Strafrecht overig
Conclusie AG. Opzettelijk voorhanden hebben grote hoeveelheid tabaksproducten, terwijl die accijnsgoederen…
Parket bij de Hoge Raad, 7 juli 2026
ECLI:NL:PHR:2026:962 · Parket bij de Hoge Raad · 7 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-962
Zaakgegevens
Op 7 juli 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 juli 2026
- Datum publicatie
- 5 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/02636
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:962
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Opzettelijk voorhanden hebben grote hoeveelheid tabaksproducten, terwijl die accijnsgoederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken (art. 5.1.b Wet op de Accijns) en medeplichtigheid aan het opzettelijk vervaardigen van accijnsgoederen buiten een accijnsgoederenplaats (art. 5.1.a Wet op de accijns). 1. Afwijzing getuigenverzoeken en bewijsklacht plegen voorhanden hebben tabaksproducten. 2. Kwalificatie meermalen gepleegd. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 2 juli 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:2140Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 7 juli 2026deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2026:962
Hoge Raad · 6 oktober 2026
ECLI:NL:HR:2026:1619
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02636
Zitting 7 juli 2026
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte
-
De verdachte is bij arrest van 2 juli 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-001604-21) wegens 1 primair ‘opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden, meermalen gepleegd’ en 2 subsidiair ‘medeplichtigheid aan het opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden’ veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Het hof heeft voorts de teruggave aan de verdachte gelast van een inbeslaggenomen vorkheftruck.
-
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
-
Het eerste middel bevat de klacht dat het hof verzoeken tot het horen van een aantal getuigen heeft afgewezen op onjuiste, althans ontoereikende gronden.
-
Voordat ik het middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring en een deel van de bewijsvoering weer, alsmede passages uit stukken van het geding die op de getuigenverzoeken betrekking hebben.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘1. hij op 3 oktober 2018 te [plaats] , in strijd met het verbod van artikel 5, eerste lid, onder b, van de Wet op de accijns, opzettelijk een grote hoeveelheid accijnsgoederen, namelijk tabaksproducten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van genoemde wet, voorhanden heeft gehad, welke telkens niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken;
2. één of meer anderen, op één of meerdere tijdstippen in de periode van 6 september 2018 tot en met 3 oktober 2018 te [plaats] , in strijd met het verbod van artikel 5, eerste lid, onder a, van de Wet op de accijns, opzettelijk grote hoeveelheden accijnsgoederen, namelijk tabaksproducten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van genoemde wet, hebben vervaardigd buiten een accijnsgoederenplaats die voor voornoemd soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen,
bij en tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 6 september 2018 tot en met 3 oktober 2018 te [plaats] , opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, immers heeft hij, verdachte, de ruimte in de loods waarin de vervaardiging van de tabaksproducten plaatsvond aan die anderen ter beschikking gesteld.’
6. De bewezenverklaring van beide feiten steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘1. Het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 7 juni 2021, voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :
Ik ben economisch eigenaar van de loods [a-straat 1] in [plaats] . Op 3 oktober 2018 zijn in de loods sigaretten aangetroffen. Daar is de fabriek ontdekt. Twee andere gedeeltes van de loods, B1 en B2, waren niet verhuurd, daar was wel materiaal aanwezig. Daarin zit een fitness ruimte en een kantoor waar mijn vrouw de boekhouding doet. Ik zag daar wel een jeep en een boot. Ik kom daar soms om iets te pakken.
In de loods zijn ook andere ruimtes, B1 en B2. B1, het voorste gedeelte werd gebruikt als kantoor, mijn vrouw deed daar de administratie. In B2 stonden een boot en Jeep. In middelste gedeelte is volgens mij B2, min of meer privé opslag. B1, het voorste gedeelte, werd gebruikt als kantoor. Mijn vrouw deed daar de administratie.
Ook in die ruimtes zijn goederen aangetroffen die gelinkt kunnen worden aan sigaretten, de ruimte waar het kantoor was en de fitnessruimte. Daarachter stonden met zwarte folie ingewikkelde pallets, daarin zaten nieuwe lege sigaretten verpakking. Die pallets heb ik wel zien staan. Aan de achterkant van de hal stond een aggregaat, die heb ik niet zelf geplaatst.
De eerste keer dat ik ging controleren, weet ik niet meer zo goed wat ik daar zag. (...) ik weet dat ik machines zag die ik niet alledaags zag. (...) Bij de tweede controle zag ik andere machines dan bij de eerste controle.
Voor wat betreft de spullen die gerelateerd zijn aan de sigaretten, stonden in een ruimte waar ze niet horen. Omdat de huurders daar niet waren, werden de spullen in het hok gezet.
