Strafrecht overig

Conclusie AG. Medeplegen opzettelijk voorhanden hebben 54.990 kilogram rooktabak, terwijl die accijnsgoederen…

Parket bij de Hoge Raad, 7 juli 2026

Zaakgegevens

Op 7 juli 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
7 juli 2026
Datum publicatie
6 oktober 2026
Zaaknummer
24/02638
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:973
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Conclusie AG. Medeplegen opzettelijk voorhanden hebben 54.990 kilogram rooktabak, terwijl die accijnsgoederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken (art. 5.1.b Wet op de Accijns). 1. Bewijsklachten m.b.t. bewijs niet gelden accijnsschorsingsregeling, niet in heffing betrokken zijn goederen en opzet. 2. Verwerping alternatief scenario. De conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Samenhang met 24/02637 en 24/02639.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/02638

Zitting 7 juli 2026

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte

  1. De verdachte is bij arrest van 2 juli 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-000277-23) wegens ‘medeplegen van opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden’ veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 24/02637 en 24/02639. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. T. Straten, advocaat in Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Beide middelen bevatten bewijsklachten. Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring en de bewijsvoering weer.

Bewezenverklaring en bewijsvoering

5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

‘hij op 9 november 2022 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een grote hoeveelheid accijnsgoederen, te weten 54.990 kilogram rooktabak voorhanden heeft gehad, terwijl die accijnsgoederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken.’

6. Het hof heeft in het bestreden arrest inzake het bewijs het volgende overwogen (met overneming van voetnoten):

‘Bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna genoemde en in de voetnoten nader aangeduide bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Daarin wordt – tenzij anders vermeld -steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van Belastingdienst/FIOD, kantoor Maastricht, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] , opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD, dossiernummer 71366, onderzoek ‘Musa’, gesloten d.d. 1 december 2022, inhoudende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de Belastingdienst/FIOD met daarin gerelateerde bijlagen.

Bewijsoverwegingen

A.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.

Onder verwijzing naar het vonnis van de rechtbank Overijssel van 9 mei 2022 (vindplaats ECLI:NL:RBOVE:2022:1283), heeft de raadsvrouw betoogd dat voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van goederen die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing zijn betrokken, zoals aan de verdachte is tenlastegelegd, vereist is dat de verdachte de feitelijke beschikkingsmacht had over de onveraccijnsde goederen. Daarvan is volgens de verdediging sprake indien de verdachte 1) de hoedanigheid van de goederen kent, 2) de daadwerkelijke toegang heeft tot die goederen en 3) weet of redelijkerwijs moet weten dat de goederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in Nederland in de heffing zijn betrokken. In dat verband heeft de raadsvrouw aangevoerd dat op grond van het procesdossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de tabak in de loods. De omstandigheid dat door verbalisanten in de loods een tabaksgeur is geroken is daartoe volgens haar onvoldoende, terneer nu [getuige] heeft verklaard dat hij nimmer een tabaksgeur heeft geroken. Uit de omstandigheid dat de verdachte eerder in de loods aanwezig is geweest, kan verdachtes wetenschap evenmin worden ontleend, nu niet vaststaat dat de verdachte bij die gelegenheden de tabak heeft waargenomen, dan wel had moeten waarnemen. Hieruit volgt mede dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de omstandigheid dat de tabak niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in Nederland in de heffing was betrokken. Aldus kan niet worden bewezen dat de verdachte opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, had op de aanwezigheid van de tabak, noch op de onveraccijnsde aard van de tabak, aldus de raadsvrouw.

B.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en het procesdossier zijn de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen.

Op 7 maart 2022 is telefonisch spontane informatie binnengekomen van de Litouwse douane, inhoudende dat een vrachtwagen met ongeveer 13 ton tabak onderweg zou zijn naar het adres [a-straat 1] te [plaats] in Nederland. Deze informatie is vervolgens op 9 maart 2022 schriftelijk via Europol ingekomen bij het onderzoeksteam. In de informatie stond vermeld dat een Poolse vrachtwagen met het [kenteken 1] met daarachter een koeltrailer met het Poolse [kenteken 2] onderweg was naar Nederland en dat de vrachtwagen gestopt was op het adres [a-straat 1] te [plaats] , op welke locatie volgens de beschikbare informatie van de Litouwse douane mogelijk 13 ton tabak zou zijn uitgeladen. Naar aanleiding van deze informatie is een observatieteam ingezet, waarna op 7 maart 2022 is waargenomen dat een vrachtwagen met [kenteken 1] met trailer achteruit in een loods geparkeerd stond aan de [a-straat 1] te [plaats] , waarbij de neus van de vrachtwagen uit de loods stak.

Op 11 maart 2022 is andermaal via Europol informatie van de Litouwse douane ingekomen bij het onderzoeksteam. Volgens die informatie zou een vrachtwagen met het Poolse [kenteken 3] met een semi-trailer voorzien van het [kenteken 4] vanuit Frankrijk onderweg zijn, mogelijk naar Nederland. Voorts zou 13 ton tabak worden vervoerd, welke volgens de melding gebruikt zou kunnen worden voor de illegale productie van sigaretten in Nederland. In de informatie stond tevens vermeld dat op 10 maart 2022 een vrachtwagen met het Bulgaarse [kenteken 5] met trailer met het [kenteken 6] was gearriveerd op het adres [a-straat 1] te [plaats] en aldaar 13 ton tabak zou hebben afgeleverd.

De Litouwse douane heeft op 11 maart 2022 telefonische informatie verstrekt aan het onderzoeksteam in Nederland, inhoudende dat de in de eerdere melding genoemde vrachtwagen met tabak op dat moment stilstond ter hoogte van de [b-straat 1] in [plaats] . De informatie is tevens op 17 maart 2022 via Europol verstrekt en daarin stond vermeld dat voornoemde vrachtwagens voor aankomst op de afleverplaats stopten op het adres [b-straat 1] in [plaats] . Naar aanleiding van deze informatie is een observatieteam ingezet om het mogelijke afleveradres van de tabak te achterhalen. Door het observatieteam is op 11 maart 2022 waargenomen dat de eerder genoemde vrachtwagen met trailer geparkeerd stond ter hoogte van de [b-straat 2] in [plaats] . Het observatieteam heeft voorts waargenomen dat een personenauto van het merk Skoda met het Duitse [kenteken 7] achter de vrachtwagen aan reed en de loods aan de [a-straat 1] in [plaats] in reed. Direct daarna reed de vrachtwagen met trailer achteruit de loods in en werd de deur van de loods gesloten.

Op 21 maart 2022 is een observatiecamera geplaatst met zicht op de loods gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats] . Deze camera is blijven staan tot aan 9 november 2022. De beelden van deze camera zijn uitgekeken en de bevindingen zijn afzonderlijk vastgelegd. Op camerabeelden van 22 maart 2022 is een Scania vrachtwagen met het opschrift ‘ […] ’ waargenomen. Het observatieteam heeft op 29 maart 2022 waargenomen dat een personenauto van het merk Skoda met het Duitse [kenteken 7] samen met de Scania vrachtwagen met opschrift ‘ […] ’ arriveerden bij de loods aan de [a-straat 1] in [plaats] . Gezien is dat het kenteken van de Scania vrachtwagen het Duitse [kenteken 8] betrof.

Het observatieteam is op 13 april 2022 ingezet om waar te nemen waar de lading die mogelijk gelost was in de loods gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats] naartoe zou worden vervoerd. Door het observatieteam is waargenomen dat een Mazda Primacy met het Duitse [kenteken 9] arriveerde bij de loods aan de [a-straat 1] in [plaats] , samen met de Scania vrachtwagen met het Duitse [kenteken 8] . Gezien is dat de Scania vrachtwagen met het Duitse [kenteken 8] in de loods werd gezet en dat de Mazda Primacy met het Duitse [kenteken 9] wegreed bij de loods. Uit de observatie is voorts naar voren gekomen dat de Mazda Primacy de grens over ging naar Duitsland. Gezien is dat de Mazda Primacy geparkeerd werd in Heinsberg (Duitsland).

Op 20 juni 2022 is de politiemutatie met registratienummer PL2300-2021036753-1 opgevraagd, waarin stond vermeld dat op maandag 8 maart 2021 om 13:48 uur een Skoda Fabia met het Duitse [kenteken 7] gecontroleerd is bij [plaats] op de […] . In het voertuig zaten als bestuurder de medeverdachte [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] en als bijrijder de verdachte.

Op 17 mei 2022 is een observatieteam ingezet om waar te nemen waar de lading die mogelijk gelost was in de loods gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats] naartoe zou worden vervoerd. Door het observatieteam is gezien dat een Volkswagen Passat met het Duitse [kenteken 10] een Poolse vrachtwagen ophaalde en begeleidde naar de loods gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats] .

Op 30 juni 2022 is op camerabeelden van de observatiecamera gezien dat grote bruine dozen in de loods gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats] werden gezet. Het observatieteam heeft waargenomen dat er handelingen werden verricht ten aanzien van die dozen voordat deze naar binnen werden gebracht. Zo is waargenomen dat iets roods/roze aan de bovenkant van de dozen werd verwijderd. Door het observatieteam is gezien dat deze bruine dozen in een Scania vrachtwagen werden gezet door middel van een vorkheftruck.

Op 6 juli 2022 is spontane informatie binnengekomen bij het onderzoeksteam uit Duitsland. Bij deze informatie waren GPS-gegevens van de Volkswagen Passat met het Duitse [kenteken 10] gevoegd. Uit de GPS-informatie is naar voren gekomen dat de Volkswagen Passat bijna iedere dag naar de [c-straat] in [plaats] is gereden.

Op 18 juli 2022 is een observatieteam ingezet om de bewegingen van de Volkswagen Passat met het Duitse [kenteken 10] in relatie tot het adres aan de [c-straat] in [plaats] in kaart te brengen. Waargenomen is dat de Passat aan kwam rijden met een vrachtwagen met het Poolse [kenteken 11] . Gezien is dat de bestuurder van de Passat naar binnen ging in een loods gelegen aan de [c-straat 1] te [plaats] . De vrachtwagen werd in deze loods geparkeerd. [verbalisant 2] heeft twee van de door het observatieteam waargenomen en gefotografeerde personen nadien herkend als zijnde de verdachte en [medeverdachte 2] .

Op camerabeelden van de observatiecamera met zicht op de loods aan de [c-straat 1] te [plaats] is waargenomen dat de Volkswagen Passat met het Duitse [kenteken 10] en de Scania vrachtwagen met het Duitse [kenteken 8] regelmatig bij de loods kwamen. Ook is waargenomen dat diverse vrachtwagens met buitenlandse kentekens in de loods werden gereden. De witte Scania vrachtwagen B6X2, met [kenteken 8] en het opschrift ‘ […] ’, is op 10 verschillende dagen bij de loods aan de [c-straat 1] in [plaats] gezien, waarbij 27 vervoersbewegingen door de observatiecamera zijn waargenomen. De zwarte Volkswagen Passat met het Duitse [kenteken 10] is daar op 15 verschillende dagen gezien, waarbij 60 vervoersbewegingen door de observatiecamera zijn waargenomen.

