Strafrecht overig

Zware mishandeling. Verdachte heeft een met heet water gevulde waterkoker tegen het slachtoffer, haar…

Gerechtshof Den Haag, 14 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 14 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Datum publicatie
19 oktober 2026
Zaaknummer
22-000338-26
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:3075
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Zware mishandeling. Verdachte heeft een met heet water gevulde waterkoker tegen het slachtoffer, haar echtgenoot, gegooid. Het hof komt na weging van alle belangen tot een andere strafoplegging dan de rechtbank, nl een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 3 februari 2026

    ECLI:NL:RBDHA:2026:1776
  2. Gerechtshof Den Haag · 14 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2026:3075

Uitspraak

Rolnummer: 22-000338-26

Parketnummer: 09-258984-23

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 februari 2026 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1976,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 1 oktober 2023 te 's-Gravenhage aan [het slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten

- 2 e en/of 3e graads brandwonden in de zij en/of

- 2 e en/of 3e graads brandwonden aan/op de arm en/of

- 2 e en/of 3e graads brandwonden in de oksel,

althans zeer ernstige cosmetische ontsierende littekens heeft toegebracht door een gevulde hete waterkoker tegen die [het slachtoffer] aan te gooien en/of die [het slachtoffer] met een hoeveelheid kokend/heet water, althans een kokende/hete vloeistof, te overgieten.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren, onder algemene en bijzondere voorwaarden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op of omstreeks 1 oktober 2023 te 's-Gravenhage aan [het slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten

- 2e en/of 3e graads brandwonden in de zij en/of

- 2e en/of 3e graads brandwonden aan/op de arm en/of

- 2e en/of 3e graads brandwonden in de oksel,

althans zeer ernstige cosmetische ontsierende littekens heeft toegebracht door een gevulde hete waterkoker tegen die [het slachtoffer] aan te gooien en/of die [het slachtoffer] met een hoeveelheid kokend/heet water, althans een kokende/hete vloeistof, te overgieten.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is bepleit dat de verdachte geen opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte niet wist dat er heet water in de waterkoker zat en dat het gooien met de waterkoker een impulsieve schrikreactie was op het meermaals duwen door de aangever. De verdachte zou met het gooien van de waterkoker enkel hebben getracht zich te verdedigen tegen de verbale en fysieke agressie afkomstig van de aangever en daarbij nooit de intentie hebben gehad de aangever pijn of letsel toe te brengen.

Bespreking van het verweer

Naar het oordeel van het hof is op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep niet aannemelijk geworden dat de verdachte de waterkoker heeft gegooid uit een impulsieve schrikreactie. De verdachte heeft immers - ook blijkens haar eigen verklaring - eerst gedreigd om de waterkoker te gooien, zonder dat direct te doen. Het hof concludeert daaruit dat de verdachte zich kennelijk bewust was van de aanwezigheid van heet water in die waterkoker en dat zij erover heeft nagedacht die te gooien, alvorens daartoe daadwerkelijk over te gaan. De verklaring van de verdachte dat zij impulsief en uit schrik handelde acht het hof dan ook ongeloofwaardig.

Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte daarbij vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever. Voor het antwoord op de vraag of de verdachte daarbij wel voorwaardelijk opzet heeft gehad, stelt het hof voorop dat van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg (in dit geval zwaar lichamelijk letsel) sprake is indien de verdachte met diens handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Zoals hiervoor is overwogen, heeft verdachte eerst gedreigd de waterkoker te gooien. Met de rechtbank is het hof van oordeel, dat verdachte het gooien van een plastic waterkoker alleen dan als dreigend bedoeld kan hebben, als zij ook wist dat er in deze waterkoker heet water zat. Anders valt van het gooien van een dergelijke watergooier in de gegeven situatie geen gevaar, zoals verdachte zegt, ter afschrikking te duchten.