2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 oktober 2018 (…), voor zover – waar nodig zakelijk en samengevat weergegeven – inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte 1] :
Vraag verbalisanten:
Begrijpt u waarvan u wordt verdacht?
Antwoord gehoorde:
Ja, ik zou goederen vervaardigen zonder Accijns te betalen.
Vraag verbalisant:
Wat is uw reactie op deze verdenking?
Antwoord gehoorde:
Ik wist dat niet ik was uitgenodigd om te komen werken in de bouw en zolang er geen opdrachten waren in de bouw moesten wij doen wat we gedaan hebben. Wij hebben daar verschillende dingen gedaan in de loods. Meestal werkte ik in de keuken, soms moest ik iets brengen of verplaatsen. Dit betroffen dozen. Op enig moment wist ik dat in de dozen sigaretten zaten (...).
Vraag verbalisant:
Van waar naar waar heeft u die dozen gebracht?
Antwoord gehoorde:
Vanaf een apparaat naar een hoek in de loods.
Vraag verbalisanten:
Sedert wanneer bent u in Nederland en wat is de reden van uw komst naar Nederland?
Antwoord gehoorde:
Ik ben ongeveer 6 a 7 dagen geleden naar Nederland gekomen om te werken in de bouw. Ons is verteld dat wij koeienstallen gingen bouwen. Ik heb echter nooit in Nederland in de bouw gewerkt.
3. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 oktober 2018 (…), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte 2] :
Vraag verbalisanten:
Sedert wanneer bent u in Nederland en wat is de reden van uw komst naar Nederland?
Antwoord gehoorde:
Als ik mij niet vergis ben ik sinds 21 september 2018 in Nederland. Ik kreeg in Oekraïne aangeboden om in Nederland te gaan werken.
Vraag verbalisant:
Hoe bent u naar Nederland gekomen en wie heeft het vervoer naar Nederland betaald?
Antwoord gehoorde:
Ik ben met de auto naar Nederland gekomen. Wie het vervoer heeft betaald, weet ik niet. Ik verblijf op de plek waar de politie ons vandaag heeft aangehouden. Ja, daar sliep ik ook.
Vraag verbalisanten:
U bent vanochtend in de loods aangetroffen met welke reden was u daar aanwezig en of welke werkzaamheden heeft u daar verricht?
Antwoord gehoorde:
Mijn doel was om te werken en geld te verdienen. Ja, natuurlijk ik heb daar sigaretten gezien. Ik heb geholpen met het uit- en inladen van vrachtauto’s. Het waren pallets die afgedekt waren met folie. Ik heb alleen maar de pallets gelost. Ik deed dit niet de gehele dag. Af en toe had ik geen werk. Af en toe deed ik ook opruim- en schoonmaakwerkzaamheden.
Vraag verbalisanten:
Hoelang bent u hier al werkzaam en hoelang zijn de overige personen die in de loods zijn aangetroffen hier werkzaam?
Antwoord gehoorde:
Vanaf 21 september.
4. Het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 14 november 2018, (…), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :
Volgens onze informatie bent u niet de eigenaar van de loods gelegen op het adres [a-straat 1] maar wel de gebruiker.
Vraag verbalisanten:
Kunt u dit toelichten (verhouding eigenaar-exploitant)? Verhuurt u de loods zo ja aan wie?
Antwoord gehoorde:
Ik ben de economische gebruiker (de bescheiden die hier over gaan heb ik u net overhandigd, bijlage 1).
Door de FIOD is van u een foto ontvangen met betrekking tot een inbeslaggenomen gele vorkheftruck met opschrift TCM. Wij tonen u deze foto.
Vraag verbalisanten:
Wat kunt u hier over verklaren?
Antwoord gehoorde:
Dat is onze heftruck. Die wordt door ons gebruikt en in de grote hal van mijn vader. Er zat een gat in de lepel waar een koppeling doorheen kan waarmee boten verplaatst kunnen worden. Dat was het voornaamste doel van deze heftruck. Hij was tijdelijk uitgeleend aan de huurders van de achterste ruimte B-2 volgens het door u getoonde overzicht (DOC-017).
Opmerking verbalisanten:
In de loods [a-straat 1] , en wel specifiek in de gedeeltes:
[a-straat 1] GAR (in de achterste drie garages, gezien vanaf de weg)
[a-straat 1] B-2 is op woensdag 3 oktober 2018 door de FIOD tijdens een doorzoeking een productielijn voor het fabriceren van sigaretten aangetroffen. Deze productielijn stond in de loods genummerd als B2. Hierbij zijn ook veel al geproduceerde sigaretten aangetroffen, zowel los als in pakjes en sloffen. De machines waren bij aantreffen gevuld met tabak, filters en verpakkingsmateriaal. De pakjes sigaretten waren niet voorzien van de vereiste accijnszegels.