Op camerabeelden van de observatiecamera geplaatst bij de loods aan de [a-straat 1] te [plaats] is de witte Scania vrachtwagen B6X2, met [kenteken 8] en het opschrift ‘ […] ’, in ieder geval op 25 verschillende dagen gezien bij de loods en de zwarte Volkswagen Passat met het Duitse [kenteken 10] is 29 keer op de camerabeelden bij de loods waargenomen.

Op camerabeelden bij de loods aan de [a-straat 1] in [plaats] is op 9 november 2022 door verbalisanten waargenomen dat om 07:08 uur een donkerkleurig voertuig arriveerde bij de loods. Op de bewegende beelden is waargenomen dat drie personen uit het voertuig kwamen en de loods aan de [a-straat 1] in [plaats] binnengaan. Om 07:11 uur is waargenomen dat een vrachtwagen, welke mede aan de hand van het opschrift ‘ […] ’, is herkend als de Scania vrachtwagen met [kenteken 8] , de loods uitrijdt. Vervolgens is waargenomen dat de bijrijder en de bestuurder van het voertuig uit de loods komen. Om 07.12 uur is waargenomen dat het voertuig met daarin twee personen wegrijdt bij de loods. Dit voertuig is vanwege de vorm en de verlichting herkend als een Volkswagen Passat Station.

Uit de door de Duitse autoriteiten verstrekte GPS-locatiegegevens volgt dat de Volkswagen Passat met het Duitse [kenteken 10] om 06.41 uur is vertrokken uit Duitsland en omstreeks 07.07 uur is aangekomen bij de [a-straat 1] te [plaats] . Om 07.12 uur vertrekt het voertuig om vervolgens omstreeks 10.28 uur weer terug te keren bij de loods.

De verdachte heeft verklaard dat hij die nacht bij [medeverdachte 1] heeft geslapen (hof: dit is de voornaam van [medeverdachte 1]). [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de nacht met [verdachte] (BFK: bedoeld is: verdachte) heeft doorgebracht in Duitsland en dat hij vanuit Duitsland naar de loods in [plaats] is gereden.

Op 9 november 2022 omstreeks 09.15 uur hebben opsporingsambtenaren van de douane een controle uitgevoerd in de loods aan de [c-straat 1] te [plaats] . In de loods zijn geen tabaksproducten aangetroffen, maar de opsporingsambtenaren roken, toen zij in de loods aanwezig waren, wel in de loods de geur van tabak. Ook is in de loods een zak aangetroffen met daarin uitgesneden stickers, waarop onder meer de vermelding ‘unmanufactured tabacco strips’ stond.

Op 9 november 2022 omstreeks 09.15 uur heeft eveneens een douanecontrole plaatsgevonden in de loods op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Er was voor dit adres en de verdachten in het onderzoek geen vergunning afgegeven om als accijnsgoederenplaats te fungeren. Bij binnenkomst in de loods roken de verbalisanten de hun ambtshalve bekende geur van tabak. Na binnenkomst in de loods zagen de verbalisanten dat de loods volstond met pallets met daarop in folie omwikkelde kartonnen dozen. Van de dozen waren de labels afgesneden. Een aantal dozen is door de verbalisanten geopend en toen is waargenomen dat deze gevuld waren met fijne rooktabak. Ook is tabaksgruis aangetroffen. Van de inhoud van de dozen is een tiental willekeurige monsters genomen. Onderzoek heeft uitgewezen dat de monsters rooktabak bevatten. In de loods is in totaal een hoeveelheid van ruim 58.000 kilo gesneden tabak aangetroffen. Het betrof 423 dozen en deze waren op 141 pallets gestapeld. In een hoek van de loods is voorts jammer-apparatuur aangetroffen, welke was aangesloten op het stroomnet. In de Scania vrachtwagen met het [kenteken 8] is een CMR- vrachtbrief aangetroffen, waarop – naar kan worden vastgesteld in strijd met de waarheid – is vermeld dat de pallets de bestemming [A] in [plaats] zouden hebben.

Ten tijde van de douanecontrole op 9 november 2022 omstreeks 9.40 uur ontving de Belastingdienst/FIOD spontane informatie vanuit Duitsland inhoudende dat de Passat met het [kenteken 10] onderweg zou zijn naar de loods in [plaats] . Deze informatie is doorgezet naar de in de loods aanwezige verbalisanten. De verbalisanten werd verzocht om drie personen die mogelijk binnen afzienbare tijd naar de betreffende loods zouden komen aan te houden. De personen zouden arriveren met twee voertuigen, te weten een personenauto met Duitse kentekenplaten en een vrachtauto met witte huif. Omstreeks 10:25 uur hoorden de verbalisanten in de verte een vrachtwagen de loods naderen. Enkele minuten later kwam een man de werkplaats binnenlopen. Op vragen van een van de verbalisanten verklaarde de man dat hij de bestuurder was van de Volkswagen Passat, waarna hij is aangehouden. Dit betrof [medeverdachte 1] . Buiten troffen de verbalisanten op de bijrijdersstoel in de auto een andere man aan, waarna ook hij is aangehouden. Dit betrof de verdachte. Vervolgens is waargenomen dat de vrachtauto met Duitse kentekenplaten richting de loods reed en de rolpoort van de loods automatisch werd geopend, waarna de vrachtauto achteruit de poort in reed. Hierop is de bestuurder van de vrachtauto aangehouden. Dit betrof [medeverdachte 2] .

[getuige] , mededirecteur en eigenaar van de firma [B] , welke bedrijf in hetzelfde pand ook een loods huurde, heeft op 10 november 2022 verklaard dat het gedeelte waar de tabak is aangetroffen werd verhuurd aan [C] per juli 2020. Er kwamen regelmatig vrachtwagens laden en lossen; wat precies wist de getuige niet. Dat was omdat de vrachtwagens naar binnen werden gereden. Normaal gesproken is de tussendeur tussen de loodsen ook dicht, aldus [getuige] . Op getoonde foto’s herkende hij de verdachte en de medeverdachten. Als er iemand kwam, dan waren het altijd deze drie personen of één van deze drie. In het afgelopen jaar heeft de getuige geen andere personen gezien. Als vervoermiddelen meldt hij een donkerkleurige Skoda, de vrachtwagen en de Passat. Het enige wat hij hoorde was de heftruck.

De verdachte heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de Belastingdienst/FIOD op 9 november 2022 verklaard dat hij wakker is geworden en toen met een vriend naar de loods in [plaats] is gereden. Dit betrof een Volkswagen Passat. Zij waren met drie personen. Deze vriend heet [betrokkene 1] . Hij zat als passagier in de auto. Hij is meegegaan om pallets te stapelen en om de vrachtwagen uit te laden. Voor het overige heeft de verdachte zich beroepen op zijn zwijgrecht.

C.

De verdachte staat terecht ter zake van het als (mede)pleger opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid accijnsgoederen, te weten (rook)tabak, terwijl die goederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken.

Het hof stelt vast dat tenlastelegging is toegesneden op artikel 5 van de Wet op de accijns (tekst 2022). Artikel 5, eerste lid, van de Wet op de accijns luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

‘Het is niet toegestaan:

(...)

b. een accijnsgoed voorhanden of in opslag te hebben dat niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de heffing is betrokken.’

Artikel 1 van de Wet op de accijns luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

‘1 Onder de naam accijns wordt een belasting geheven van:

(…)

f. tabaksproducten.

2. De accijns wordt verschuldigd ter zake van de uitslag tot verbruik van de in het eerste lid bedoelde goederen.‘

Artikel 2, eerste lid, aanhef, onderdelen b en c van de Wet op de accijns luidt als volgt:

‘1. In deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen wordt verstaan onder uitslag tot verbruik:

b. het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving;

(..)’

Artikel 51, eerste lid, aanhef, onderdelen: b en c van de Wet op de accijns luidt als volgt:

‘1. De accijns wordt geheven van:

(…)

b. bij toepassing van artikel 2, eerste lid, onderdeel b: de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft en enig andere persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is;’

Overtreding van artikel 5 van de Wet op de accijns is als misdrijf strafbaar gesteld bij artikel 97 van die wet:

‘Degene die opzettelijk een in artikel 5 opgenomen verbod overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal hei bedrag van de te weinig geheven accijns.‘

De Wet op de accijns is een implementatie van de Richtlijn 2008/118/EG. Dit houdt in dat het begrip ‘voorhanden hebben’ een Unierechtelijk begrip is, dat Unierechtelijk moet worden uitgelegd. Ook het begrip ‘betrokken zijn bij het voorhanden hebben’ door een ander van onveraccijnsde accijnsgoederen is een Unierechtelijk begrip, dat Unierechtelijk moet worden uitgelegd. Aangezien de verdachte wordt verdacht van overtreding van de Wet op de accijns, dient de uitleg van de hiervoor genoemde begrippen overeenkomstig plaats te vinden bij de beoordeling van een fiscale strafzaak als de onderhavige. Voorts is een rechtens juiste uitleg van die begrippen van belang voor (mogelijke parallel lopende) belastingprocedures over de juistheid van opgelegde naheffingsaanslagen voor de accijns.

Uit de wetsgeschiedenis bij de implementatie van de Richtlijn 2008/118/EG per 1 april 2010 blijkt het volgende:

‘Het enkele voorhanden hebben van deze accijnsgoederen wordt door de Accijnsrichtlijn 2008 dus aangemerkt als een zelfstandig belastbaar feit. Het huidige artikel 2f van de wet voorziet voor deze situatie in een belastbaar feit, De toepassing van deze bepaling in de praktijk is zeer sterk ingeperkt door de jurisprudentie van de Hoge Raad (...). De in de jurisprudentie van de Hoge Raad ontwikkelde voorwaarden voor toepassing van artikel 2f, zoals de feitelijke beschikkingsmacht en het wetenschapsvereiste, zijn voor de toepassing van het nieuwe artikel 2, eerste lid, onderdeel b, niet meer van belang. Ter zake van het in deze bepaling bedoelde «voorhanden hebben» wijst de Accijnsrichtlijn 2008 (artikel 8, eerste lid, onderdeel b) als belastingplichtige aan «de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft of enig ander persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is». Dit betekent dat ook een persoon, die niet de feitelijke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen heeft, maar wel betrokken is bij het voorhanden hebben van die goederen, als belastingplichtige kan worden aangemerkt. De Accijnsrichtlijn 2008 vereist voorts niet dat degene die accijnsgoederen voorhanden heeft wetenschap droeg of redelijkerwijs had moeten dragen van het feit dat de goederen niet conform de wettelijke bepalingen in de heffing zijn betrokken (wetenschapsvereiste).’

