Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBDHA:2026:1776

Op 3 February 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 09/258984-23, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:1776. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
09/258984-23
Datum uitspraak:
3 February 2026
Datum publicatie:
3 February 2026

Indicatie

Zware mishandeling. Verdachte heeft een gevulde hete waterkoker tegen het slachtoffer gegooid. Gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/258984-23

Datum uitspraak: 3 februari 2026

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteland] ,

BRP-adres: [adres] .

1
Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 20 januari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.M. Kortekaas en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. A.M.A. Martha naar voren is gebracht.

2
De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 1 oktober 2023 te ’s-Gravenhage aan [naam] opzettelijkzwaar lichamelijk letsel, te weten- 2e en/of 3e graads brandwonden in de zij en/of- 2e en/of 3e graads brandwonden aan/op de arm en/of- 2e en/of 3e graads brandwonden in de oksel,althans zeer ernstige cosmetische ontsierende littekens heeft toegebracht door een gevulde hete waterkoker tegen die [naam] aan te gooien en/of die [naam] met een hoeveelheid kokend/heet water, althans een kokende/hete vloeistof, te overgieten.

Beslissing

3
De bewijsbeslissing
3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het ten laste gelegde feit bepleit.

3.3.

Gebruikte bewijsmiddelen

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2023313147, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 90).

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 20 januari 2026, voor zover inhoudende:

U vraagt mij hoe het op 1 oktober 2023 is gegaan. Wij waren in de keuken. Hij duwde mij. Ik zag de waterkoker op het kookeiland staan en ik zei tegen hem dat ik die naar hem zou gaan gooien en dat hij mij moest laten gaan. Hij kwam vervolgens op mij af en toen heb ik de waterkoker gepakt en naar hem gegooid.

Het was een normale koker van de Action, van plastic.

2. Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [naam] , opgemaakt op 8 oktober 2023, voor zover inhoudende (p. 28-34):

Plaats : ‘s-Gravenhage

Ik doe aangifte tegen [verdachte] . Het begon op 1 oktober 2023. Ze zei tegen mij dat als ik haar nog één keer zou duwen of zou aanraken dat ze dan de waterkoker naar me toe zou gooien. [verdachte] pakte de waterkoker en gooide het water wat in de waterkoker zat in mijn richting. Ik voelde direct dat het heel heet water was. Het brandde direct. Het water had mij aan de linkerkant van mijn lichaam geraakt. Ik zag dat er ook een grote plas water op de vloer lag.

3. Het deskundigenverslag, op 30 januari 2024 opgemaakt en ondertekend door A.M. de Booij - Fuite, Forensisch arts KNMG, voor zover inhoudende (p. 79-80):

Uit de ontvangen informatie valt op te maken dat betrokkene zich op 05-10-2023, 4 dagen na het incident op 01-10-2023, op doorverwijzing van de huisarts meldde bij de Spoedeisende Hulp (SEH) van het HAGA ziekenhuis. Vervolgens kwam betrokkene opnieuw ter controle langs op 08-10-2023, 7 dagen na het incident.

In het HAGA werden (diepe) tweedegraads brandwonden gezien:

a. Op de linker flank net onder de oksel en doorlopend tot aan de binnenzijde van de linker bovenarm waarbij de oksel zelf vrij is gebleven. Vermeld wordt dat de brandwonden op deze plaats (binnenzijde bovenarm) wat dieper leken dan elders.

b. Op de linker flank beginnend bij de onder a. beschreven brandwond en doorlopend en verbredend naar onder toe tot net boven de onderbroekband.

c. Op het linker bovenbeen ter grootte van circa 3 cm doorsnede.

Het totaal verbrande lichaamsoppervlak werd geschat op 5%.

Het HAGA ziekenhuis doet geen uitspraken over de (termijn van) genezing. In algemene zin is moeilijk te voorspellen of de huid op de plaatsen van de brandwonden geheel zal genezen zonder littekenvorming. De termijn voor het sluiten van de huid zal tenminste 2 weken zijn. Daarna kan de huid nog een tijd roder ogen dan eerder en kunnen ook pigmentverschillen (blijven) bestaan met de omliggende niet aangedane huid. Tenslotte kan ook littekenvorming optreden.