De loods op [a-straat 1] is niet aangewezen als een accijnsgoederenplaats.
5. Een schriftelijk bescheid, te weten een afschrift van een akte van economische overdracht d.d. 30 augustus 1994 (…), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende:
Afschrift van akte van economische overdracht voor [verdachte] te [plaats] betreffende de loods, genummerd [...] , met ondergrond en omliggende grond aan de [a-straat 1] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [...] sektie [...] nummer [...] , koopsom fl. 150.000 (gulden), datum der akte: 30 augustus 1994.
[betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1933 verkoper, [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1963, koper.
6. Een schriftelijk bescheid, te weten een controlelijst (…), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende:
7. Een schriftelijk bescheid, te weten een brief d.d. 16 augustus 2018 (…), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende:
[verdachte]
[a-straat 1]
[plaats]
AAN:
[getuige 5] gevestigd te
[b-straat 1]
, Polen
, 16-08-2018
Geachte [getuige 5] ,
Hierbij ontbinden wij de huurovereenkomst d.d. 01-05-2018, voor de huur van de achterste ruimte van de bedrijfshal, per 01-09-2018.
[verdachte]
[handtekening]
8. Een proces-verbaal van bevindingen [a-straat 1] , [plaats] d.d. 5 september 2018 (…), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
In het register van Kamer van Koophandel (hierna: KvK) zag ik dat onderstaande ondernemingen ingeschreven stonden op het adres [a-straat 1] in [plaats] :
Eenmanszaak [A] (eigenaar: [verdachte] )
Stichting [A] (eigenaar: [verdachte] en [betrokkene 2] )
[A] C.V. (eigenaar: Stichting [A] )
Eenmanszaak [A]
De activiteiten van de eenmanszaak werden op het uittreksel van de KvK als volgt omschreven:
- Goederenvervoer over de weg (geen verhuizingen);
- Handel in en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s (geen import van nieuwe);
- Groothandel in machines voor de bouw.
Stichting [A]
De activiteiten van de stichting werden op het uittreksel van de KvK als volgt omschreven:
- Organisatie/adviesbureaus, beheren en besturen van bedrijven.
[verdachte] is voorzitter van deze stichting en [betrokkene 2] is secretaris/penningmeester.
[A] C.V.
De activiteiten van de C.V. werden op het uittreksel van de KvK als volgt omschreven:
- Niet-gespecialiseerde groothandel in consumentenartikelen;
- Niet-gespecialiseerde groothandel in niet-consumentenartikelen;
- Groothandel in ongeregelde goederen alsmede de in- en export;
- Transportbedrijf.
Stichting [A] is de enige vennoot van de C.V. en onbeperkt bevoegd.
9. Een proces-verbaal van verdenking d.d. 7 november 2018 (…), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Aangetroffen transportbescheiden
Bij de actie op 3 oktober zijn in de loods [a-straat 1] (kantoor in ruimte B1) drie transportbescheiden en negen tolbriefjes in beslag genomen.
Het betreft twee vrachtbescheiden AVC en een CMR:
• DOC-007 een AVC-nummer [001] d.d. 22-08-2018 voor vervoer van "1 dozen 1080 sigaretten" met een totaal van "21.660", op de AVC is de opmerking "Retour Afz" vermeld;
• DOC-008 een AVC-nummer [002] d.d. 28-08-2018 voor vervoer van "1080 PC (pieces) sigaretten met een totaal van "21.660";
• DOC-009 een CMR nummer [003] , ongedateerd, voor vervoer van een aantal van "1 dozen 1080 sigaretten” met een totaal van "21.660".
De AVC’s betreffen transporten van afzender [betrokkene 3] , namens [B] BV, [c-straat 1] , [plaats] naar de ontvanger [C] , [d-straat 1] , [plaats] .
Het CMR betreft een transport van afzender [C] , [d-straat 1] , [plaats] naar de ontvanger [B] BV, [c-straat 1] , [plaats] .
Bevindingen loods (productielijn) [a-straat 1] [plaats]
De loods [a-straat 1] is volgens kadastrale informatie onderverdeeld in vier apart geregistreerde ruimten volgens de onderstaande enigszins onlogische volgorde:
[a-straat 1] , B-1 (voorste deel van de loods)
In ruimte B-1 is een WC, een keuken een fitnessruimte aanwezig en is verder vermoedelijk het kantoor van de EZ [A] van [verdachte] gevestigd gezien daar aangetroffen correspondentie en administratie inzake [A] .
De opslagruimte van B-1 is zichtbaar vanuit een raam in het kantoor en vanuit het kantoor (middellijk) via een deur in de fitnessruimte vrij benaderbaar.