Uit de wetsgeschiedenis bij de implementatie van de Richtlijn 2008/118/EG per 1 april 2010 volgt verder dat het begrip ‘enig andere persoon die bij het voorhanden ervan betrokken is’ betekent:

‘(...) dat ook een persoon, die niet de feitelijke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen heeft, maar wel betrokken is bij het voorhanden hebben van die goederen, als belastingplichtige kan worden aangemerkt. (...) Op grond van artikel 51, eerste lid, onderdeel b, van de wet kan de accijns dus ook worden geheven van bijvoorbeeld de handlangers van degene die accijnsgoederen feitelijk voorhanden heeft of van het brein achter een fraude.’

Met artikel 51, eerste lid, onder b, van de Wet op de accijns is uitvoering gegeven aan hetgeen artikel 8, eerste lid, onder b, van de Richtlijn 2008/118/EG voorschrijft. Het moet daarom overeenkomstig die richtlijnbepaling worden uitgelegd. Het begrip ‘de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft’ als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, van de Richtlijn 2008/118/EG ziet in het gewone spraakgebruik op een persoon die deze goederen fysiek tot zijn beschikking heeft. Uit de wijziging van voornoemde richtlijn per 1 april 2010 volgt evenwel dat niet noodzakelijk is dat die persoon de feitelijke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen heeft. Voorts is niet relevant of de desbetreffende persoon een recht of enig belang kan doen gelden met betrekking tot die goederen. Sinds de inwerkingtreding van de Richtlijn 2008/118/EG per 1 april 2010 is – anders dan voorheen – volgens Unierecht evenmin relevant of deze persoon weet of redelijkerwijs had behoren te weten dat voor die goederen accijns wordt verschuldigd (er geldt aldus geen wetenschapsvereiste). Uit de omstandigheid dat behalve de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft, iedere andere persoon die is betrokken bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen, in artikel 8, eerste lid, onder b, van de Richtlijn 2008/118/EG is aangewezen als schuldenaar, moet worden afgeleid dat de richtlijngever een ruime kring van personen heeft aangewezen als schuldenaar van de accijnsschuld.

Het voorgaande betekent dat bij de beoordeling van een strafrechtelijke verdenking van overtreding van artikel 5 van de Wét op de accijns door de rechter het volgende beslisschema dient te worden gehanteerd, waarbij de hiernavolgende twee van elkaar te onderscheiden stappen dienen te worden doorlopen.

Stap 1: ‘voorhanden hebben’ volgens Unierecht

Allereerst dient, met inachtneming van het voormelde toetsingskader, te worden vastgesteld of sprake is van ‘voorhanden hebben’ als bedoeld in de Wet op de accijns. In de regel zal die vraag snel bevestigend worden beantwoord: in wezen is namelijk sprake van een risicoaansprakelijkheid. Daarbij zij opgemerkt dat dit begrip, zoals hiervoor is overwogen, anders dient te worden uitgelegd dan in het commune strafrecht pleegt te gebeuren: aan het voorhanden hebben in vorenbedoelde zin is namelijk reeds voldaan als de verdachte bij het voorhanden hebben van de onveraccijnsde accijnsgoederen betrokken is. Bij ‘voorhanden hebben’ als bedoeld in de Wet op de accijns is – sinds 1 april 2010 – aldus:

- niet relevant als de verdachte niet de feitelijke beschikkingsmacht over de onveraccijnsde accijnsgoederen heeft;

- het al dan niet aanwezig zijn van wetenschap van de hoedanigheid van de goederen en de wetenschap van de omstandigheid dat de goederen niet overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de bepalingen van de Wet op de accijns in Nederland of elders in de Unie in de heffing zijn betrokken, bij de beoordeling of sprake is van ’voorhanden hebben’ in de zin van de Wet op de accijns niet relevant.

Stap 2: voor strafrechtelijke aansprakelijkheid is (voorwaardelijk) opzet vereist

Vervolgens dient de rechter te beoordelen of de verdachte dat voorhanden hebben opzettelijk heeft gedaan, in de zin dat de verdachte willens en wetens onveraccijnsde goederen voorhanden heeft gehad, waarbij voorwaardelijk opzet als ondergrens heeft te gelden. Het opzet behoeft sinds 1 april 2010 niet zonder meer te worden afgeleid uit de feitelijke beschikkingsmacht over de onveraccijnsde accijnsgoederen en ook niet uit de wetenschap van de hoedanigheid van de goederen en de wetenschap van de omstandigheid dat de goederen ten onrechte niet (in Nederland of elders in de Unie) in de heffing zijn betrokken. Voor strafrechtelijke aansprakelijkheid kan sinds 1 april 2010 het opzet ook worden gebaseerd op feiten waaruit volgt dat een persoon opzettelijk betrokken raakt bij het voorhanden hebben, zonder dat die persoon de feitelijke beschikkingsmacht over de onveraccijnsde accijnsgoederen heeft en zonder dat hij de vorenbedoelde wetenschap heeft.

Uit het voorgaande volgt, dat het door de advocaat-generaal in zijn appelmemorie en het requisitoir inzake ‘uitslag tot verbruik’ uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het arrest van de Hoge Raad van 2 december 2008, ECLI:NL:2008:BD3699 (in 2022) niet (meer) van toepassing is, juist is, zij het op een andere dan door de advocaat-generaal aangevoerde grond. Dit arrest zou volgens de advocaat-generaal zien op een zeer specifieke situatie die zich hier niet zou voordoen. Het arrest heeft per 1 april 2010 zijn betekenis verloren omdat de Uniewetgever per die datum uitdrukkelijk afscheid heeft genomen van het vorenbedoelde wetenschapsvereiste.

D.

Indachtig het vorenbedoelde beslisschema, overweegt het hof in deze zaak als volgt.

Stap 1: ‘voorhanden hebben' volgens Unierecht

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de Belastingdienst/FIOD in de loods aan de [a-straat 1] in [plaats] een grote hoeveelheid rooktabak heeft aangetroffen, welke niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was betrokken. Aldus is over de aangetroffen rooktabak geen accijns betaald. Tevens is komen vast te staan dat ter zake van de loods in [plaats] geen vergunning was afgegeven om als accijnsgoederenplaats te mogen fungeren. Evenmin is een dergelijke vergunning afgegeven op naam van de verdachte of de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

Het hof stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep vast dat de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 9 november 2022, omstreeks 07:08 uur, zijn gearriveerd bij de loods aan het adres [a-straat 1] in [plaats] , waarna zij de loods zijn binnengegaan. Kort daarna zijn zij in een Volkswagen Passat en een vrachtwagen, welke vanwege het opschrift ‘ […] ’, is herkend als de Scania vrachtwagen met [kenteken 12] , vertrokken om vervolgens omstreeks 10.25 uur met diezelfde personenauto en vrachtwagen terug te keren bij de loods. [medeverdachte 1] is toen de loods binnengegaan en de verdachte zat als bijrijder in de Passat bij de loods. Vrijwel tezelfdertijd is de toegangspoort van de loods automatisch geopend en heeft [medeverdachte 2] de vrachtwagen met de achterzijde in de geopende toegangsport van de loods geparkeerd, waarop de verdachte en de medeverdachten zijn aangehouden.

Gelet op de grote hoeveelheid aangetroffen onveraccijnsde rooktabak, te weten bijna 54 ton, welke was verpakt in 423 dozen en welke op 141 pallets waren gestapeld, en daarbij in aanmerking genomen dat de verdachte en medeverdachten bij terugkomst bij de loods omstreeks 10.25 uur onmiddellijk ter plaatse zijn aangehouden, en aldus de desbetreffende dozen met tabak op dat moment niet in de loods naar binnen kunnen hebben gebracht, stelt het hof vast dat de aangetroffen rooktabak reeds op 9 november 2022 om 07.08 uur in de loods aanwezig was op het moment dat de verdachte en de medeverdachten die ochtend voor het eerst in de loods aanwezig waren. Daarbij komt dat van enig ander tussentijds transport die ochtend niet is gebleken.

In eerste aanleg is door de verdediging aangevoerd dat de verdachte de transportwerkzaamheden heeft verricht uit hoofde van een arbeidsovereenkomst met [C] en ter onderbouwing daarvan is in eerste aanleg door de verdediging een arbeidsovereenkomst overgelegd. In hoger beroep is nader onderzoek verricht naar de betreffende Duitse onderneming. Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek aan de Duitse autoriteiten is informatie ontvangen en daaruit is het volgende naar voren gekomen. De onderneming [C] is op 1 mei 2018 fiscaal geregistreerd als detailhandelsfirma in consumentenelektronica, maar de werkelijke activiteiten konden niet worden achterhaald. Op het in de arbeidsovereenkomst vermelde adres van het bedrijf in Duitsland is geen firma met de naam [C] gevestigd; noch is daar een firma met die naam gevestigd geweest. Andere officiële en werkelijke vestigingen zijn niet bekend geworden. De jaaromzet kon niet worden achterhaald en evenmin is gebleken dat aangiften loonbelasting zijn gedaan of dat er loonlijsten zijn bijgehouden. Voorts is er geen omzetbelasting aangegeven of betaald. Officiële salarisuitbetalingen worden door de Duitse autoriteiten zeer onwaarschijnlijk geacht. De naam van de onderneming en de namen van haar werknemers zijn volgens de Duitse autoriteiten slechts in het kader van het onderhavige strafrechtelijk onderzoek naar voren gekomen. Een en ander maakt volgens de Duitse autoriteiten dat ervan moet worden uitgegaan dat het arbeidscontract alleen voor de schijn is opgesteld. Het hof schaart zich achter die conclusie.

Het vorenoverwogene leidt het hof tot het oordeel dat de arbeidsovereenkomst, die namens de verdachte is overgelegd, niet overeenkomstig de werkelijkheid is. Naar het oordeel van het hof kan met het overleggen van de valse arbeidsovereenkomst in redelijkheid dan ook geen ander doel zijn beoogd, dan om een beweerdelijk bona fide karakter van verdachtes werkzaamheden in de loods voor te spiegelen.

De in hoger beroep door de raadsvrouw ingenomen stelling dat bovenstaande vaststellingen aangaande de Duitse onderneming en de arbeidsovereenkomst niet redengevend kunnen worden geacht voor het bewijs, in welk verband zij voorts heeft opgemerkt dat de verdachte zijn geld contant kreeg uitbetaald, wordt door het hof niet gevolgd. Bij voormelde stand van zaken acht het hof het alternatieve scenario van de verdediging onaannemelijk en stelt het hof dat scenario als zodanig terzijde. Dit betekent dat het doen of het nalaten van de verdachte niet aan een werkgever moet worden toegerekend.

Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat de verdachte op 9 november 2022 de in de loods aangetroffen onveraccijnsde tabak voorhanden heeft gehad, zoals bedoeld in artikel 5 van de Wet op de accijns.