3.4.

Bewijsoverwegingen

De verdachte heeft bekend dat zij op 1 oktober 2023 tijdens een ruzie een waterkoker naar haar toenmalige echtgenoot, het slachtoffer [naam] , heeft gegooid. Zij heeft ook verklaard dat zij niet wist dat er heet water in deze waterkoker zat. De verdediging heeft bepleit dat er geen sprake was van opzet, nu de verdachte niet de intentie had om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Daarnaast heeft de verdediging bepleit dat het letsel van het slachtoffer niet aan te merken valt als zwaar lichamelijk letsel, nu onduidelijk is of het letsel volledig zal genezen zonder littekenvorming of blijvende pigmentverschillen. Verder heeft het slachtoffer pas vier dagen na het incident medische hulp gezocht, waardoor de verdediging van mening is dat het letsel mogelijk beperkter was gebleven indien hij deze hulp wel al gelijk had gezocht.

De rechtbank moet allereerst de vraag beantwoorden of sprake is van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en zo ja, of het letsel kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.

Opzet

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. De verdachte heeft tijdens een ruzie tussen haar en [naam] in de keuken van haar woning het dreigement gemaakt dat zij een waterkoker naar hem zou gooien.

Het gooien van een plastic waterkoker kan de verdachte volgens de rechtbank alleen dan als dreigend bedoeld hebben, als zij ook wist dat er in deze waterkoker heet water zat. Anders valt van het gooien van een dergelijke waterkoker in de gegeven situatie geen gevaar, zoals de verdachte zegt, ter afschrikking te duchten.

Gelet op de aard van het materiaal van de waterkoker, plastic, moet de verdachte naar het oordeel van de rechtbank ook voorafgaand aan het gooien van de waterkoker gevoeld hebben dat deze warm was en dus hebben geweten dat er heet water in zat.

De rechtbank acht niet geloofwaardig dat sprake is geweest van een impulsieve actie (een reflex, of schrikreactie) van de verdachte die gemaakt heeft dat zij de waterkoker gooide. De verdachte heeft blijkens haar verklaring immers eerst gedreigd met de waterkoker te gooien, zonder dit direct daadwerkelijk te doen. De verdachte heeft kennelijk nagedacht over het gooien van deze waterkoker met heet water en is daartoe pas op een later moment overgegaan.

Weliswaar kan sprake zijn geweest van een kort tijdsbestek tussen het dreigement en het gooien, dit laat onverlet dat de verdachte doordacht, in de zin van willens en wetens, de waterkoker met heet water heeft gegooid om [naam] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Zij heeft het niet bij een dreigement gehouden, maar heeft na haar dreigement, in de wetenschap dat er heet water in de waterkoker zat, in de beperkte ruimte die de keuken bood, waarmee zij wist dat zij [naam] zou (kunnen) raken, die waterkoker in de richting van [naam] gegooid.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist wat het gevolg van haar handelen zou zijn en dat gevolg ook wilde bereiken, namelijk dat zij [naam] met het gooien van die waterkoker met heet water zwaar lichamelijk letsel (zoals hierna verder beschreven) zou kunnen toebrengen. Naar algemene ervaringsregels kan dit gevolg al door een geringe hoeveelheid heet water worden toegebracht (zoals door een kop met hete thee), derhalve in ieder geval door een met heet water gevulde waterkoker.

De verdachte had dus vol opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [naam] .

Zwaar lichamelijk letsel

Vervolgens is de vraag of het letsel van [naam] kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 Sr van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt begrepen, voor zover van belang: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Bij de beantwoording van de vraag of bepaald letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, zijn ook de volgende algemene gezichtspunten van belang: de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.

