Strafrecht overig

Rijden terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9.2…

Hoge Raad, 8 april 2025

Zaakgegevens

Op 8 april 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
8 april 2025
Datum publicatie
7 april 2025
Zaaknummer
23/00188
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:530
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Rijden terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9.2 WVW 1994. Bewijsklacht. Kan uit omstandigheid dat besluit tot ongeldigverklaring van rijbewijs naar verdachte is verzonden, worden afgeleid dat verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard?

HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt het middel. CAG: Hof heeft overwogen dat verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, omdat uit stukken van CBR blijkt dat deze zijn verstuurd naar GBA-adres van verdachte. Dat is echter niet voldoende. Uit omstandigheid dat besluit tot ongeldigverklaring van rijbewijs naar verdachte is verzonden (en niet als onbestelbaar retour is gekomen) kan immers niet z.m. worden afgeleid dat verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Ook verder volgt dit niet uit bewijsvoering. Bewijsvoering bevat geen verklaring van verdachte waaruit dit kan worden opgemaakt en houdt ook geen andere gedraging in waaruit dit kan volgen. Uit bewijsmiddelen volgt niet dat verdachte zijn rijbewijs heeft opgestuurd naar CBR maar slechts dat CBR het heeft ontvangen van CVOM.

Volgt vernietiging en terugwijzing.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 10 januari 2023

    ECLI:NL:GHAMS:2023:3782
  2. Conclusie A-G · 11 maart 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:210
  3. Hoge Raad · 8 april 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:530

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/00188

Datum 8 april 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 januari 2023, nummer 23-001065-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.D. Rijnsburger bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

2.2

Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2025.