Stap 2: voor strafrechtelijke aansprakelijkheid is (voorwaardelijk) opzet vereist

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte de grote hoeveelheid onveraccijnsde tabak opzettelijk voorhanden heeft gehad. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Uit de bewijsmiddelen volgt, zoals reeds hiervoor is overwogen, dat door de Belastingdienst/FIOD in de loods in [plaats] een zeer grote hoeveelheid tabak is aangetroffen. Het betrof 423 dozen met tabak, welke waren gestapeld op 141 pallets. Op de in het procesdossier gevoegde foto’s kan worden waargenomen dat de loods nagenoeg geheel volstond met de pallets met daarop de gestapelde dozen. De aanwezigheid van de pallets met de dozen in de loods kan de verdachte derhalve niet zijn ontgaan. Onmiddellijk bij binnenkomst in de loods roken de verbalisanten van de douane in de gehele loods de geur van tabak. Anders dan door de raadsvrouw ten verwere is aangevoerd, heeft het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van het door de douaneambtenaren op ambtseed opgestelde proces-verbaal van bevindingen. Bijgevolg hecht het hof geen geloof aan de andersluidende verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij in de loods geen tabaksgeur heeft geroken, zodat het hof aan deze verklaring voorbijgaat, zodat het niet anders kan zijn dan dat ook de verdachte de tabaksgeur moet hebben geroken. De omstandigheid dat [getuige] heeft verklaard dat hij nooit een tabaksgeur heeft geroken dwingt, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel. Het hof merkt daarbij nog op dat [getuige] heeft verklaard dat normaliter de tussendeur tussen de loodsen altijd gesloten was en dat de vrachtwagens altijd naar binnen werden gereden. Daardoor heeft hij niet waargenomen wat er gebeurde. [getuige] is weliswaar in september 2022 in de loods geweest voor de elektriciteit, maar toen was de loods leeg.

Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat de Scania vrachtwagen met het [kenteken 8] en het opschrift ‘ […] ', waarin [medeverdachte 2] op 9 november 2022 bij de loods in [plaats] is aangetroffen, op ten minste 25 verschillende dagen is waargenomen bij de loods aan de [a-straat 1] in [plaats] en dat de zwarte Volkswagen Passat met het Duitse [kenteken 10] , waarin de verdachte en [medeverdachte 1] bij de loods zijn gearriveerd, 29 keer ter plaatse is waargenomen. Daarnaast volgt uit de bewijsmiddelen dat de Scania vrachtwagen met [kenteken 8] en het opschrift ‘ […] ' op 10 verschillende dagen bij de loods aan de [c-straat 1] in [plaats] is gezien, waarbij 27 vervoersbewegingen door de observatiecamera zijn waargenomen. De zwarte Volkswagen Passat met het Duitse [kenteken 10] is bij die betreffende loods op 15 verschillende dagen gezien, waarbij 60 vervoersbewegingen zijn waargenomen. Tevens is gezien dat de bestuurder van de Volkswagen Passat naar binnen is gegaan in de loods gelegen aan de [c-straat 1] in [plaats] en dat een vrachtwagen in de loods werd geparkeerd. Verbalisanten hebben twee daarbij betrokken personen herkend als de verdachte en medeverdachte [verdachte] (BFK: bedoeld is [medeverdachte 1] en verdachte). In dit verband neemt het hof voorts in aanmerking dat in de loods aan de [c-straat 1] te [plaats] op 9 november 2022 eveneens een tabaksgeur is waargenomen, alsmede dat in die loods een zak met daarin uitgesneden stickers met daarop ‘unmanufactured tabacco strips’ is aangetroffen. Daar komt bij dat in de loods te [plaats] door de douaneambtenaren jammingapparatuur is aangetroffen, die op dat moment was aangesloten op het stroomnet. Het is het hof ambtshalve bekend dat deze apparatuur mobiel telefoon- en internetverkeer plaatselijk onmogelijk maakt en om die reden pleegt te worden gebruikt om criminele activiteiten voor te bereiden en/of te verhullen.

[getuige] , verbonden aan een bedrijf dat een gedeelte van het pand huurde waarin de loods is gevestigd, heeft verklaard dat er regelmatig vrachtwagens bij de loods arriveerden om te laden en lossen, waarbij de vrachtwagens de loods in werden gereden. Aan [getuige] zijn foto’s getoond van de verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en hij heeft [medeverdachte 2] herkend als de chauffeur van de vrachtwagen en de medeverdachten [medeverdachte 1] en de verdachte als respectievelijk de chauffeur en de bijrijder van de Volkswagen Passat. Volgens [getuige] zijn het telkens de verdachte en de medeverdachten geweest die bij de loods aanwezig waren en daarbij maakten zij telkens gebruik van dezelfde voertuigen als die op 9 november 2022 bij de controle zijn aangetroffen, te weten een Volkswagen Passat en vrachtwagen. Volgens [getuige] gaven de personen aan hem te kennen dat zij speelgoed en elektronica opsloegen in Duitsland. De getuige verklaarde voorts dat hij hoorde dat de vorkheftruck veel lawaai maakte. Door douaneambtenaren is in nabijheid van de pallets met dozen in de loods een vorkheftruck aangetroffen.

De verdachte heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de Belastingdienst/FIOD op 9 november 2022 overwegend gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht. Wel heeft de verdachte verklaard dat hij die nacht bij [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1]) heeft geslapen in Duitsland en de volgende ochtend met drie man naar de loods is gereden. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij pallets ging stapelen en de vrachtwagen ging uitladen. Echter de vragen waar de pallets vandaan kwamen, waar de vrachtwagen vandaan kwam en voor wie hij aan het werk was, heeft de verdachte niet willen beantwoorden. Hoe de werkzaamheden in de loods tot stand zijn gekomen en hoe lang hij al in de loods werkzaam was heeft de verdachte niet willen vertellen. De vraag of hij betaald kreeg voor de werkzaamheden in de loods is evenmin door de verdachte beantwoord. Datzelfde geldt voor de vraag wat hij precies bij de loods ging doen. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij momenteel geen werk heeft, werkzoekende is en op vakantie is. Gedurende zijn verhoor op 10 november 2022 heeft de verdachte, geconfronteerd met de omstandigheid dat hij geruime tijd en meermalen bij de loods in [plaats] is gezien, zich beroepen op zijn zwijgrecht. Op alle verdere inhoudelijke vragen, waaronder wat hij in de loods ging doen op de tenlastegelegde datum, heeft hij zich (in overwegende mate) beroepen op zijn zwijgrecht.

Het vorenstaande voert het hof tot de volgende overwegingen.

Gezien hetgeen hiervoor is vastgesteld, daaronder mede begrepen dat de verdachte de tabaksgeur heeft moeten ruiken in de loods te [plaats] en aldaar een zeer grote hoeveelheid onveraccijnsde tabak in opslag stond, alsmede dat hij niet alleen ter plaatse in de loods te [plaats] meermalen is geweest maar ook in verband kan worden gebracht met de loods in [plaats] , is het hof van oordeel dat de verdachte opzettelijk 54.990 kilogram rooktabak voorhanden heeft gehad. Aan de uit de bewijsmiddelen naar voren komende feiten en omstandigheden kan naar ’s hofs oordeel het in rechte vast te stellen vermoeden worden ontleend dat de verdachte bezig was in de illegaliteit. Door te handelen zoals de verdachte heeft gedaan heeft hij naar het oordeel van het hof minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de rooktabak die hij voorhanden had, onveraccijnsd was.

Het hof is van oordeel dat de verdachte zich niet met vrucht kan beroepen op hetgeen hij daartegenover heeft gesteld. Het hof overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft zich in overwegende mate op zijn zwijgrecht beroepen. Deze omstandigheid kan op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet tot het bewijs bijdragen. Anders is het evenwel als een omstandigheid op zichzelf, of in samenhang met de verdere omstandigheden, redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit en dat de verdachte geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, terwijl dat onder de gegeven omstandigheden wel van hem verlangd mocht worden. Nu de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, ook in verband en samenhang met de overige tot het bewijs gebezigde feiten en omstandigheden, op zichzelf genomen redengevend zijn voor het bewijs van het tenlastegelegde, meer in het bijzonder voor het bewijs van (voorwaardelijk) opzet, mag van de verdachte verlangd worden dat hij een die redengevendheid ontzenuwende verklaring geeft.

Dat heeft de verdachte evenwel niet gedaan. Hij is niet in staat (of gewillig) gebleken om enige nadere – voor de hand liggende en/of, naar verwacht mag worden, hem bekend zijnde – informatie en details te reproduceren. Zo heeft hij verklaard dat hij niet wist waar de vrachtwagen vandaan kwam en voor wie hij aan het werk was. Hoe de werkzaamheden in de loods tot stand zijn gekomen en hoe lang hij al in de loods werkzaam was heeft de verdachte evenmin willen vertellen. De vraag of hij betaald kreeg voor de werkzaamheden in de loods is niet door de verdachte beantwoord. Datzelfde geldt voor de vraag wat hij precies bij de loods ging doen. Dit is op zichzelf, maar ook bezien tegen de achtergrond van het hiervoor besproken door de raadsvrouw eerst ter terechtzitting in eerste aanleg geponeerde alternatieve scenario - met inbegrip van de aanvullingen daarvan dan wel opmerkingen daarop in hoger beroep - inhoudende dat hij op grond van een arbeidsovereenkomst legale werkzaamheden bij de loods uitoefende, op zijn zachtst gezegd opmerkelijk te noemen.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, bezien in het licht van de overige in de bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden, is het hof van oordeel dat de verdachte aldus opzet heeft gehad op het voorhanden hebben van de onveraccijnsde tabak.

Medeplegen

Gelet op het vorenoverwogene, zulks in samenhang bezien met de verdere inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, is het hof eveneens van oordeel dat de verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde en dat daarbij sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten, welke bijdrage bovendien van voldoende gewicht is geweest, zodat kan worden gesproken van het medeplegen van het voorhanden hebben van de onveraccijnsde rooktabak, waarbij het hof volledigheidshalve opmerkt dat de verdachte de tabak ook eigenhandig voorhanden heeft gehad.

E.

Aldus falen de verweren van de verdediging. Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.’

Bespreking van het eerste middel

7. Het middel houdt in de eerste plaats in dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet volgt dat op de betreffende rooktabak geen accijnsschorsingsregeling van toepassing was en dat over die rooktabak niet reeds accijns was geheven, zodat de rooktabak niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was betrokken.

8. Art. 5, eerste lid, van de Wet op de accijns luidt als volgt:

‘1. Het is niet toegestaan:

a. een accijnsgoed te produceren of verwerken buiten een accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen;

b. een accijnsgoed voorhanden of in opslag te hebben dat niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de heffing is betrokken.’

9. Art. 1 van de Wet op de accijns luidt, voor zover van belang, als volgt:

‘1. Onder de naam accijns wordt een belasting geheven van:

(…)

f. tabaksprodukten.

