Strafrecht overig

art. 12 Sv; afwijzing beklag over niet-vervolging van betrokken verbalisanten en officier(en) van justitie in…

Gerechtshof Amsterdam, 15 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 15 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
15 oktober 2026
Datum publicatie
15 oktober 2026
Zaaknummer
K25/230438
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2945
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

art. 12 Sv; afwijzing beklag over niet-vervolging van betrokken verbalisanten en officier(en) van justitie in het politieonderzoek 13 Adelanto ter zake van valsheid in geschrift en het valselijk opmaken van ambtsedige processen-verbaal

Uitspraak

afdeling strafrecht

beklagkamer

rekestnummer K25/230438

Beschikking op het beklag van:

[klager] ,

klager,

woonplaats kiezende op het kantooradres van zijn gemachtigde:

mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen.

1 Het beklag

Het hof heeft op 6 november 2025 het klaagschrift ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam van 5 september 2025 om geen strafvervolging in te stellen tegen betrokken verbalisanten in het politieonderzoek [naam onderzoek] en de betrokken officier(en) van justitie (hierna: beklaagden) ter zake van valsheid in geschrift en het valselijk opmaken van ambtsedige processen-verbaal.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 13 juli 2026 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3 De voorhanden stukken

Het hof heeft kennisgenomen van:

- het klaagschrift met bijlagen;

- het verslag van de advocaat-generaal;

- het procesdossier van de politie;

- de e-mail van 21 september 2026 van de advocaat van klager met bijgevoegd een rapport van

14 september 2026 van [naam 2] van het adviesbureau [naam 2] .

4 De behandeling in raadkamer

Het hof heeft klager in de gelegenheid gesteld op 24 september 2026 het beklag toe te lichten. Klager is, bijgestaan door mr. Schuurman, in raadkamer verschenen. Zij hebben het beklag toegelicht en gehandhaafd.

De advocaat-generaal is bij de behandeling in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft deze geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.

5 De beoordeling van het beklag

Feiten en omstandigheden

Klager is in een tegen hem aanhangig gemaakte strafzaak bij onherroepelijk arrest van 27 oktober 2023 in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam heeft - kort gezegd - de in die zaak gevoerde rechtmatigheidsverweren gericht op het uitgevoerde politieonderzoek [naam onderzoek] verworpen.

Bij brief van 7 april 2025 heeft de advocaat van klager een verzoek tot nader onderzoek naar onrechtmatigheden binnen het politieonderzoek [naam onderzoek] bij de hoofdofficier van justitie ingediend. Dit naar aanleiding van een ongedateerde brief van ‘een persoon die betrokken is geweest bij het onderzoek’ die anoniem wenst te blijven. Deze persoon stelt dat er binnen het voorbereidend onderzoek sprake is geweest van meerdere onrechtmatigheden, te weten dat verbalisanten meermaals opzettelijk in strijd met de waarheid hebben geverbaliseerd en dat ontlastend materiaal is weggelaten.

Bij brief van 12 augustus 2025 aan de hoofdofficier van justitie heeft de advocaat van klager gewezen op een verklaring van een rechercheur die eveneens anoniem wenst te blijven. In een gesprek met een onderzoeker van de gemeentelijke ombudsman heeft deze rechercheur de inhoud van de brief van de (eerste) anonieme betrokkene bevestigd. De rechercheur heeft kenbaar gemaakt dat het voor hem niet mogelijk is om mee te werken aan een intern onderzoek, ook niet anoniem via het Team Criminele Inlichtingen (TCI).

De officier van justitie heeft bij brief van 5 september 2025 het verzoek tot nader onderzoek afgewezen vanwege de combinatie van anonimiteit van de personen en het ontberen van een concrete onderbouwing met feiten en/of omstandigheden en/of documentatie. De officier van justitie heeft erop gewezen dat betrokkenen zich kunnen wenden tot het TCI van de Rijksrecherche, zijnde een onderdeel van het openbaar ministerie. Deze instantie kan kwesties als de onderhavige in goede banen leiden, zowel met betrekking tot de gewenste anonimiteit, alsook ten aanzien van het waarheidsgehalte van de gestelde misstanden en de strafrechtelijke relevantie daarvan.

Hierop heef de advocaat van klager het onderhavige klaagschrift ingediend, waarin hij namens klager het volgende naar voren heeft gebracht.

Het hof heeft in zijn arrest van 27 oktober 2023, bij de beoordeling van de rechtmatigheidsverweren, geoordeeld dat er meerdere malen in strijd met de verbaliseringsplicht is gehandeld. Ook heeft het hof vastgesteld dat er onzorgvuldigheden en onduidelijkheden in de processen-verbaal voorkomen.