De rechtbank stelt aan de hand van de gebruikte bewijsmiddelen vast dat door het handelen van de verdachte aan het slachtoffer letsel is toegebracht, te weten (diepe) tweedegraads brandwonden met een totaal verbrand lichaamsoppervlak van naar schatting 5 procent. Dit letsel is van dien aard dat medisch ingrijpen noodzakelijk is gebleken, terwijl thans nog geen uitzicht is op (volledig) herstel. Volgens deskundigen van het Haga ziekenhuis is het in algemene zin lastig te voorspellen of de huid waar de brandwonden zich bevinden volledig zullen genezen zonder littekenvorming of blijvende pigmentverschillen.

De rechtbank is van oordeel dat het beschreven letsel dat het slachtoffer heeft naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt en dat dit, ook gelet op de algemene gezichtspunten, kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr. Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Conclusie

De rechtbank komt tot de conclusie dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

3.5.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

zij op 1 oktober 2023 te ’s-Gravenhage aan [naam] opzettelijkzwaar lichamelijk letsel, te weten- 2e graads brandwonden in de zij en - 2e graads brandwonden aan/op de arm en - 2e graads brandwonden in de oksel,heeft toegebracht door een gevulde hete waterkoker tegen die [naam] aan te gooien.

4
De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweer. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

Voor een geslaagd beroep op noodweer, als bedoeld in artikel 41 lid 1 Sr, dient vast te staan dat op enig moment sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, waartegen verdediging noodzakelijk was.

De rechtbank stelt zich de vraag of hieraan is voldaan. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte door [naam] is geduwd. Dat echter, is niet genoeg voor de conclusie dat sprake was van situatie in de zin van artikel 41 lid 1 Sr. Er zijn geen aanknopingspunten waaruit blijkt dat sprake was van een noodweersituatie die maakte dat de verdachte zich fysiek of anderszins heeft moeten verweren omdat zij anders moest vrezen dat haar iets ernstigs zou overkomen. De rechtbank acht voor haar conclusie ook van belang dat de moeder van de verdachte in de keuken aanwezig was, terwijl de verklaring van haar moeder evenmin duidt op een noodweersituatie. De verdachte heeft bovendien naar [naam] de opmerking gemaakt dat hij geen respect had voor haar moeder. Alles afwegende, heeft zich naar het oordeel van de rechtbank het scenario dat de verdediging aan haar verweer ten grondslag heeft gelegd, namelijk dat de verdachte geen mogelijkheid had om zich aan de situatie te onttrekken, zich dus niet voorgedaan.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer.

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk haar geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5
De strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweerexces met betrekking tot het onder 1 bewezen verklaarde feit. De rechtbank verwerpt ook dit verweer nu zich geen noodweersituatie heeft voorgedaan.

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6
De strafoplegging
6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft de rechtbank bij bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door een waterkoker met daarin heet water naar het slachtoffer te gooien. De verdachte heeft door haar handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft door het handelen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel, namelijk meerdere tweedegraads brandwonden, opgelopen op een groot deel van zijn linkerzij en -been. Hierdoor heeft het slachtoffer mogelijk voor de rest van zijn leven last van littekens en blijvende pigmentverschillen op de plek waar de huid verbrand is geweest.

De zware mishandeling heeft plaatsgevonden jegens de toenmalige partner van de verdachte in de woning waar zij gezamenlijk woonden. Een woning is een plek waar iemand zich bij uitstek veilig hoort te voelen. Zowel het slachtoffer als de verdachte hebben deze thuisomgeving niet als een veilige plek ervaren, nu geen sprake was van een harmonieuze relatie. Verder heeft de ruzie tussen de verdachte en het slachtoffer en de zware mishandeling van het slachtoffer voor de ogen van hun beider kinderen plaatsgevonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die dergelijk geweld hebben moeten aanschouwen nog lange tijd last kunnen blijven houden van de gevolgen hiervan.