2. De accijns wordt verschuldigd ter zake van de uitslag tot verbruik van de in het eerste lid bedoelde goederen.’

10. Art. 1a, eerste lid, van de Wet op de accijns luidt, voor zover van belang, als volgt:

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

- accijnsgoed: een goed als bedoeld in artikel 1;’

(…)

- accijnsschorsingsregeling: belastingregeling die geldt voor het produceren, verwerken, voorhanden hebben, opslaan en overbrengen van accijnsgoederen waarbij de accijns is geschorst;’

11. Art. 2, eerste lid van de Wet op de accijns luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit als volgt:

‘1. In deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen wordt verstaan onder uitslag tot verbruik:

a. het aan een accijnsschorsingsregeling onttrekken, daaronder begrepen het onregelmatig onttrekken, van accijnsgoederen;

b. het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving;

c. de productie, met inbegrip van onregelmatige productie, van accijnsgoederen buiten een accijnsschorsingsregeling;

d. de invoer, met inbegrip van onregelmatige invoer, van accijnsgoederen die niet onmiddellijk bij invoer onder een accijnsschorsingsregeling worden geplaatst.’

12. Uit het samenstel van deze bepalingen volgt dat het begrip ‘accijnsgoed’, dat een bestanddeel is van het verbod van art. 5, eerste lid, onder b, van de Wet op de accijns, wordt gedefinieerd in de artikelen 1 en 1a van de Wet op de accijns. Uit de bewijsmiddelen dient te volgen dat dit accijnsgoed niet overeenkomstig de Wet op de accijns in de heffing is betrokken.

12. Een accijnsschorsingsregeling is, zo volgt uit art. 1a Wet op de accijns, een belastingregeling die geldt voor het produceren, verwerken, voorhanden hebben, opslaan en overbrengen van accijnsgoederen waarbij de accijns is geschorst. Achtergrond van deze schorsingsregeling is dat de accijns zo laat mogelijk in de handelsketen moet worden geheven.

14. Uit de bewijsvoering volgt niet rechtstreeks uit welke feiten en omstandigheden het hof afleidt dat de op 9 november 2022 aangetroffen rooktabak niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing is betrokken. In een andere zaak waarin ik vandaag concludeer is bijvoorbeeld vastgesteld dat accijnszegels bij de tabaksproducten ontbraken (vgl. art. 73 en 102 Wet op de accijns). Het hof noemt ook geen verklaring van een ambtenaar van de Douane waaruit volgt dat de rooktabak niet overeenkomstig de Wet op de accijns in de heffing is betrokken.

15. De bewijsoverwegingen van het hof (onder B) houden echter wel in dat voor het adres [a-straat 1] te [plaats] en voor de verdachten in het onderzoek geen vergunning is afgegeven om als accijnsgoederenplaats te fungeren. En dat in de loods op dat adres ruim 58.000 kilo gesneden tabak is aangetroffen, in 423 dozen gestapeld op 141 pallets, waarbij van de dozen de labels waren verwijderd.

15. In de bewijsvoering liggen voorts aanvullende aanwijzingen besloten dat de activiteiten in de loods en de rooktabak het daglicht niet konden velen. In de in de loods aanwezige Scania vrachtwagen met [kenteken 8] is een CMR-vrachtbrief aangetroffen waarop in strijd met de waarheid is vermeld dat de pallets de bestemming [A] in [plaats] hadden. [getuige] verklaart dat het gedeelte van de loods waar de tabak is aangetroffen werd verhuurd aan [C] ; door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte de transportwerkzaamheden heeft verricht uit hoofde van een arbeidsovereenkomst met [C] . Uit nader onderzoek zijn (zo blijkt uit de bewijsoverwegingen onder D) evenwel feiten en omstandigheden gebleken waaruit het hof heeft afgeleid dat het arbeidscontract alleen voor de schijn is opgesteld. Verder houdt de verklaring van [getuige] in dat de verdachte en de medeverdachten aan hem te kennen gaven dat zij speelgoed en elektronica opsloegen in Duitsland.

15. Naar ik meen heeft het hof uit de voorgaande ‘bewijsmiddelen’ kunnen afleiden dat de aangetroffen rooktabak niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was betrokken. Ik betrek daarbij in de eerste plaats dat een ander motief voor de genoemde feiten en omstandigheden dan het ontduiken van (in het bijzonder) de Wet op de accijns bij deze rooktabak, waarvan het voorhanden hebben op zichzelf niet verboden is, zich lastig laat denken. Een dergelijk motief is door de verdachte of de raadsvrouw ook niet naar voren gebracht. Ik betrek daarbij in de tweede plaats dat de raadsvrouw evenmin heeft aangevoerd dat de tabak overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing zou zijn betrokken.

15. Deze deelklacht faalt.

15. Het middel bevat vervolgens een aantal deelklachten inzake de bewijsvoering van het opzet, die ik in afwijkende volgorde zal bespreken. De eerste deelklacht houdt in dat voor zover in de overwegingen van het hof besloten ligt dat de verdachte geen wetenschap behoeft te hebben gehad van de hoedanigheid van de goederen en van de omstandigheid dat de goederen ten onrechte niet in de heffing zijn betrokken, dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de steller van het middel kan enkel tot een bewezenverklaring worden gekomen als de verdachte minstens bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de goederen die hij voorhanden had accijnsgoederen waren en dat de goederen ten onrechte niet in de heffing zijn betrokken.

15. Art. 97 Wet op de accijns luidt als volgt:

‘Degene die opzettelijk een in artikel 5 opgenomen verbod overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven accijns. Dit is ook van toepassing op de accijnsschuld wanneer die teniet is gegaan ingevolge het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 124, eerste lid, onderdeel e, van het Douanewetboek van de Unie.’

21. Bij strafbaarstellingen in het Wetboek van Strafrecht is de regel gehanteerd dat alle bestanddelen die na het woord opzettelijk komen, door dat opzet worden beheerst. Ook bij strafbaarstellingen buiten het Wetboek van Strafrecht wordt die (taalkundig voor de hand liggende) uitlegregel gewoonlijk gehanteerd. Die regel brengt mee dat ingeval het opzettelijk overtreden van een nader omschreven voorschrift of verbod strafbaar is gesteld, het opzet gericht dient te zijn op de bestanddelen van dat voorschrift. Dat brengt mee dat van het opzettelijk overtreden van het in art. 5, eerste lid, onder b, Wet op de accijns omschreven verbod slechts sprake kan zijn als de betrokkene ten minste welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het goed dat hij voorhanden of in opslag heeft een accijnsgoed betreft dat niet overeenkomstig de Wet op de accijns in de heffing is betrokken.

22. Het hof bespreekt in de bewijsoverwegingen (onder C) Richtlijn 2008/118/EG en de implementatie van deze richtlijn door de wetgever. Onder ‘Stap 2: voor strafrechtelijke aansprakelijkheid is (voorwaardelijk) opzet vereist’ leidt het hof uit deze bespreking af dat het opzet ook kan worden gebaseerd op feiten waaruit volgt dat een persoon opzettelijk betrokken raakt bij het voorhanden hebben, zonder dat die persoon de feitelijke beschikkingsmacht over de onveraccijnsde accijnsgoederen heeft en zonder dat hij wetenschap heeft `van de omstandigheid dat de goederen ten onrechte niet (in Nederland of elders in de Unie) in de heffing zijn betrokken.’ Dat is de overweging waar deze deelklacht zich tegen keert.

22. Richtlijn 2008/118/EG bevat onder meer de volgende bepalingen:

‘Artikel 7

1. De accijns wordt verschuldigd op het tijdstip en in de lidstaat van de uitslag tot verbruik.

2. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder uitslag tot verbruik verstaan:

(…)

b) het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het gemeenschapsrecht en de nationale wetgeving;

(…)

Artikel 8

1. De tot voldoening van de verschuldigd geworden accijns gehouden persoon is:

(…)

b) met betrekking tot het voorhanden hebben van accijnsgoederen als bedoeld in artikel 7, lid 2, onder b): de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft of enig ander persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is;

(…)’

24. Richtlijn 2008/118/EG bevat geen voorschriften inzake (strafrechtelijke) handhaving. Inmiddels is deze richtlijn ingetrokken door Richtlijn (EU) 2020/262. Ook deze richtlijn bevat geen voorschriften inzake (strafrechtelijke) handhaving.

25. Het arrest van het Hof van Justitie van 10 juni 2021 waar het gerechtshof in het bestreden arrest naar verwijst, betreft een prejudiciële vraag die is gesteld in een geding tussen de belasting- en douanedienst van het Verenigd Koninkrijk en een burger over de rechtmatigheid van een heffingsaanslag voor de betaling van accijns. Het arrest bevat onder meer de volgende overwegingen:

’21. Met zijn vragen, die gezamenlijk dienen te worden beantwoord, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 33, lid 3, van richtlijn 2008/118 aldus moet worden uitgelegd dat een persoon die voor rekening van een ander accijnsgoederen vervoert naar een andere lidstaat en die fysiek in het bezit is van deze goederen op het tijdstip waarop de accijns daarover verschuldigd wordt, op grond van die bepaling gehouden is tot voldoening van deze accijns, ook al kan hij geen enkel recht of belang doen gelden met betrekking tot die goederen en weet hij niet dat het gaat om accijnsgoederen of – indien hij daar wel van op de hoogte is – weet hij niet dat de accijns over die goederen verschuldigd is geworden.

(…)

24. Het begrip persoon die goederen „voorhanden heeft” ziet in het gewone spraakgebruik op een persoon die deze goederen fysiek in zijn bezit heeft. In dit verband is het niet relevant of de betrokken persoon een recht of enig belang kan doen gelden met betrekking tot de goederen die hij voorhanden heeft.

25. Voorts wijst niets in de bewoordingen van artikel 33, lid 3, van richtlijn 2008/118 erop dat de vaststelling dat iemand tot voldoening van de accijns gehouden is omdat hij de persoon is „die de voor levering bestemde goederen voorhanden heeft”, afhangt van de voorwaarde dat de betrokkene weet of redelijkerwijs had behoren te weten dat op grond van die bepaling de accijns verschuldigd wordt.

26. Deze letterlijke uitlegging vindt steun in de opzet van richtlijn 2008/118.

27. Volgens artikel 7, lid 1 en lid 2, onder b), van deze richtlijn wordt de accijns namelijk verschuldigd op het tijdstip en in de lidstaat van de „uitslag tot verbruik”. Het begrip „uitslag tot verbruik” wordt gedefinieerd als het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling, zonder dat accijns is geheven. In een dergelijk geval is de tot voldoening van de accijns gehouden persoon volgens artikel 8, lid 1, onder b), van die richtlijn„ de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft en enig ander persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is”.

28. Net zoals artikel 33, lid 3, van richtlijn 2008/118 bevat artikel 8, lid 1, onder b), van deze richtlijn geen uitdrukkelijke definitie van het begrip „voorhanden hebben” en vereist het niet dat de betrokken persoon een recht of enig belang kan doen gelden met betrekking tot de goederen die hij voorhanden heeft, noch dat hij weet of redelijkerwijs had behoren te weten dat op grond van die bepaling de accijns verschuldigd wordt.