In de opslagruimte van B-1 zijn bij de doorzoeking meerdere kartonnen dozen aangetroffen voor sloffen sigaretten met de merknaam “President” en kartonnen dozen met de opdruk "Mona".
[a-straat 1] , B-3 (middelste deel van de loods)
In de ruimte B-3 is een blauwe Quad aangetroffen van het merk Yamaha type YFM700R. Volgens informatie van de Rijksdienst voor het Wegverkeer staat deze onder het kenteken [kenteken 1] geregistreerd op naam van [betrokkene 2] (het hof begrijpt: de partner van de verdachte). Deze ruimte is vanuit ruimte B-1 toegankelijk via een deuropening.
In de ruimte B-3 zijn bij de doorzoeking folie, lijm en stapels lege nieuwe sigaretverpakkingen aangetroffen met de merknaam Marlboro White. Deze voorwerpen zijn te linken aan de aangetroffen illegale productielijn.
[a-straat 1] , B-2 (achterste deel)
In ruimte B-2, is de illegale productielijn voor sigaretten aangetroffen. Deze ruimte is niet van binnenuit benaderbaar vanuit de ruimten B-1 en B-3.
In dit gedeelte zijn behalve productiemachines, folie, lijm, tabak, sigaretten en volle als ook lege sigarettenverpakkingen aangetroffen met de merknamen Excellence en Marlboro Red en Marlboro White.
[a-straat 1] , Gar. (vanuit de voorkant gezien linksachter).
In ruimte B-4 was een slaap- en verblijfsruimte ingericht, bedoeld voor de bij de doorzoeking aangehouden Oekraïense (vermoedelijke) productiemedewerkers van de illegale productielijn.
10. Een proces-verbaal telling in beslag genomen accijnsgoederen loods [a-straat 1] [plaats] d.d. 16 januari 2019 (…), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] :
Doorzoeking loods
Op 3 oktober 2018 heeft er onder leiding van [naam 1] , rechter-commissaris van het Kabinet ‘s-Hertogenbosch, een doorzoeking ter inbeslagneming plaats gevonden in de loods die gelegen is achter het woonhuis van de verdachte [verdachte] te weten [a-straat 1] te [plaats] .
Tijdens de doorzoeking zijn uit deze loods een illegale productielijn voor sigaretten, hoeveelheden tabak als ook sigaretten met de merknamen Excellence of Marlboro in beslag genomen.
Vaststelling hoeveelheid accijnsgoederen
Door ons heeft telling plaats gevonden van de hoeveelheden tabak en sigaretten in verband met berekening van verschuldigde belastingen (accijnzen en omzetbelasting). Hierbij is door ons uitgekomen op de hoeveelheden zoals vermeld in de hieronder weergegeven tabel.
[BFK: volgt tabel]
11. Een proces-verbaal doorzoeking ter inbeslagname d.d. 4 oktober 2018 (…), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Op woensdag 3 oktober 2018 heeft er een doorzoeking ter inbeslagneming plaats gevonden in een loods met woonverblijven gelegen aan het adres [a-straat 1] te [plaats] .
De loods voorzien van het nummer [...] bestond uit enkele afgescheiden gedeeltes en in het achterste gedeelte (gezien vanaf de straatkant) was een opstelling van machines aanwezig voor het fabriceren van sigaretten. Deze machines waren bij aantreffen gevuld met tabak, filters en verpakkingsmateriaal.
In het achterste gedeelte was (aan de linkerzijde) ook een woonverblijf gemaakt bestaande uit een keuken, voorraadkamer (met etenswaren), een douche/wc, twee slaapverblijven voor 10 personen en een soort van woonkamer met tafel en TV.
In het achterste gedeelte waren diverse attributen aanwezig voor het maken van sigaretten (o.a. tabak/sigarettenpapier/filters/lege nog niet gevouwen pakjes sigaretten o.a. van de merken Excellence en Marlboro/cellofaan).
Daarnaast waren in het achterste gedeelte op diverse plaatsen losse gefabriceerde sigaretten, gevulde pakjes met sigaretten en (al verpakte voor vervoer klaargemaakte) sloffen sigaretten aanwezig.
Tijdens de doorzoeking zijn er door de rechter-commissaris voorwerpen inbeslaggenomen. Deze voorwerpen staan vermeld op een lijst “inbeslaggenomen voorwerpen.
Opmerking verbalisant:
Naast enkele volle dozen met tabak werden buiten de loods, aan de achterzijde, 39 stuks lege dozen aangetroffen. Net als de volle dozen droegen deze dozen het opschrift “unmanufactured tobacco/blended strips”) en kon elk van deze dozen netto 120 kg bevatten. De lege dozen zijn niet in beslag genomen maar wel gefotografeerd.