Na het onherroepelijk worden van het arrest heeft klager de beschikking gekregen over de hiervoor genoemde (i) (schriftelijke) verklaring van een anoniem gebleven persoon die betrokken zou zijn geweest bij het [naam onderzoek] onderzoek, waarbij de inhoud van deze verklaring zou zijn bevestigd door een eveneens anoniem gebleven rechercheur, die daarover gesproken heeft met een onderzoeker van de ombudsman. Het belangrijkste en grootste verwijt is dat in de betreffende verklaring wordt gesteld dat in het onderzoek doelbewust ontlastende informatie en observaties die in het voordeel van klager spreken, zijn weggelaten. In het onderzoek zou sprake zijn geweest van een tunnelvisie. Hierdoor heeft klager geen eerlijk proces gehad. Ook heeft klager de beschikking gekregen over een (ii) schriftelijke verklaring van de getuige [getuige] , die aangeeft dat een voor klager ontlastende passage in het proces-verbaal van zijn verhoor is weggelaten. Ten slotte heeft [naam 2] Advies in opdracht van klager een rapportage opgemaakt waarin de kwantitatieve en kwalitatieve ongeregeldheden die in het onderzoek [naam onderzoek] zouden hebben plaatsgevonden tot in detail zijn beschreven, zijn toegelicht en door [naam 2] zijn geduid.

De advocaat van klager heeft geconcludeerd dat er daarmee voldoende aanwijzingen zijn dat de betrokken verbalisanten (en de betrokken officier van justitie indien zou blijken dat deze er wetenschap van heeft gehad) strafbare feiten hebben gepleegd. Dat voornoemde betrokkene en rechercheur niet bereid zijn een verklaring af te leggen bij de TCI/Rijksrecherche omdat zij vrezen voor hun anonimiteit, staat niet in de weg dat er nader onderzoek kan worden verricht door de Rijksrecherche. De Rijksrecherche zelf kan immers in de systemen van de recherche onderzoeken of er verschillen bestaan tussen het strafdossier waarover de gerechten beschikten en de daadwerkelijke bevindingen van de betrokken rechercheurs tijdens het onderzoek.

De advocaat-generaal heeft het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen. De advocaat-generaal heeft erop gewezen dat de anonieme verklaringen niet verifieerbaar zijn en niet herleidbaar tot identificeerbare betrokkenen. Evenmin is sprake van een concrete onderbouwing met feiten en/of omstandigheden en/of documentatie. De advocaat-generaal heeft er verder op gewezen dat het voorgestelde onderzoek zonder concrete input niet zal leiden tot de gewenste resultaten.

Beoordelingskader

Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven.

De overwegingen van het hof

Het uiteindelijke doel van de klacht is dat er een onderzoek plaatsvindt naar onregelmatigheden (strafbare feiten) die tijdens het onderzoek [naam onderzoek] zouden hebben plaatsgevonden. Onregelmatigheden die grotendeels ook aan de orde zijn gesteld in het strafproces (in het kader van een niet-ontvankelijkheidsverweer dat in het strafproces is verworpen en welk strafproces uiteindelijk heeft geleid tot een veroordeling van klager voor drugsdelicten). Uit de stukken die bij de klacht zijn gevoegd, blijkt onder meer dat het onderzoek geleid is door de operationeel leidinggevende [naam 3] , dat brigadier [naam 3] tactisch coördinator was van het onderzoek en dat er een vijftiental rechercheurs hebben deelgenomen aan het onderzoek. Het verwijt – de tunnelvisie; het bewust weglaten van ontlastend bewijsmateriaal voor klager; de Marokkanen jacht – is niet tegen een van deze personen specifiek gericht, maar (naar het hof begrijpt) tegen het gehele bij het onderzoek betrokken team van de Amsterdamse politie (en eventueel tegen de betrokken officier(en) van justitie indien hij/zij wetenschap had van eventuele gepleegde strafbare feiten). De eventuele vervolging voor strafbare feiten – zoals het plegen van valsheid in geschrift en het valselijk opmaken van ambtsedige processen-verbaal – vereist dat uit de feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld naar voren komt dat deze strafrechtelijke gedragingen aan specifieke personen kunnen worden gekoppeld. Het thans voorliggende dossier bevat hiervoor naar het oordeel van het hof geen aanwijzingen die een strafrechtelijke vervolging van een of meerdere van de betrokkenen bij het onderzoek zou rechtvaardigen.

Ook ziet het hof onvoldoende aanknopingspunten voor nader onderzoek. De stukken die ter onderbouwing van het verzoek zijn ingediend maken dit niet anders. De (anonieme) verklaring(en) zijn in dat kader onvoldoende specifiek. Een nadere concretisering hiervan is redelijkerwijs niet te verwachten, nu beide betrokkenen uitdrukkelijk hebben aangegeven niet bereid te zijn om over de gegeven anonieme verklaringen nader te worden gehoord. Dit geldt eveneens voor de inhoud van de overgelegde rapportage, die kort gezegd een opsomming bevat van geverbaliseerde feiten waaraan een specifieke duiding wordt gegeven door de rapporteur van het adviesbureau. Het uiteindelijk ter zitting door klager verzochte/gesuggereerde onderzoek – volledige vergelijking van het strafdossier met het recherchedossier– vindt daarmee tevens onvoldoende bedding in de stukken die hiervoor zijn aangereikt.

Het hof is alles afwegende van oordeel dat er goede redenen zijn om in deze zaak geen vervolging te gelasten. Het beklag is ongegrond.

Het hof zal daarom als volgt beslissen.

6 De beslissing

Het hof wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op

15 oktober 2026 door mrs. A.M.P. Geelhoed, voorzitter, R.A.J. Hübel en M.K. Durdu-Agema, raadsheren, in tegenwoordigheid van J.K. Krijnen, griffier, en, bij afwezigheid van de voorzitter, ondertekend door de oudste raadsheer en de griffier.

ECLI:NL:GHAMS:2023:2560