Strafrecht overig

Conclusie AG. Rijden na ongeldigverklaring rijbewijs (art. 9.2 WVW 1994). Wetenschap ongeldigheid rijbewijs…

Zaakgegevens

Op 7 juli 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
7 juli 2026
Datum publicatie
7 september 2026
Zaaknummer
25/00548
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:857
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. Rijden na ongeldigverklaring rijbewijs (art. 9.2 WVW 1994). Wetenschap ongeldigheid rijbewijs. De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 7 juli 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2026:857

  2. Hoge Raad · 8 september 2026

    ECLI:NL:HR:2026:1425

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer25/00548

Zitting 7 juli 2026

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte

  1. De verdachte is bij arrest van 31 januari 2025 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-002377-24) wegens ‘overtreding van artikel 9, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994’ veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede 30 uren taakstraf, subsidiair 15 dagen hechtenis.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.A.C. Frijns, advocaat in Arnhem, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat het hof in onvoldoende mate de redenen heeft opgegeven die ertoe hebben geleid dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudende dat de verdachte niet wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën ongeldig was verklaard, althans dat dit tot vrijspraak strekkende verweer op ontoereikende gronden is verworpen.

  4. Voordat ik het middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring en de bewijsvoering alsmede een deel van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de pleitnota weer.

  5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

‘hij die op 23 januari 2024 te [plaats] terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of méér categorieën van motorrijtuigen, te weten b, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, [a-straat] , als bestuurder een motorrijtuig, (bedrijfsauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.’

6. De bewezenverklaring steunt op de volgende opgave van bewijsmiddelen:

‘o Het proces-verbaal artikel 9 Wegenverkeerswet 1994 d.d. 23 januari 2024, dossierpagina 2 en 3, voor zover inhoudende als relaas van de [verbalisant] ;

o Een brief van het CBR, team Vorderingen, divisie Rijgeschiktheid, d.d. 10 juni 2020 gericht aan [verdachte] met als dossiernummer 2020005418, met als onderwerpen ‘Besluit: rijbewijs ongeldig’;

o Een brief van het CBR, team Vorderingen, divisie Rijgeschiktheid, d.d. 2 december 2020 gericht aan [verdachte] met als dossiernummer 2020005418, met als onderwerpen ‘Ontvangstbevestiging rijbewijs’;

o Een schriftelijk bescheid, te weten een uitdraai NL-RDW d.d. 7 februari 2024;

o Een brief van het Openbaar Ministerie, Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie, d.d. 30 november gericht aan [verdachte] met als kenmerk […] en als onderwerp ‘Einde ontzegging rijbevoegdheid en doorsturen rijbewijs’.’

7. Het hof heeft inzake het bewijs het volgende overwogen:

‘De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte integraal vrijspreekt van het tenlastegelegde, nu niet is vast te stellen dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten b, ongeldig was verklaard. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft de raadsman aangevoerd dat zijn client de brieven ten aanzien van het meewerken aan een onderzoek en het betalen van de onderzoekskosten niet heeft ontvangen. Het enkele feit dat zijn client zijn rijbewijs niet fysiek heeft teruggekregen, is onvoldoende om aan te nemen dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt

Op 24 februari 2024 (BFK: naar ik begrijp: 23 januari 2024) ziet [verbalisant] de verdachte rijden in een personenauto en is hij staande gehouden. Uit het uittreksel van het RDW-register blijkt dat het rijbewijs (categorie B) van de verdachte op 17 juni 2020 ongeldig verklaard is. Bij besluit van 10 juni 2020 (aangetekend verstuurd naar het adres van de verdachte zijnde [b-straat 1] , [postcode] te [plaats] ) van het CBR blijkt dat het rijbewijs van de verdachte per 17 juni 2020 ongeldig is verklaard. Verdachte heeft geen fysiek rijbewijs kunnen overhandigen. Op 30 november 2020 heeft de verdachte nog een brief van het C.V.O.M. ontvangen waarin staat dat het CBR een vordering op het rijbewijs heeft waardoor verdachte geen motorrijtuig mag besturen waarvoor een rijbewijs vereist is en dat het rijbewijs naar het CBR is gestuurd. Het CBR heeft het rijbewijs van de verdachte op 2 december 2020 van het C.V.O.M. ontvangen.

Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat de verdachte op 24 januari 2024 wel degelijk wetenschap had van het feit dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij niet in de veronderstelling was dat hij niet mocht rijden, is daarmee in strijd en acht het hof ongeloofwaardig.

In tegenstelling tot wat de raadsman heeft betoogd, is derhalve aan alle vereisten neergelegd in ECLI:NL:HR:2019:1146 voldaan.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 24 januari 2024 schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.’

8. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 31 januari 2025, houdt onder meer het volgende in:

‘De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven. Verdachte geeft op ten onrechte te zijn veroordeeld. Daartoe verklaart verdachte het volgende:

Op dat moment ben ik er pas achter gekomen dat mijn rijbewijs nog ongeldig was. Het is ongeldig verklaard door de alcohol. Het is een stomme fout geweest. Ik zou één jaar niet mogen rijden en na één jaar ben ik weer gaan rijden. Ik dacht dat ik weer mocht rijden.

De raadsman voert aan:

De discussie ligt in de wetenschap. Dat is het juridische verweer.

De voorzitter houdt de brief van het CBR gericht aan verdachte d.d. 10 juni 2020 voor.

(…)

De advocaat-generaal voert het woord tot requisitoir als volgt:

Over de bewezenverklaring kan ik kort zijn. Hoe kunnen wij laten weten dat het rijbewijs ongeldig is verklaard? In het dossier zie ik dat het rijbewijs middels een brief ongeldig is verklaard. Vanuit het CBR zijn drie brieven gestuurd. Daar komt bij dat verdachte het ingevorderde rijbewijs nooit terug heeft gekregen. Daarom vind ik dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Als de richtlijn wordt gehanteerd, dan dient eigenlijk een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd te worden. Ik vraag u het vonnis te vernietigen en vorder een taakstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal legt de schriftelijke vordering over aan het gerechtshof, welke vordering aan dit proces-verbaal wordt gehecht.

De raadsman legt een pleitnota (opmerking griffier: de pleitnota wordt aan het proces-verbaal gehecht).

(…)

De advocaat-generaal brengt naar voren:

Ik hoor de raadsman citeren uit een arrest van de Hoge Raad. Hier is geen sprake van die omstandigheden. Daarnaast was het zo dat het rijbewijs was ingeleverd bij de invordering. Verdachte is zonder fysiek rijbewijs de auto in gestapt.

De raadsman voert aan:

Dat komt ook terug in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Mensen zijn vaak passief. De Hoge Raad zegt dat het geen omstandigheid is die eraan bijdraagt.’

9. De pleitnota houdt onder meer het volgende in:

‘Uit bewijsvoering kan niet zonder meer volgen dat [verdachte] redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Uit de stukken volgt dat niet.

Ik verwijs voor het juridisch kader naar HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, NJ 2019/454, m.nt. Vellinga, waarin de Hoge Raad in dit verband drie bewijsvereisten formuleert.

(BFK: volgt citaat rechtsoverwegingen 2.4.2, 2.4.3 en 2.4.4)

Hier:

Cl was zich er niet van bewust dat het rijbewijs ongeldig was verklaard, (zie verklaring bij de politie)

Brief cbr over meewerken aan onderzoek en over gevolgen van niet meewerken: brief heeft cl niet gehad. Geen bewijs van het tegendeel

Wanneer en waarom

Uit de stukken volgt dat het rijbewijs van cl vervolgens ongeldig is verklaard omdat hij het bedrag ten behoeve van onderzoekskosten niet heeft betaald. Kennelijk een aangetekende brief, ik kan niet zien dat cliënt die brief heeft ontvangen.

[verdachte] is per brief aangemaand om de kosten te betalen. In die aanmaningsbrief staat ook dat het rijbewijs ongeldig blijft.

Vervolgens een brief dat het rijbewijs van [verdachte] is ontvangen

Dit is onvoldoende om vast te stellen dat cl redelijkerwijs moest weten dat..

Dat meneer het rijbewijs niet fysiek terug gekregen heeft, is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat het rijbewijs ongeldig verklaard is.