12. Een schriftelijk bescheid, te weten een lijst van inbeslaggenomen goederen (…) voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende:
IBN-CODE OMSCHRIJVING GOEDEREN
(…)
A. 01.01.003 Vrachtbrieven en CMR (sigaretten) en bonnen [...]
(…)‘
7. Het hof heeft in verband met de bewezenverklaring onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
‘Bewijsoverwegingen
A.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd. De verdachte had volgens de verdediging geen wetenschap van de aanwezigheid, van de illegale sigarettenfabriek en onveraccijnsde sigaretten en andere tabaksproducten in de loods. Daarom is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair tenlastegelegde te kunnen komen, aldus de raadsman. Aangezien de verdachte nimmer opzet op het gronddelict heeft gehad, kan in de visie van de verdediging niet worden aangetoond dat sprake is geweest van het voor een bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid vereiste dubbel opzet. Bewijsmiddelen die wijzen op betrokkenheid van de verdachte, al dan niet als medepleger, bij het vervaardigen van de sigaretten ontbreken, zodat volgens de raadsman voor het onder feit 2 primair tenlastegelegde eveneens vrijspraak dient te volgen. De raadsman heeft voorts betoogd dat de conclusie van vrijspraak ook aan de onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan het vervaardigen moet worden verbonden, op dezelfde gronden als met betrekking tot het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde is aangevoerd.
(…)
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
B.
Op 3 oktober 2018 heeft de Belastingdienst/FIOD een loods aan de [a-straat] te [plaats] doorzocht. Deze loods bevindt zich achter het woonhuis van de verdachte en is economisch eigendom van de verdachte. In de betreffende loods werd door de Belastingdienst/FIOD, in het achterste gedeelte (in het procesdossier aangeduid als ruimte B2), een illegale productielijn voor sigaretten gevonden. Tevens werden 1.692.500 sigaretten, 1.680 kilogram rooktabak en diverse andere producten die nodig zijn voor het produceren van sigaretten aangetroffen. Buiten, aan de achterzijde van de loods, werden 39 lege dozen aangetroffen met het opschrift ‘unmanufactured tobacco/blended strips’. In het middelste gedeelte van de loods (in het procesdossier aangeduid als B3) stonden pallets met zwarte folie omwikkeld met daarin lege nieuwe sigarettenverpakkingen met daarop de merknaam Marlboro. In deze ruimte stonden eveneens emmers met lijm, identiek aan de lijm aangetroffen in de ruimte met de productielijn. Voorts was in deze middelste ruimte een quad gestald, die op naam van de partner van de verdachte stond. Het voorste gedeelte van de loods (in het procesdossier aangeduid als B1) werd gebruikt voor opslag en tevens waren er aldaar een kantoor (dat door de verdachte en zijn partner werd gebruikt) en een fitnessruimte. In het opslaggedeelte van deze ruimte van de loods zijn in het zicht kartonnen dozen aangetroffen voor sloffen sigaretten met de merknaam ‘President’. In het kantoorgedeelte gelegen in de (in het procesdossier aangeduide) ruimte B1 zijn drie vrachtbrieven aangetroffen. Uit deze vrachtbrieven in het procesdossier komt naar voren dat sprake is geweest van vervoer van sigaretten door [A] , de eenmanszaak van de verdachte, waarin zijn transportonderneming is ondergebracht. Mede bij de opdrachtgever van deze transporten, te weten [B] B.V. te [plaats] , zijn op 9 november 2018 48 miljoen sigaretten in beslag genomen. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte desgevraagd op vragen van de rechtbank over deze sigarettentransporten niets willen verklaren.
In ruimte die in het procesdossier is aangeduid als GAR zijn tijdens de doorzoeking op 3 oktober 2018 zeven personen van Oekraïense nationaliteit aangetroffen. Zij bleken te wonen in een woongedeelte dat was gesitueerd in drie verbouwde garageboxen. Dit woongedeelte stond in directe verbinding met het aangeduide gedeelte B2 van de loods waar de machines voor het maken van sigaretten zich bevonden.
C.
De verdachte staat ingevolge het onder feit 1 primair tenlastegelegde terecht ter zake van het als (mede)pleger opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid accijnsgoederen, te weten tabaksproducten (sigaretten), terwijl die goederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken. In de onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde variant wordt de verdachte medeplichtigheid aan het opzettelijk voorhanden hebben van die onveraccijnsde goederen door één of meer anderen verweten.
Voorts wordt de verdachte verdacht van het (mede)plegen van het opzettelijk vervaardigen van een grote hoeveelheid accijnsgoederen, te weten tabaksproducten, buiten een accijnsgoederenplaats, zoals onder feit 2 primair aan hem ten laste is gelegd. Onder het feit 2 subsidiair tenlastegelegde wordt de verdachte verweten dat hij daaraan medeplichtig is geweest door de ruimte in de loods waarin de vervaardiging plaatsvond ter beschikking te stellen.