Hoezeer de verdachte zich beklemd heeft gevoeld in de relatie met haar echtgenoot, de manier waarop zij in een ruzie met hem heeft gereageerd, is kwalijk te noemen. De verdachte had op allerlei manieren hulp kunnen inschakelen, maar heeft dit nagelaten. Mogelijk heeft de verdachte dit moeilijk gevonden. Dit laat onverlet dat de rechtbank bij haar strafoplegging aan de ernst van het door de verdachte gepleegde feit zwaarwegende betekenis toekent.

Het strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 oktober 2023, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 6 januari 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek met betrekking tot het psychosociaal functioneren van de verdachte en dan met name haar emotie- en impulsregulatievaardigheden. Verder schat de reclassering het recidiverisico in als laag. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte haar op te leggen een straf zonder bijzondere voorwaarden, nu zij interventies en toezicht niet nodig achten. De verdachte blijkt namelijk in een vrijwillig kader al te worden ondersteund.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden die door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren zijn gebracht. De verdachte heeft aangegeven dat het huwelijk tussen haar en het slachtoffer is beëindigd en dat zij de zorg voor hun twee kinderen draagt.

De straf

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt bij het

opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden vermeld.

In dit geval acht de rechtbank strafverlagend dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank neemt strafverhogend mee dat de ruzie en de mishandeling in de woning en voor de ogen van hun beide kinderen heeft plaatsgevonden.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden passend en geboden. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding, nu de reclassering daar niet toe adviseert, het recidiverisico kan worden ingeschat als laag en de verdachte in een vrijwillig kader hulp heeft gezocht voor haar problematiek.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7
De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[naam] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 35.679,00 en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 679,00 aan materiële schade en € 35.000,00 aan immateriële schade.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor zover dit ziet op de materiële schade voor het gehele gevorderde bedrag van € 679,00. De officier van justitie heeft verzocht om het bedrag aan immateriële schade te matigen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Tot slot heeft de officier van justitie het gevraagde bedrag aan de proceskosten niet betwist.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, omdat een inhoudelijke behandeling van de vordering zal zorgen voor een onevenredige belasting van het strafgeding.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post materiële schade, is namens de verdachte niet gemotiveerd betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij op dit onderdeel derhalve toewijzen.

Immateriële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Voor het vaststellen van een schadebedrag heeft de rechtbank gekeken naar de aanbevelingen die in de Rotterdamse schaal zijn opgenomen. Volgens deze Rotterdamse schaal zullen brandwonden op het lichaam als ernstiger worden aangeduid dan andere littekens, nu brandwonden pijnlijker zijn en de fysieke en psychische gevolgen als blijvend kunnen worden geacht. Voor middelzware littekenvorming, waarbij sprake is van een aantal duidelijke zichtbare littekens of één misvormd litteken, wordt een schadebedrag tussen de

€ 5.500,00 en € 16.000,00 aanbevolen. De rechtbank heeft ook acht geslagen op de aanbevelingen van de rechtspraak voor de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat [naam] niet gelijk na het incident, maar pas na vier dagen, naar het ziekenhuis is gegaan om aan zijn verwondingen te worden geholpen. Aldus rijst de vraag of en in hoeverre [naam] de door hem geleden schade had kunnen en moeten beperken en of alle schade in redelijkheid als gevolg van het door de verdachte gepleegde feit aan haar kan worden toegerekend. Voor de beantwoording van die vragen is, in het licht van de betwisting van de verdediging, informatie van (medisch) deskundigen, en/of bewijslevering vereist, die een onevenredige belasting van het strafproces zouden betekenen. Het strafdossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om over die vragen op dit moment definitief te beslissen.

Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 8.000,00. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 1 oktober 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling verdachte

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op € 665,50. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 8.679,00 en vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [naam] .

8
De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 36f, 302 Sr.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9
De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

zware mishandeling;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

de vordering van de benadeelde partij

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 8.679,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [naam] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op

€ 665,50 en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

de schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat te betalen een bedrag van € 8.679,00 en vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [naam] ;

bepaalt als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 68 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. drs. H.M. Braam, voorzitter,

mr. M.C. Ritsema van Eck- van Drempt, rechter,

mr. C. Hofman, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. I.C. Melieste, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 februari 2026.