Client moet worden vrijgesproken.’

10. Art. 9, tweede lid, eerste volzin, WVW 1994 luidt als volgt:

‘Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen.’

11. Uw Raad heeft in een arrest van 3 juni 2025 onder meer het volgende overwogen:

‘2.3.1 Overtreding van artikel 9 lid 2, eerste volzin, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) is op grond van artikel 176 lid 2 en artikel 178 lid 1 WVW 1994 een misdrijf dat kan worden bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie.

Om tot een bewezenverklaring van een op artikel 9 lid 2, eerste volzin, WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, moet uit de bewijsvoering allereerst blijken dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, het betreffende besluit is bekendgemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (vgl. artikel 3:40 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht respectievelijk artikel 124 lid 3 en 132 lid 4 WVW 1994). Dat aan dit vereiste is voldaan kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden. Opmerking verdient dat een tegen dat besluit door of namens de verdachte ingesteld administratief bezwaar of beroep niet leidt tot schorsing van het besluit tot ongeldigverklaring. Wel kan een geslaagd bezwaar of beroep meebrengen dat achteraf bezien de ongeldigverklaring nooit heeft gegolden.

In de tweede plaats moet uit de bewijsvoering blijken dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren aan de hand van gegevens uit het rijbewijsregister, waaruit blijkt dat geen geldig rijbewijs van kracht was tijdens het besturen door de verdachte.

In de derde plaats moet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit vereiste hangt ermee samen dat artikel 9 WVW 1994 een misdrijf oplevert; zo’n vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij de overtreding van artikel 107 WVW 1994. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daarover niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, en ook niet uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren (vgl. artikel 124 lid 4 en artikel 132 lid 5 WVW 1994). In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (vgl. bijvoorbeeld HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762). Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Opmerking verdient dat de bewijsmotivering in dit opzicht wel toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat een uitreiking van het besluit tot ongeldigverklaring in persoon heeft plaatsgevonden. (Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146.)

2.3.2 Aan de overwegingen van de Hoge Raad in dit arrest van 9 juli 2019 – waarin weliswaar niet is uitgesloten dat het bewijs dat is voldaan aan de daarin als eerste en tweede genoemde vereisten op een andere manier kan worden geleverd – ligt de gedachte ten grondslag dat het sterk aanbeveling verdient dat in zaken van dit type de bij die vereisten genoemde stukken deel uitmaken van de processtukken: te weten, (a) een mededeling van het CBR aan de verdachte met het besluit tot ongeldigverklaring, (b) een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van die mededeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en (c) gegevens uit het rijbewijsregister. Het openbaar ministerie is ervoor verantwoordelijk dat deze stukken, voordat de zaak op de terechtzitting wordt behandeld, bij de processtukken worden gevoegd (vgl. artikel 149a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering), zo nodig door daartoe deze stukken (alsnog) op te vragen bij het CBR. In voorkomend geval kan de rechter – desnoods door aanhouding van de behandeling van de zaak – bewerkstelligen dat die stukken alsnog bij de processtukken worden gevoegd. Daarmee wordt over die vereisten op eenvoudige en gestandaardiseerde wijze tijdig duidelijkheid geboden, wat een doelmatige behandeling en beoordeling van zaken van dit type ten goede komt. Ook wordt daarmee voorkomen dat het strafproces wordt belast met de (bewerkelijke) vraag of uit een ander samenstel van feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat aan de genoemde vereisten is voldaan, wat in dit type zaken met het oog op een zinvolle aanwending van capaciteit in de strafrechtspleging vermeden zou moeten worden. Indien het bewijs dat is voldaan aan de als eerste en tweede genoemde vereisten toch op een andere manier door de rechter wordt aangenomen, vergt dat in beginsel in zaken waarin de verdachte geen bekennende verklaring heeft afgelegd een nadere motivering waarin wordt uiteengezet hoe uit de gebruikte bewijsmiddelen is afgeleid dat aan die vereisten is voldaan.’