Het hof stelt vast dat tenlastelegging is toegesneden op artikel 5 van de Wet op de accijns (tekst 2018). Artikel 5, eerste lid, van de Wet op de accijns luidde toen als volgt:
‘Het is niet toegestaan:
a. een accijnsgoed te vervaardigen buiten een accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen:
b. een accijnsgoed voorhanden te hebben dat niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de heffing is betrokken.’
Artikel 1 van de Wet op de accijns luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:
‘1. Onder de naam accijns wordt een belasting geheven van:
(..)
f. tabaksproducten.
2. De accijns wordt verschuldigd ter zake van de uitslag tot verbruik van de in het eerste lid bedoelde goederen.’
Artikel 2, eerste lid, aanhef, onderdelen b en c van de Wet op de accijns luidt als volgt:
‘1. In deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen wordt verstaan onder uitslag tot verbruik:
b. het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving;
c: de productie, met inbegrip van onregelmatige productie, van accijnsgoederen buiten een accijnsschorsingsregeling;'
Artikel 51, eerste lid, aanhef, onderdelen b en c luiden als volgt:
‘1. De accijns wordt geheven van
b. bij toepassing van artikel 2, eerste lid, onderdeel b: de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft en enig andere persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is:
c. bij toepassing van artikel 2, eerste lid, onderdeel c: de persoon die de accijnsgoederen produceert en, in geval van onregelmatige productie, enig andere persoon die bij de productie ervan betrokken is geweest:’
Overtreding van artikel 5 van de Wet op de accijns is als misdrijf strafbaar gesteld bij artikel 97 van die wet:
‘Degene die opzettelijk een in artikel 5 opgenomen verbod overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie o6,f indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven accijns.‘
De Wet op de accijns is een implementatie van de Richtlijn 2008/118/EG. Dit houdt in dat het begrip ‘voorhanden hebben’ een Unierechtelijk begrip is, dat Unierechtelijk moet worden uitgelegd. Ook het begrip ‘betrokken zijn bij het voorhanden hebben’ door een ander van onveraccijnsde accijnsgoederen is een Unierechtelijk begrip, dat Unierechtelijk moet worden uitgelegd. Aangezien de verdachte wordt verdacht van overtreding van de Wet op de accijns, dient de uitleg van de hiervoor genoemde begrippen overeenkomstig plaats te vinden bij de beoordeling van een fiscale strafzaak als de onderhavige. Voorts is een rechtens juiste uitleg van die begrippen van belang voor (mogelijke parallel lopende) belastingprocedures over de juistheid van opgelegde naheffingsaanslagen voor de accijns.
Uit de wetsgeschiedenis bij de implementatie van de Richtlijn 2008/118/EG per 1 april 2010 blijkt het volgende:
‘Het enkele voorhanden hebben van deze accijnsgoederen wordt door de Accijnsrichtlijn 2008 dus aangemerkt als een zelfstandig belastbaar feit. Het huidige artikel 2f van de wet voorziet voor deze situatie in een belastbaar feit. De toepassing van deze bepaling in de praktijk is zeer sterk ingeperkt door de jurisprudentie van de Hoge Raad, (...). De in de jurisprudentie van de Hoge Raad ontwikkelde voorwaarden voor toepassing van artikel 2f, zoals de feitelijke beschikkingsmacht en het wetenschapsvereiste, zijn voor de toepassing van het nieuwe artikel 2, eerste lid, onderdeel b, niet meer van belang. Ter zake van het in deze bepaling bedoelde «voorhanden hebben» wijst de Accijnsrichtlijn 2008 (artikel 8, eerste lid, onderdeel b) als belastingplichtige aan «de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft of enig ander persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is». Dit betekent dat ook een persoon, die niet de feitelijke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen heeft, maar wel betrokken is bij het voorhanden hebben van die goederen, als belastingplichtige kan worden aangemerkt. De Accijnsrichtlijn 2008 vereist voorts niet dat degene die accijnsgoederen voorhanden heeft wetenschap droeg of redelijkerwijs had moeten dragen van het feit dat de goederen niet conform de wettelijke bepalingen in de heffing zijn betrokken (wetenschapsvereiste).’
Uit de wetsgeschiedenis bij de implementatie van de Richtlijn 2008/118/EG per 1 april 2010 volgt verder dat het begrip ‘enig andere persoon die bij het voorhanden ervan betrokken is’ betekent:
‘(...) dat ook een persoon, die niet de feitelijke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen heeft, maar wel betrokken is bij het voorhanden hebben van die goederen, als belastingplichtige kan worden aangemerkt'. (...) Op grond van artikel 51, eerste lid, onderdeel b, van de wet kan de accijns dus ook worden geheven van bijvoorbeeld de handlangers van degene die accijnsgoederen feitelijk voorhanden heeft of van het brein achter een fraude.’