Voorts geldt, dat - gelet op de aard van het materiaal van de waterkoker, plastic, de verdachte naar het oordeel van het hof bij het oppakken van die waterkoker moet hebben gevoeld dat deze gevuld en warm was. Verdachte moet dus hebben geweten dat er heet water in de waterkoker zat. Naar algemene ervaringsregels kan (het gooien met) heet water zorgen voor ernstige brandwonden (met blijvende littekens tot gevolg). Door onder deze omstandigheden de waterkoker tegen de aangever aan te gooien, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof dan ook bewust de aanmerkelijke kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstige brandwonden, aanvaard.

Zwaar lichamelijk letsel

Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bevat een opsomming van de gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. De Hoge Raad heeft bepaald dat deze opsomming niet limitatief is, maar dat artikel 82 Sr de rechter de vrijheid laat om ook buiten die gevallen lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen, wanneer dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Als omstandigheden die daartoe van betekenis kunnen zijn gelden de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.

De aangever heeft door het hete water (diepe) tweedegraads brandwonden opgelopen, met een totaal verbrand lichaamsoppervlak van naar schatting 5 procent. Voornoemd letsel was van dien aard dat medisch ingrijpen noodzakelijk is gebleken. Het HAGA ziekenhuis doet geen uitspraken over de (termijn) van genezing. In algemene zin is het lastig te voorspellen of de huid waar de brandwonden zich bevinden volledig zullen genezen zonder littekenvorming. De termijn voor het sluiten van de huid zal tenminste 2 weken zijn. Daarna kan de huid nog een tijd rood ogen dan eerder en kunnen ook pigmentverschillen (blijvend) bestaan met de omliggende niet aangedane huid. Tenslotte kan ook littekenvorming optreden.

Gelet op het bovenstaande is het hof – met de rechtbank - van oordeel dat het letsel van het slachtoffer als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt en dat dit, ook gelet op

de algemene gezichtspunten, kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel in de

zin van artikel 82 Sr. Het hof acht dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook bewezen.

Conclusie

Gelet op al het hiervoor overwogene, is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel aan de aangever heeft toegebracht.

Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

zware mishandeling.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Voor zover op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep al aannemelijk is geworden dat sprake was van een noodweersituatie, waarin de verdachte zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de kant van de aangever, heeft de verdachte daarbij naar het oordeel van het hof niet proportioneel gehandeld. Indien zij dus gerechtigd was zich te verdedigen, was de verdedigingshandeling immers disproportioneel: het gooien met een gevulde, hete waterkoker stond namelijk niet in redelijke verhouding tot de ernst van de gedragingen van de aangever. Dat de verdachte stelt dat zij niet eerder zo bang is geweest voor de aangever, doet aan dit oordeel niet af.

Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door een waterkoker met daarin heet water tegen het slachtoffer aan te gooien. Het slachtoffer heeft daardoor meerdere tweedegraads brandwonden opgelopen op een groot deel van zijn linkerzij, zijn arm en -been, ten aanzien waarvan niet kan worden uitgesloten dat hij voor de rest van zijn leven littekens zal overhouden. De verdachte heeft met haar handelen dan ook een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien heeft de verdachte het feit begaan in de huiselijke sfeer en waren de kinderen van de verdachte en het slachtoffer daarvan getuige. Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die dergelijk geweld hebben moeten aanschouwen nog lange tijd last kunnen hebben van de gevolgen hiervan.

Het hof is van oordeel dat de ernst van het gepleegde feit in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Het hof ziet echter net als de advocaat-generaal reden om daarvan af te zien, en betrekt bij dat oordeel de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken.

De verdachte werkt sinds enige tijd als planner bij [bedrijfsnaam] en woont samen met haar twee jonge kinderen. In januari van dit jaar is de echtscheiding tussen de verdachte en het slachtoffer uitgesproken en sinds begin augustus is hij niet meer bij hen thuis geweest. De verdachte heeft de volledige zorg over hun kinderen. Een detentie zou betekenen dat de verdachte haar werk, inkomen en koopwoning zou kunnen verliezen, en dat de kinderen gedurende die periode niet over een stabiele thuisbasis en verzorging door hun moeder kunnen beschikken. Ook in het door het hof geraadpleegde reclasseringsadvies d.d. 6 januari 2026, wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor verdachte onwenselijk geacht in verband met de zorg voor haar kinderen.