(…)

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 33, lid 3, van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG moet aldus worden uitgelegd dat een persoon die voor rekening van een ander accijnsgoederen vervoert naar een andere lidstaat en die fysiek in het bezit is van deze goederen op het tijdstip waarop de accijns daarover verschuldigd wordt, op grond van die bepaling gehouden is tot voldoening van deze accijns, ook al kan hij geen enkel recht of belang doen gelden met betrekking tot die goederen en weet hij niet dat het gaat om accijnsgoederen of – indien hij daar wel van op de hoogte is – weet hij niet dat de accijns over die goederen verschuldigd is geworden.’

26. In dit arrest heeft het HvJ EU verduidelijkt wie gehouden is tot voldoening van accijns. Uit het arrest volgt niet dat het begrip ‘opzettelijk’ in art. 97 Wet op de accijns, dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid wegens schendingen van de verboden van art. 5 Wet op de accijns inperkt, anders (en ruimer) moet worden uitgelegd dan in het voorgaande is aangegeven.

26. De implementatiewet van Richtlijn 2008/118/EG wijzigde een groot aantal bepalingen van de Wet op de accijns, en voegde een groot aantal nieuwe artikelen toe. Art. 5 en art. 97 Wet op de accijns werden evenwel niet gewijzigd. De passage op p. 8 van de memorie van toelichting die het hof citeert is ontleend aan de toelichting op (wijzigingen in) art. 2, eerste lid, van de Wet op de accijns. Uit de passage blijkt dat zij ziet op personen van wie accijns kan worden geheven, niet op strafrechtelijke aansprakelijkheid. De passage op p. 23 van de memorie van toelichting die het hof citeert, betreft de toelichting op (wijzigingen in) art. 51, eerste lid, onderdeel b Wet op de accijns. Dit artikelonderdeel houdt in dat de accijns bij toepassing van art. 2, eerste lid, onderdeel b, wordt geheven van de persoon die de accijnsgoederen produceert of verwerkt en, in geval van onregelmatige productie of verwerking, enig andere persoon die bij de productie of verwerking ervan betrokken is geweest. Ook hier gaat het derhalve niet om een passage die op strafrechtelijke aansprakelijkheid uit hoofde van art. 5 en 97 Wet op de accijns ziet.

28. Deze deelklacht slaagt. De vraag is evenwel of dat tot cassatie dient te leiden.

28. Naar het mij voorkomt kan cassatie op deze grond achterwege blijven. In de bewijsoverwegingen onder D, onder ‘Stap 2: voor strafrechtelijke aansprakelijkheid is (voorwaardelijk) opzet vereist’ overweegt het hof, na een groot aantal belastende feiten en omstandigheden te hebben vastgesteld, dat de verdachte door te handelen zoals hij heeft gedaan ‘naar het oordeel van het hof minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans (heeft) aanvaard dat de rooktabak die hij voorhanden had, onveraccijnsd was.’ Daarin ligt (meen ik) besloten dat het hof uiteindelijk toch uitgaande van een juiste rechtsopvatting heeft vastgesteld dat de verdachte met het vereiste opzet heeft gehandeld.

28. Ten overvloede merk ik op dat de uitleg die het hof aan het bestanddeel ‘voorhanden hebben’ in art. 5 Wet op de accijns geeft, mij ook niet juist voorkomt. Uit de redactie van art. 8, eerste lid, onder b, van Richtlijn 2008/118/EG en art. 51, eerste lid, onder b, Wet op de accijns, volgt dat naast elkaar worden gezet ‘de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft of opslaat’ en een andere persoon ‘die bij het voorhanden hebben of opslaan ervan betrokken is’. Noch de richtlijn, noch de wet geeft de mogelijkheid om accijns te heffen van deze ‘betrokkene’ vorm door een uitbreiding te geven aan de reikwijdte van het begrip ‘voorhanden hebben’. Denkbaar is wel de ‘betrokkene’ onder omstandigheden te vervolgen als deelnemer aan het in art. 97 Wet op de accijns omschreven misdrijf, dan wel wegens deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van in de Wet op de accijns strafbaar gestelde misdrijven. Nu over dit onderdeel van ’s hofs overwegingen niet wordt geklaagd, laat ik dit verder rusten. Ik merk bovendien op dat uit ’s hofs bewijsvoering naar het mij voorkomt volgt dat de verdachte de tabak met de medeplegers voorhanden had (en niet slechts bij het voorhanden hebben ervan betrokken was).

31. De tweede deelklacht inzake de bewijsvoering van het opzet houdt in dat de overweging dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de rooktabak die hij voorhanden had niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was betrokken, omdat aan de uit de bewijsmiddelen naar voren komende feiten en omstandigheden het in rechte vast te stellen vermoeden kan worden ontleend dat verdachte bezig was in de illegaliteit, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans niet zonder meer begrijpelijk is. Dat enkele vermoeden zou niet voldoende zijn om het oordeel te dragen dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij rooktabak voorhanden heeft gehad die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was betrokken.

31. Het hof overweegt in de concluderende overwegingen die het aan het eind van de bewijsoverwegingen in onderdeel D formuleert eerst dat en waarom het hof van oordeel is ‘dat de verdachte opzettelijk 54.990 kilogram rooktabak voorhanden heeft gehad’. Daaropvolgend overweegt het hof dat aan de uit de bewijsmiddelen naar voren komende feiten en omstandigheden naar ’s hofs oordeel het in rechte vast te stellen vermoeden kan worden ontleend ‘dat de verdachte bezig was in de illegaliteit’. Met de steller van het middel meen ik dat deze formulering vragen oproept. Het vermoeden dat de verdachte bezig was in de illegaliteit behoeft voor een veroordeling ter zake van art. 97 Wet op de accijns niet in rechte te worden vastgesteld. Uit de daaropvolgende, bij de vorige deelklacht deels geciteerde zin, kan naar het mij voorkomt evenwel worden afgeleid dat het hof aan de hand van de juiste maatstaf heeft vastgesteld dat de verdachte met het vereiste opzet heeft gehandeld. In dat licht kan de vaststelling van het vermoeden dat de verdachte bezig was in de illegaliteit als een (wat verwarrende) overweging ten overvloede worden aangemerkt.

31. Deze deelklacht faalt.

31. De derde deelklacht houdt in dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte opzettelijk accijnsgoederen die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken voorhanden heeft gehad, aangezien uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de rooktabak die hij voorhanden had niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was betrokken. In het verlengde daarvan, zo begrijp ik, is volgens de steller van het middel ook niet begrijpelijk dat het hof overweegt dat van de verdachte mocht worden verlangd dat hij een verklaring geeft die de redengevendheid van de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden ontzenuwt.

31. In een arrest van 26 juni 2012 slaagde de klacht dat de bewezenverklaring van opzettelijk accijnsgoederen voorhanden hebben die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken ontoereikend was gemotiveerd. Uit de bewijsmiddelen bleek dat de verdachte had verklaard dat hij bij de loods was gearresteerd (waar de kartonnen dozen met pakjes sigaretten stonden). Uit een proces-verbaal van bevindingen bleek dat de verdachte zich daar op een vorkheftruck bevond en dat hij verklaarde ‘de vrachtwagen te laden en te lossen’. Uw Raad overwoog dat het in de bewezenverklaring omschreven opzet van de verdachte niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kon worden afgeleid.

36. Anders liep het af in een arrest van 7 april 2020. Ook in die zaak was de verdachte met een vorkheftruck dozen met sigaretten aan het lossen. A-G Paridaens signaleerde een aantal verschillen met de zaak uit 2012: ‘In het onderhavige geval heeft het hof immers vastgesteld dat de medeverdachte de container in het bijzijn van de verdachte heeft geopend, de onveraccijnsde sigaretten daarmee zichtbaar werden voor de verdachte, hij door de medeverdachte ook op de onveraccijnsde sigaretten is gewezen en niettemin is doorgegaan met het lossen van die sigaretten en het plaatsen van de dozen met sigaretten in zijn loods’ (randnummer 16). Uw Raad deed de zaak af met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.

37. In deze beide zaken stond andere bemoeienis met de tabaksproducten dan die welke voortvloeide uit het (met een vorkheftruck) lossen niet vast. Dat ligt in de onderhavige zaak anders. Het hof stelt (onder D) op grond van de bewijsmiddelen vast ‘dat de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 9 november 2022, omstreeks 07:08 uur, zijn gearriveerd bij de loods aan het adres [a-straat 1] in [plaats] , waarna zij de loods zijn binnengegaan. Kort daarna zijn zij in een Volkswagen Passat en een vrachtwagen, welke vanwege het opschrift ‘ […] ’, is herkend als de Scania vrachtwagen met [kenteken 12] , vertrokken om vervolgens omstreeks 10.25 uur met diezelfde personenauto en vrachtwagen terug te keren bij de loods. [medeverdachte 1] is toen de loods binnengegaan en de verdachte zat als bijrijder in de Passat bij de loods. Vrijwel tezelfdertijd is de toegangspoort van de loods automatisch geopend en heeft [medeverdachte 2] de vrachtwagen met de achterzijde in de geopende toegangsport van de loods geparkeerd, waarop de verdachte en de medeverdachten zijn aangehouden.’ Het hof stelt vast dat de aangetroffen rooktabak op 9 november 2022 om 07.08 uur reeds in de loods aanwezig was.

37. Het hof overweegt voorts dat met de valse arbeidsovereenkomst tussen de verdachte en [C] in redelijkheid geen ander doel kan zijn beoogd ‘dan om een beweerdelijk bona fide karakter van verdachtes werkzaamheden in de loods voor te spiegelen’. Het stelt vast dat ‘de verbalisanten van de douane in de gehele loods de geur van tabak’ roken en dat ‘het niet anders kan zijn dan dat ook de verdachte de tabaksgeur moet hebben geroken’. [getuige] heeft de verdachte herkend als ‘de bijrijder van de Volkswagen Passat’ en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als respectievelijk de chauffeur van de vrachtwagen en de chauffeur van de Volkswagen Passat’. De vrachtwagen is op ten minste 25 verschillende dagen waargenomen bij de loods aan de [a-straat 1] in [plaats] ; de zwarte Volkswagen Passat is 29 keer ter plaatse waargenomen. Volgens [getuige] zijn het telkens de verdachte en de medeverdachten geweest die bij de loods aanwezig waren; daarbij maakten zij telkens gebruik van de Volkswagen Passat en de vrachtwagen. [getuige] verklaart voorts dat zij aan hem te kennen gaven dat zij speelgoed en elektronica opsloegen in Duitsland.

37. Het hof heeft, meen ik, uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de rooktabak die hij tezamen en in vereniging met anderen voorhanden had niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was betrokken. En het hof heeft daarbij kunnen betrekken dat de verdachte voor de uit de bewijsmiddelen volgende redengevende feiten en omstandigheden geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven.

