Strafrecht overig
Medeplegen opzettelijk voorhanden hebben van 54.990 kilogram rooktabak die niet overeenkomstig Wet op accijns…
Hoge Raad, 6 oktober 2026
ECLI:NL:HR:2026:1626 · Hoge Raad · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-1626
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 6 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/02638
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1626
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Medeplegen opzettelijk voorhanden hebben van 54.990 kilogram rooktabak die niet overeenkomstig Wet op accijns in heffing is betrokken door aanwezig te zijn in loods met onveraccijnsde rooktabak, art. 5 Wet op accijns. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht opzet en voorhanden hebben. Kon hof oordelen dat voor opzettelijk voorhanden hebben van accijnsgoederen a.b.i. art. 97 jo. 5.1.b Wet op accijns voldoende is “dat persoon betrokken raakt bij voorhanden hebben”? 2. Bewijsklacht. Verweer dat verdachte als werknemer de onveraccijnsde rooktabak voorhanden had.
Ad 1. HR: Om redenen vermeld in HR:2026:1619 is klacht terecht voorgesteld. Om redenen vermeld in CAG leidt dat echter niet tot cassatie. CAG: In nadere bewijsoverwegingen heeft hof, na groot aantal belastende f&o te hebben vastgesteld, overwogen dat verdachte door te handelen zoals hij heeft gedaan “naar oordeel van hof minstgenomen bewust aanmerkelijke kans (heeft) aanvaard dat rooktabak die hij voorhanden had, onveraccijnsd was.” Daarin ligt besloten dat hof uiteindelijk toch uitgaande van juiste rechtsopvatting heeft vastgesteld dat verdachte met vereist opzet heeft gehandeld. Uit ’s hofs bewijsvoering volgt dat verdachte de tabak met medeplegers voorhanden had (en niet slechts bij voorhanden hebben ervan betrokken was). Uit nadere bewijsoverwegingen kan worden afgeleid dat hof aan de hand van juiste maatstaf heeft vastgesteld dat verdachte met vereist opzet heeft gehandeld. In dat licht kan vaststelling van vermoeden dat verdachte bezig was in illegaliteit als overweging ten overvloede worden aangemerkt.
Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden klachten niet tot cassatie. CAG: Uit f&o die n.a.v. rechtshulp verzoek naar voren zijn gekomen heeft hof kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat Duits bedrijf, v.zv. al van daadwerkelijk bestaande onderneming sprake is, geen rol heeft gespeeld in onderhavige strafzaak. Mede gelet op inhoud van bewijsvoering heeft hof kennelijk aangenomen en kunnen aannemen dat verdachte zich ervan bewust was dat overgelegde arbeidsovereenkomst met Duits bedrijf niet overeenkomstig werkelijkheid was.
Volgt verwerping. Samenhang met 24/02637 en 24/02639.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 2 juli 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:2168Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 7 juli 2026
ECLI:NL:PHR:2026:973Hoge Raad · 6 oktober 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1626
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02638
Datum 6 oktober 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 juli 2024, nummer 20-000277-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat T. Straten bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De cassatiemiddelen klagen over (de motivering van) de bewezenverklaring.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 en 6.
Voor zover het eerste cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat voor het opzettelijk voorhanden hebben van accijnsgoederen zoals bedoeld in artikel 97 in samenhang met artikel 5 lid 1, aanhef en onder b, van de Wet op de accijns voldoende is “dat een persoon opzettelijk betrokken raakt bij het voorhanden hebben”, is het terecht voorgesteld. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 24/02636, ECLI:NL:HR:2026:1619. Dat leidt echter niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 29, 30 en 32.
Ook de verder in de cassatiemiddelen aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaatgeneraal onder 37 tot en met 39, 52, 54 en 55.
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 23 maanden en 2 weken, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2026.