12. In de onderhavige zaak wordt in cassatie geklaagd over het passeren van een verweer in verband met het derde vereiste, het weten of redelijkerwijs moeten weten dat het rijbewijs ongeldig is verklaard. Ik laat derhalve rusten of de bewijsvoering inzake het eerste en tweede vereiste toereikend is. Het gevoerde vrijspraakverweer kan naar het mij voorkomt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt worden aangemerkt.

13. Het hof hecht, zo begrijp ik, in verband met het bewijs van het weten of redelijkerwijs moeten weten van de ongeldigverklaring vooral betekenis aan de omstandigheid dat het besluit van 10 juni 2020 aangetekend is verstuurd naar het adres van de verdachte, zijnde [b-straat 1] , [postcode] te [plaats] . Het hof stelt evenwel niet vast dat de verdachte deze brief ook persoonlijk in ontvangst heeft genomen; onder de bewijsmiddelen is enkel de betreffende brief opgenomen. Er blijkt ook niet uit dat de brief daadwerkelijk aangetekend is verzonden. Uit het geciteerde arrest volgt bovendien reeds dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief is verzonden niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard’.

14. Het hof overweegt voorts dat de verdachte op 30 november 2020 nog een brief van het C.V.O.M. heeft ‘ontvangen’ waarin (kort gezegd) staat dat het rijbewijs naar het CBR is gestuurd en dat de verdachte geen motorrijtuig mag besturen waarvoor een rijbewijs vereist is. Ook hier geldt evenwel dat enkel deze brief onder de bewijsmiddelen is opgenomen; daaruit blijkt niet van ontvangst door de verdachte. Voorts blijkt uit de bewijsvoering niet dat de verdachte zelf zijn rijbewijs heeft ingeleverd, en op welke grondslag het C.V.O.M. de beschikking over het rijbewijs van de verdachte heeft gekregen.

14. Daarmee blijft staan dat de verdachte ‘geen fysiek rijbewijs (heeft) kunnen overhandigen’. Uit rechtspraak van Uw Raad kan worden afgeleid dat dit een wezenlijke rol in een toereikende bewijsconstructie kan spelen.

14. In een arrest van 19 juni 2012 overwoog Uw Raad dat de bewijsmiddelen inhielden ‘dat het rijbewijs van de verdachte bij besluit van 6 september 2000 ongeldig is verklaard, dat dit besluit zowel bij aangetekende als bij niet aangetekende brief aan de verdachte is verzonden, dat deze brieven niet retour zijn gekomen, dat het CBR op 27 oktober 2000 "het rijbewijs […] van betrokkene" heeft ontvangen en dat de verdachte tot 16 juli 2007 geen nieuw rijbewijs had aangevraagd. Uit die feiten en omstandigheden heeft het Hof kunnen afleiden dat de verdachte op 11 april 2005 wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard’. De bewezenverklaring was toereikend gemotiveerd.

17. In de onderhavige zaak heeft het CBR het rijbewijs evenwel niet van betrokkene ontvangen, maar van het CVOM. Dat verschil is – naar het mij voorkomt – van belang in verband met de wetenschap van de ongeldigverklaring. Die kan niet worden afgeleid uit het ontvangen van het rijbewijs door het CBR van het CVOM.

18. Al met al meen ik dat het bewezenverklaarde, voor zover inhoudend dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën ongeldig was verklaard, niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. Daarin ligt besloten dat het hof in onvoldoende mate de redenen heeft opgegeven die tot afwijking van het tot vrijspraak strekkende uitdrukkelijk onderbouwde standpunt hebben geleid.

18. Het middel slaagt.

18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

HR 3 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:826, NJ 2025/278 m.nt. Vellinga. Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.7.1. Vgl. ook HR 10 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:393; HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:786. HR 19 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8487. Vgl. ook HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2097. Ook in die zaak had de verdachte het rijbewijs bij het CBR ingeleverd. Zie ook de conclusie van A-G Harteveld voor HR 24 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1694 (art. 81 RO), die er de aandacht op vestigt dat het hof uit de bewijsmiddelen heeft afgeleid dat de verdachte zijn rijbewijs bij het CBR heeft ingeleverd en dat het niet door de politie of het OM is doorgestuurd (randnummer 3.8). Vgl. HR 8 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:530 en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Paridaens alsmede HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:786.