40. Ook deze deelklacht faalt.

40. Daarmee faalt het middel.

Bespreking van het tweede middel

42. Het tweede middel bevat als gezegd eveneens een bewijsklacht. De steller van het middel meent dat de verdachte het hem tenlastegelegde heeft bestreden met een niet met de bewijsmiddelen strijdige alternatieve lezing van de gebeurtenissen die niet met de bewezenverklaring strookt, door aan te voeren dat hij met betrekking tot de tabak heeft gehandeld binnen de grenzen van de hem door zijn werkgever toevertrouwde taken en dat hij zijn taken heeft uitgevoerd volgens instructies van zijn werkgever. Daardoor zou er geen sprake kunnen zijn van voorhanden hebben in de zin van artikel 5 van de Wet op de accijns. Het hof zou bij de weerlegging van dit verweer niet voldoende specifiek hebben aangegeven aan welke wettige bewijsmiddelen de feiten en omstandigheden op basis waarvan het verweer verworpen is, ontleend zijn, en de weerlegging van het verweer zou zonder nadere motivering, welke ontbreekt, ook niet zonder meer begrijpelijk zijn.

42. De raadsvrouw van de verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 18 juni 2024, het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Deze houdt onder meer het volgende in:

‘12. Zoals in eerste aanleg al is gesteld, blinken de verklaringen van cliënten niet uit in helderheid. Dat is echter nog geen bewijs voor de kennis van illegaal tabak. Het ligt in de visie van de verdediging voor de hand om te stellen dat iemand uit Litouwen zonder noemenswaardige opleiding die in Nederland wordt aangehouden en te horen krijgt dat er kennelijk illegaal tabak in al die rijen met dozen zat, even niet meer weet waar hij het moet zoeken. Dat je je werkgever niet noemt wanneer je beseft dat je in de aap gelogeerd bent, is mijns inziens ook niet zo gek. Dat is immers degene die jou in één ruimte zet met die dozen waarvan blijkt dat het foute boel is en tegelijkertijd is het degene die jou al die tijd geld geeft. De afhankelijkheid van Oost Europese arbeiders van hun werkgever is – helaas – groot.

[C] - aanvullend pv

13. Aansluitend merk ik op dat het aanvullende pv – waarin staat dat [C] vermoedelijk een schijnmaatschappij is en dat niet blijkt van een normale uitkering van loon – ook niet bijdraagt aan de stelling dat cliënten kennis hadden van het feit dat de tabak niet in de heffing was betrokken. Nergens blijkt uit dat cliënten op de hoogte waren van het reilen en zeilen van [C] . Als dat wel zo was geweest, dan was dat wellicht een omstandigheid geweest waardoor je zou kunnen zeggen dat men moest weten dat er iets niet pluis was, maar ook niet meer dan dat.

14. In dit kader wijs ik naar een uitspraak van uw Hof waarin een eigenaar van een loods, deze loods heeft verhuurd en dacht dat er in de dozen die in de verhuurde loods aankwamen kleren voor Afrika zouden zitten. Hij had geen controle uitgevoerd op de ladingen die binnenkwamen, hij vroeg geen ID-papieren van degene die de dozen kwamen afleveren, hij heeft niet geverifieerd met wie hij de huurovereenkomst van de loods was aangegaan en tot slot, hij is niet nagegaan wie de contante betaling aan hem had verricht. Uw hof merkt op dat er uitermate lichtzinnig is gehandeld door deze persoon, maar dat niet kan worden vastgesteld dat hij kennis droeg van de niet veraccijnsde sigaretten noch dat hij voorwaardelijk opzet had. Ik haal deze zaak aan om aan te geven dat niet alles wat de meeste mensen in deze zaal anders zouden doen (girale uitbetaling van loon, etc.) meteen onderdeel kan zijn van strafbaar handelen. In deze zaak hebben we te maken met mensen met een andere cultuur en taal die makkelijk werk aannemen, ook als bij dat werk niet alle regels worden gevolgd. Dat blijkt wel uit de positie van met name Oost-Europeanen op de Nederlandse arbeidsmarkt.

15. Cliënten hebben overigens bij mij aangegeven dat zij hun geld contant kregen uitbetaald. Iets dat in Duitsland zeker niet ongebruikelijk is.’

44. Uw Raad heeft in een arrest van 16 maart 2010 inzake verweren waarin een alternatieve lezing van de gebeurtenissen wordt gegeven het volgende overwogen:

‘2.5. Als uitgangspunt heeft te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter - indien hij tot een bewezenverklaring komt - die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen.

Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.’

45. Het hof heeft inzake de gestelde arbeidsovereenkomst met [C] , zo bleek eerder, het volgende overwogen:

‘In eerste aanleg is door de verdediging aangevoerd dat de verdachte de transportwerkzaamheden heeft verricht uit hoofde van een arbeidsovereenkomst met [C] en ter onderbouwing daarvan is in eerste aanleg door de verdediging een arbeidsovereenkomst overgelegd. In hoger beroep is nader onderzoek verricht naar de betreffende Duitse onderneming. Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek aan de Duitse autoriteiten is informatie ontvangen en daaruit is het volgende naar voren gekomen, De onderneming [C] is op 1 mei 2018 fiscaal geregistreerd als detailhandelsfirma in consumentenelektronica, maar de werkelijke activiteiten konden niet worden achterhaald. Op het in de arbeidsovereenkomst vermelde adres van het bedrijf in Duitsland is geen firma met de naam [C] gevestigd; noch is daar een firma met die naam gevestigd geweest. Andere officiële en werkelijke vestigingen zijn niet bekend geworden. De jaaromzet kon niet worden achterhaald en evenmin is gebleken dat aangiften loonbelasting zijn gedaan of dat er loonlijsten zijn bijgehouden. Voorts is er geen omzetbelasting aangegeven of betaald. Officiële salarisuitbetalingen worden door de Duitse autoriteiten zeer onwaarschijnlijk geacht. De naam van de onderneming en de namen van haar werknemers zijn volgens de Duitse autoriteiten slechts in het kader van het onderhavige strafrechtelijk onderzoek naar voren gekomen. Een en ander maakt volgens de Duitse autoriteiten dat ervan moet worden uitgegaan dat het arbeidscontract alleen voor de schijn is opgesteld. Het hof schaart zich achter die conclusie.

Het vorenoverwogene leidt het hof tot het oordeel dat de arbeidsovereenkomst, die namens de verdachte is overgelegd, niet overeenkomstig de werkelijkheid is. Naar het oordeel van het hof kan met het overleggen van de valse arbeidsovereenkomst in redelijkheid dan ook geen ander doel zijn beoogd, dan om een beweerdelijk bona fide karakter van verdachtes werkzaamheden in de loods voor te spiegelen.

De in hoger beroep door de raadsvrouw ingenomen stelling dat bovenstaande vaststellingen aangaande de Duitse onderneming en de arbeidsovereenkomst niet redengevend kunnen worden geacht voor het bewijs, in welk verband zij voorts heeft opgemerkt dat de verdachte zijn geld contant kreeg uitbetaald, wordt door het hof niet gevolgd. Bij voormelde stand van zaken acht het hof het alternatieve scenario van de verdediging onaannemelijk en stelt het hof dat scenario als zodanig terzijde. Dit betekent dat het doen of het nalaten van de verdachte niet aan een werkgever moet worden toegerekend.’

46. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 20 januari 2023 houdt onder meer het volgende in:

‘De raadsvrouwe houdt op verzoek van haar cliënt een verklaring voor en legt die samen met een arbeidscontract van verdachte met [C] over. Genoemde stukken worden aan dit proces-verbaal gehecht.’

47. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg gehechte Engelstalige (vertaling van de) verklaring van verdachte houdt onder meer het volgende in:

‘I received an appealing offer from an acquaintance of mine who worked at a transport company in Germany. I needed to have my own vehicle and a certificate of self-employment issued in Germany (Gewerbe). The offer was no longer available by the time I finished handling all the formalities. I had purchased the vehicle using loaned funds. I was looking for ways to resolve the situation and for additional job to pay back the debt. I found this job offer in Germany in announcements. The job was not steady and looked like a good opportunity to earn some money to pay back the loan I had taken. The type of work I had to do was unloading, loading and sometimes transportation. We would load various pallets (wooden Euro-pallets). construction materials, agricultural machinery. Some pallets had carton and boxes. The job did not seem strange or suspicious. We had employment agreements with [C] . The company provided us with accommodation and vehicles for business purposes. would receive salary of EUR 1200.00 once per month as agreed. I was really confused during the detention and questioning because I was going through such a thing for the first time in my life. I could not understand what was happening because I did not speak the language that well. The court-appointed attorney recommended that I kept silent. I tried to contact [C] after I left the place of detention but without any success.’

48. De steller van het middel voert in de toelichting in de eerste plaats aan dat het hof het door de verdediging gevoerde Meer en Vaart-verweer heeft weerlegd door in een nadere bewijsoverweging feiten en omstandigheden op te nemen die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten zonder voldoende specifiek aan te geven aan welke wettige bewijsmiddelen het deze feiten en omstandigheden heeft ontleend.

48. Uw Raad heeft in een arrest van 24 juni 2003 het volgende overwogen:

‘4.2. Indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus - al dan niet in reactie op een bewijsverweer - beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging

(a) die feiten of omstandigheden aan te duiden, en

(b) het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.

Ingeval het feiten of omstandigheden betreft die zijn vervat in processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere schriftelijke bescheiden, dienen die stukken ter terechtzitting te zijn voorgelezen of moet daarvan aldaar de korte inhoud zijn medegedeeld.’

50. Aan deze regel wordt vrij strak de hand gehouden, zo illustreert een arrest van Uw Raad van 1 december 2020. Het hof had in de bewijsoverweging een aantal feiten en omstandigheden genoemd die het redengevend had geacht voor de bewezenverklaring. A-G Paridaens wees erop dat in de zaak van de medeverdachte dezelfde bewijsoverweging was gebezigd, en dat deze feiten en omstandigheden allemaal zonder meer konden worden afgeleid uit de in de zaak van de medeverdachte gebezigde bewijsmiddelen. Zij meende dat de verdachte geen rechtens te respecteren belang had bij vernietiging en terugwijzing op dit punt. Uw Raad casseerde desalniettemin: de enkele vaststelling dat de gegevens niet in de bewijsmiddelen waren vermeld terwijl het hof in zijn overweging evenmin met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel had aangegeven waaraan het die feiten of omstandigheden had ontleend volstond. Deze rechtspraak berust wellicht – mede – op de gedachte dat een heldere taakverdeling tussen hoven en Hoge Raad (ook met het oog op de werklast van de Hoge Raad) wenselijk is. In veel gevallen zal – met enig zoekwerk – wel te achterhalen zijn waar de overweging ten overvloede op is gebaseerd, en is de uitkomst na terugwijzing niet lastig te voorspellen.

