis en zal dit verzoek afwijzen.

Namens de verdachte is geen verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis gedaan en het hof ziet ook ambtshalve, juist gelet op zijn onderhavig veroordelend arrest en ondanks de hiervoor genoemde positieve stappen die de verdachte in zijn leven heeft gezet, ambtshalve geen redenen om de voorlopige hechtenis van de verdachte (opnieuw) te schorsen. Dat betekent dus dat de verdachte in deze zaak weer vastzit.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 (oud) en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 (tweeëntwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. T. de Bont, mr. L.M.G. de Weerd en mr. D.A.C. Koster in tegenwoordigheid van

mr. L.C. de Groot, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

16 oktober 2026.

Mrs. De Bont en De Groot zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]