Met artikel 51, eerste lid, onder b, van de Wet op de accijns is uitvoering gegeven aan hetgeen artikel 8, eerste lid, onder b, van de Richtlijn 2008/118/EG voorschrijft. Het moet daarom overeenkomstig die richtlijnbepaling worden uitgelegd. Het begrip ‘de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft’ als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, van de Richtlijn 2008/11 8/EG ziet in het gewone spraakgebruik op een persoon die deze goederen fysiek tot zijn beschikking heeft. Uit de wijziging van voornoemde richtlijn per 1 april 2010 volgt evenwel dat niet noodzakelijk is dat die persoon de feitelijke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen heeft. Voorts is niet relevant of de desbetreffende persoon een recht of enig belang kan doen gelden met betrekking tot die goederen. Sinds de inwerkingtreding van de Richtlijn 2008/118/EG per 1 april 2010 is – anders dan voorheen – volgens Unierecht evenmin relevant of deze persoon weet of redelijkerwijs had behoren te weten dat voor die goederen accijns wordt verschuldigd (er geldt aldus geen wetenschapsvereiste). Uit de omstandigheid dat behalve de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft, iedere andere persoon die is betrokken bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen, in artikel 8, eerste lid, onder b, van de Richtlijn 2008/118/EG is aangewezen als schuldenaar, moet worden afgeleid dat de richtlijngever een ruime kring van personen heeft aangewezen als schuldenaar van de accijnsschuld.
Het voorgaande betekent dat bij de beoordeling van een strafrechtelijke verdenking van overtreding van artikel 5 van de Wet op de accijns door de rechter het volgende beslisschema dient te worden gehanteerd, waarbij de hiernavolgende twee van elkaar te onderscheiden stappen dienen te worden gezet.
Stap 1: ‘voorhanden hebben’ volgens Unierecht
Allereerst dient, met inachtneming van het voormelde toetsingskader, te worden vastgesteld of sprake is van ‘voorhanden hebben’ als bedoeld in de Wet op de accijns. In de regel zal die vraag snel bevestigend worden beantwoord: in wezen is namelijk sprake van een risicoaansprakelijkheid. Daarbij zij opgemerkt dat dit begrip, zoals hiervoor is overwogen, anders dient te worden uitgelegd dan in het commune strafrecht pleegt te gebeuren: aan het voorhanden hebben in vorenbedoelde zin is namelijk reeds voldaan als de verdachte bij het voorhanden hebben van de onveraccijnsde accijnsgoederen betrokken is. Bij ‘voorhanden hebben’ als bedoeld in de Wet op de accijns is – sinds 1 april 2010 – aldus:
- niet relevant als de verdachte niet de feitelijke beschikkingsmacht over de onveraccijnsde accijnsgoederen heeft;
- het al dan niet aanwezig zijn van wetenschap van de hoedanigheid van de goederen en de wetenschap van de omstandigheid dat de goederen niet overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de bepalingen van de Wet op de accijns in Nederland of elders in de Unie in de heffing zijn betrokken, bij de beoordeling of sprake is van ‘voorhanden hebben’ in de zin van de Wet op de accijns niet relevant.
Stap 2: voor strafrechtelijke aansprakelijkheid is (voorwaardelijk) opzet vereist
Vervolgens dient de rechter te beoordelen of de verdachte dat voorhanden hebben opzettelijk heeft gedaan, in de zin dat de verdachte willens en wetens onveraccijnsde goederen voorhanden heeft gehad, waarbij voorwaardelijk opzet als ondergrens heeft te gelden. Het opzet behoeft sinds 1 april 2010 niet zonder meer te worden afgeleid uit de feitelijke beschikkingsmacht over de onveraccijnsde accijnsgoederen en ook niet uit de wetenschap van de hoedanigheid van de goederen en de wetenschap van de omstandigheid dat de goederen ten onrechte niet (in Nederland of elders in de Unie) in de heffing zijn betrokken. Voor strafrechtelijke aansprakelijkheid kan sinds 1 april 2010 het opzet ook worden gebaseerd op feiten waaruit volgt dat een persoon opzettelijk betrokken raakt bij het voorhanden hebben, zonder dat die persoon de feitelijke beschikkingsmacht over de onveraccijnsde accijnsgoederen heeft en zonder dat hij de vorenbedoelde wetenschap heeft.
D.