51. Er lijkt meer ruimte te zijn om cassatie achterwege te laten als de bron waaraan de feiten en omstandigheden ontleend zijn ofwel via de bewijsmiddelen, ofwel langs andere weg zonder veel moeite te achterhalen is in de stukken van het geding. In een arrest van 3 februari 2015 had het hof in de bewijsoverweging een aantal feiten en omstandigheden redengevend geacht die niet waren vermeld in de gebezigde bewijsmiddelen. A-G Spronken liet zien dat deze feiten en omstandigheden waren ontleend aan processen-verbaal waarvan andere passages wel (als bewijsmiddelen 2 en 3) tot het bewijs waren gebezigd. Uw Raad wees op deze passage in de conclusie en oordeelde dat het middel in zoverre wegens gebrek aan belang niet tot cassatie kon leiden. In een arrest van 23 oktober 2007 overwoog Uw Raad dat de verwijzing in de bewijsoverweging naar ‘het bagagelabel’, dat zich bij de aan de verdachte voorgehouden stukken van geding bevond, voldoende nauwkeurig was en dat zonder meer duidelijk was dat de vaststelling dat ‘verdachte het gewicht van haar sporttas schat op rond de 11 kilo’ was gebaseerd op de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring.

52. Het hof wijst er in de bewijsoverweging op dat naar aanleiding van het gevoerde verweer in hoger beroep nader onderzoek is verricht naar de betreffende Duitse onderneming. Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek aan de Duitse autoriteiten is informatie ontvangen en daaruit zijn, aldus het hof, de gerelateerde feiten en omstandigheden naar voren gekomen. Aldus heeft het hof naar het mij voorkomt met voldoende precisie aangeduid aan welk wettig bewijsmiddel het deze feiten en omstandigheden heeft ontleend.

53. De steller van het middel klaagt voorts dat de weerlegging van het Meer en Vaart-verweer niet zonder meer begrijpelijk is. Op basis van de door het hof vastgestelde gegevens zou niet kunnen worden uitgesloten dat [C] feitelijk wel bestond. En zelfs als het bedrijf feitelijk niet bestond zou op basis van de door het hof aangehaalde feiten en omstandigheden niet kunnen worden vastgesteld dat de verdachte zich daarvan bewust was. Niet zou kunnen worden uitgesloten dat iemand uit naam van [C] opdracht heeft gegeven aan de verdachte om de rooktabak te laden en te lossen zonder dat de verdachte wist dat dit bedrijf feitelijk gezien niet bestond.

53. Uit de informatie die naar aanleiding van het rechtshulpverzoek is verstrekt, is naar voren gekomen dat [C] op 1 mei 2018 fiscaal is geregistreerd als detailhandelsfirma in consumentenelektronica. De werkelijke activiteiten konden niet worden achterhaald. Op het in de arbeidsovereenkomst vermelde adres van het bedrijf in Duitsland is de onderneming niet gevestigd (geweest) en andere officiële en werkelijke vestigingen zijn niet bekend geworden. De jaaromzet kon niet worden achterhaald en niet gebleken is dat aangiften loonbelasting zijn gedaan of dat omzetbelasting is betaald. Uit deze feiten en omstandigheden heeft het hof kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat [C] , voor zover al van een daadwerkelijk bestaande onderneming sprake is, geen rol heeft gespeeld in de onderhavige strafzaak.

53. Het hof wijst erop dat de arbeidsovereenkomst door de verdediging in eerste aanleg is overgelegd. Bij die arbeidsovereenkomst is een in het Engels gestelde schriftelijke verklaring van de verdachte gevoegd waarin de verdachte feiten en omstandigheden vermeld die erop gericht zijn bij het hof ingang te doen vinden dat van een regulier arbeidscontract sprake was. Nadere te controleren gegevens (een contactpersoon, bezochte bedrijven) worden evenwel door de verdachte en zijn raadsvrouw niet gemeld. Ook in een later stadium van het geding is door of namens de verdachte niets naar voren gebracht of overlegd dat aannemelijk maakt dat er daadwerkelijk van een serieuze arbeidsverhouding met [C] sprake was. Mede gelet op de overige inhoud van de bewijsvoering heeft het hof kennelijk aangenomen en kunnen aannemen dat de verdachte zich ervan bewust was dat de overgelegde arbeidsovereenkomst met [C] niet overeenkomstig de werkelijkheid was.

56. Het middel faalt.

Afronding

57. Beide middelen falen. In verband met de afdoening in cassatie wijs ik erop dat de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken. Ambtshalve wijs ik erop dat Uw Raad meer dan twee jaar nadat beroep in cassatie is ingesteld uitspraak zal doen; dat moet tot strafvermindering leiden. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

57. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Proces-verbaal algemeen dossier AD-001-01, pg. 3. Proces-verbaal van ambtshandeling AMB-009-01. Proces-verbaal van observatie OBS-001-01. Proces-verbaal van ambtshandeling AMB-009-01. Proces-verbaal van ambtshandeling AMB-009-01. Proces-verbaal van Observatie OBS-002-01. Proces-verbaal van inzet technisch hulpmiddel AMB-001-01. Proces-verbaal van ambtshandeling uitkijken camera [a-straat 1] [plaats] AMB-011-01. Proces-verbaal van ambtshandeling uitkijken camera [a-straat 1] [plaats] AMB-011-01. DOC-007-01. Proces-verbaal van Observatie: dinsdag 29 maart 2022 OBS-003-01. Proces-verbaal van Observatie: woensdag 13 april 2022 OBS-004-01. Proces-verbaal van ambtshandeling AMB-012-01. Proces-verbaal van observatie OBS-005-01. Proces-verbaal van observatie OBS-006-01. RHV-006-01A; RHV-001-05A. Proces-verbaal van Observatie: maandag 18 juli 2022 OBS-007-01. Proces-verbaal van bevindingen AMB-016-01. Proces-verbaal van ambtshandeling uitkijken camerabeelden [plaats] AMB-011-02. Proces-verbaal van ambtshandeling uitkijken camerabeelden [plaats] AMB-011-02 en DOC-008-01. Proces-verbaal van bevindingen bezoek loods ochtend 09 november 2022 AMB-016-01. V-0001-01, p. 9. V-003-01, p. 3 en 4. Proces-verbaal van bevindingen, nummer 2022-0142-01591/01. Overzichtsproces-verbaal, p. 12 in combinatie met DOC-012. DOC-016 tot en met DOC-025. Proces-verbaal van bevindingen loods [plaats] 09 november 2022 AMB-007-01 en AMB-010-01. Proces-verbaal van bevindingen loods [plaats] 09 november 2022.AMB-007-01, in combinatie met DOC-011 en het overzichtsproces-verbaal, p. 7. RHV-010-01A. Proces-verbaal van bevindingen AMB-010-01. Proces-verbaal van verhoor getuige […] . Proces-verbaal van verhoor verdachte V-001-01 en V-001-02. Artikel 72 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG, Pb 2009, L 9; vervangen door Richtlijn (EU) 2020/262 van de raad van 19 december 2019 houdende een algemene regeling inzake accijns (herschikking) met als implementatiedatum 13 februari 2023, Pb. L 58. HvJ EU 10 juni 2021, WR, C-279/19, ECLI:EU:C:2021:473. Vgl. EHRM 23 oktober 2014, nr. 27785/10, Melo Tadeu, ECLI:CE:ECHR:2014:1023JUD002778510. Vgl. ECLI:NL:GHSHE:2023:3899 en ECLI:NL:GHSHE:2024:373. Kamerstukken II 2008/09, 32 031, nr. 3 (Memorie van Toelichting), p. 8. Kamerstukken II 2008/09, 32 031, nr. 3 (Memorie van Toelichting), p. 23. Vgl. HR 29 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:659, r.o. 2.4.1. Vgl. HvJ EU 10 juni 2021, WR, C-279/19, ECLI:EU:C:2021:473, punt 24. Vgl. HvJ EU 10 juni 2021, WR, C-279/19, ECLI:EU:C:2021:473, punt 28. Vgl. HR 29 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:659, r.o. 2.4.2. Vgl. de conclusie van A-G Tanchev van 21 januari 2021 bij de zaak WR, C-279/19, ECLI:EU:C:2021:59. Vgl. ECLI:NL:GHSHE:2021:626; ECLI:NL:GHSHE:2024:167; ECLI:NL:GHSHE:2024:373; ECLI:NL:GHSHE:2024:1789; ECLI:NL:GHSHE:2024:1792; ECLI:NL:GHSHE:2024:1793; ECLI:NL:GHSHE:2024:1802; ECLI:NL:GHSHE:2024:1803; ECLI:NL:GHSHE:2024:1804 en ECLI:NL:GHSHE:2024:1805. En niet zoals de advocaat-generaal stelt ‘uitslag tot gebruik'. De accijns is een verbruiksbelasting die het verbruik belast en niet het gebruik. Na verbruik resteert van het goed niets, het is verbruikt, en na gebruik wel. Ook HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR 2003.AF0380 en HR 14 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9493 hebben hun betekenis sinds 1 april 2010 verloren. HR 29 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:659 en ECLI:NL:GHSHE:2023:3899. Foto’s DOC-005 en DOC-006. V-001-01. V-001-02. D. Smit (red.), Cursus Belastingrecht Europees Belastingrecht (Studenteneditie 2026-2027), Deventer: Wolters Kluwer 2026, p. 467 e.v. Zie mijn conclusie van vandaag in de zaak met zaaknummer 24/02636. K. Lindenberg en H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2026, p. 107. Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG, PB L 9 van 14.1.2009, blz. 12-30. Richtlijn (EU) 2020/262 van de Raad van 19 december 2019 houdende een algemene regeling inzake accijns, PB L 58 van 27.2.2020, blz. 4. HvJ EU 10 juni 2021, C-279/19, ECLI:EU:C:2021:473 (The Commissioners for Her Majesty's Revenue and Customs tegen WR). Wet van 23 december 2009 tot wijziging van de Wet op de accijns in verband met Richtlijn nr. 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 (PbEU L 9) (Implementatie horizontale richtlijn accijns), Stb. 2009, 608. Ik merk nog op dat ook HR 2 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3699, NJ 2009/8 niet op de uitleg van het opzet op het voorhanden hebben van accijnsgoederen ziet. In cassatie wordt geklaagd dat het hof ten onrechte bewezen heeft verklaard dat de verdachte in Nederland (kort gezegd) onveraccijnsde accijnsgoederen voorhanden heeft gehad. De belastingkamer van Uw Raad spreekt in HR 22 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2093 bij de Wet op de accijns over ‘feitelijke beschikkingsmacht’. Zie ook HR 29 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:659. Zie over het ‘betrokken’ zijn bij het voorhanden hebben HR 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:282. HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9194. HR 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:602. Vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584 en meer recent HR 16 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1700 HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, NJ 2010/314 m.nt. Buruma. HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004/165 m.nt. Reijntjes. Zie meer recent de formulering in HR 1 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1566 en HR 23 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:46. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1904. HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:202. HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70 m.nt. Borgers. Zie het proces-verbaal van bevindingen dat op 23 maart 2023 op ambtseed is opgemaakt door [verbalisant 1] . Uit HR 18 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:16 kan worden afgeleid dat het aan het hof vrijstond van deze verklaring kennis te nemen.