Hoewel de reclassering in voornoemd rapport interventies of toezicht niet nodig acht, wordt in een door de raadsvrouw ingebrachte voorlichtingsrapportage van Forensisch Maatwerk d.d. 25 september 2026 geadviseerd om de verdachte ambulant te laten behandelen in het kader van bijzondere voorwaarden. De verdachte heeft naar aanleiding van het incident reeds meegewerkt aan meerdere vormen van therapie en heeft aangegeven open te staan voor en baat te hebben bij verdere behandeling en begeleiding via de reclassering.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Het hof constateert verder dat de redelijke termijn (termijn van berechting in eerste aanleg), als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden met ongeveer vier maanden is overschreden. Nu het een beperkte overschrijding betreft en daarmee een betrekkelijk geringe inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte op berechting binnen redelijke termijn, wordt met deze constatering volstaan.

Alles afwegende, is het hof van oordeel dat een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf - waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest - in combinatie met een forse onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is bedoeld om de ernst van het feit te benadrukken en dient als extra stimulans voor de verdachte om niet nog eens een strafbaar feit te begaan. Het hof zal aan dat voorwaardelijk strafdeel de in de beslissing vermelde bijzondere voorwaarden verbinden.

Vordering tot schadevergoeding [het slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [het slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade, als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde. De totale vordering betreft een bedrag van € 35.679,00, bestaande uit € 679,00 aan materiële schade en € 35.000,00 aan immateriële schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 8.679,00, onder toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde proceskosten.

De hoogte van de totale vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist. De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte zich - bij veroordeling - kan vinden in het oordeel van de rechtbank, te weten toewijzing van de materiële schade van € 679,00, de proceskosten van € 665,50 en de immateriële schade tot een bedrag van € 8.000,00.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van

€ 679,00 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof overweegt dat op grond van artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek een benadeelde partij een vergoeding toekomt voor immateriële schade als sprake is van lichamelijk letsel. Het hof stelt op basis van het dossier en de gegeven onderbouwing door de benadeelde partij vast dat sprake is van lichamelijk letsel (tweedegraads brandwonden, met een totaal verbrand lichaamsoppervlak van naar schatting 5 procent), zodat de grond voor immateriële schadevergoeding daarmee is gegeven.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij daadwerkelijk immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich naar het oordeel van het hof - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 8.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof heeft bij de toekenning van de immateriële schadevergoeding gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen in Nederland plegen te worden toegekend, en aansluiting gezocht bij de in de zogeheten Rotterdamse schaal genoemde bedragen en relevante factoren. Het hof zal bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is in de vordering tot vergoedeng van de geleden schade. Dit deel van de schade kan in zoverre nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof tot op heden begroot op € 665,50, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 8.679,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer] .

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 115 (honderdvijftien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de reclassering Nederland op het adres Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag;

- zich gedurende de proeftijd ambulant laat behandelen door een door de reclassering te bepalen zorgverlener, zolang de reclassering de behandeling noodzakelijk vindt. De inhoud, intensiteit en duur van de behandeling worden afgestemd op de uitkomsten van de diagnostiek en de professionele beoordeling door de behandelaar. De behandeling is onder andere gericht op het verbeteren van copingvaardigheden, stresshantering, assertiviteit, emotie- en impulsregulatie en eventuele traumagerelateerde klachten.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [het slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [het slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 8.679,00 (achtduizend zeshonderdnegenenzeventig euro) bestaande uit € 679,00 (zeshonderdnegenenzeventig euro) materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 665,50 (zeshonderdvijfenzestig euro en vijftig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [het slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 8.679,00 (achtduizend zeshonderdnegenenzeventig euro) bestaande uit € 679,00 (zeshonderdnegenenzeventig euro) materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 68 (achtenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 oktober 2023.

Dit arrest is gewezen door mr. O.E.M. Leinarts, als voorzitter, mr. H.M.D. de Jong en mr. O.M. Harms, leden, in bijzijn van de griffier mr. E.E.N. Birkhoff.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 oktober 2026.

Mr. O.E.M. Leinarts en mr. E.E.N. Birkhoff zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.