Indachtig het vorenbedoelde beslisschema, overweegt het hof in deze zaak als volgt
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de Belastingdienst/FIOD in de loods onder andere onveraccijnsde sigaretten en andere tabaksproducten aantrof die niet waren voorzien van accijnszegels. Er was dus voor die tabaksproducten geen accijns geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving. Tevens is komen vast te staan dat ter plaatse geen vergunning was afgegeven om als accijnsgoederenplaats te mogen fungeren.
Het hof stelt vast dat de verdachte woonachtig is aan de [a-straat 1] te [plaats] en dat de hiervoor bedoelde loods direct achter het woonhuis van de verdachte is gelegen. De verdachte had die loods in economisch eigendom. Uit de door de verdachte ten overstaan van de rechtbank afgelegde verklaring volgt dat hij toegang had tot de loods en daar ook is geweest.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte de onveraccijnsde tabaksproducten voorhanden heeft gehad. Dat de verdachte die goederen tezamen en in vereniging met een of meer anderen voorhanden heeft gehad is het hof niet gebleken, zodat de verdachte van het onder feit 1 primair tenlastegelegde medeplegen zal worden vrijgesproken.
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte overigens verklaard het achterste gedeelte van de loods verhuurd te hebben. Uit het procesdossier komt naar voren dat de verdachte het achterste gedeelte van de loods per 1 mei 2018 zou hebben verhuurd aan [getuige 5] . Ook zou de verdachte op 16 augustus 2018 een brief hebben gestuurd aan de huurder waarin hij de huurovereenkomst heeft ontbonden per 1 september 2018. Uit de inspectielijst die de verdachte heeft overhandigd aan de Belastingdienst/FIOD komt naar voren dat de verdachte op 5 september 2018 een controle heeft gedaan met (naar het hof begrijpt) de huurder en dat deze alles volgens afspraak heeft opgeruimd en bezemschoon heeft achtergelaten. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat de huurovereenkomst weliswaar was opgezegd, maar dat het achterstallig zijn met huurbetaling onvoldoende juridische grondslag zou hebben geboden om de overeenkomst daadwerkelijk op te kunnen zeggen en deze huurder feitelijk uit het gehuurde te zetten, waardoor deze na vertrek uit het pand op 5 september 2018 weer is teruggekeerd. Deze gang van zaken acht het hof met de rechtbank onaannemelijk, reeds omdat deze op geen enkele manier door de inhoud van het procesdossier wordt ondersteund en er ook overigens daarvoor geen aanknopingspunten uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Nu niet anders is gebleken gaat het hof er dan ook vanuit dat met het vertrek van de huurder de verhuur feitelijk is beëindigd en dat er na 5 september 2018 tot en met de doorzoeking op 3 oktober 2018 geen sprake is geweest van verhuur van het achterste gedeelte van de loods en de verdachte de toegang had tot de gehele loods, inclusief dit gedeelte van de loods en de tabaksproducten en producten die in de loods zijn aangetroffen. Daarbij betrekt het hof de omstandigheid dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte ook daadwerkelijk in de loods is geweest, Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat de verdachte op 3 oktober 2018, de dag waarop de onveraccijnsde goederen zijn ontdekt, als een enig ander persoon betrokken is bij het voorhanden hebben ervan.
De vervolgvraag waarvoor het hof zich gesteld ziet is of de verdachte opzettelijk de onveraccijnsde goederen voorhanden heeft gehad. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Ter plaatse was geen vergunning aan de aan het adres verbonden personen (waaronder de verdachte) afgegeven voor een accijnsgoederenplaats. Indien dat wel het geval zou zijn geweest, dan zou de verdachte dat hebben geweten. Er was aldus in de loods sprake van het vervaardigen van onveraccijnsde sigaretten buiten een accijnsgoederenplaats. Uit de uit de bewijsmiddelen naar voren komende feiten en omstandigheden – waaronder de aanwezigheid van een werkend aggregaat, verpakkingen in de machines, grondstoffen en het aanwezig zijn van eindproducten – volgt genoegzaam dat sprake was van een (al enige tijd) functionerende productielijn. Voorts zijn, zoals hiervoor onder B. is overwogen, in ruimtes van de loods – alwaar de verdachte ook kwam – aan illegale sigarettenproductie te relateren goederen aangetroffen. Aangezien er na 5 september 2018 tot en met de doorzoeking op 3 oktober 2018 geen sprake is geweest van verhuur van het achterste gedeelte van de loods, de verdachte de toegang had tot de gehele loods en uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte ook in de loods is geweest, moet de verdachte naar het oordeel van het hof op de hoogte zijn geweest van de hoedanigheid van de goederen waarbij hij betrokken is geraakt.
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verdachte onder de gegeven omstandigheden minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard om de aangetroffen onveraccijnsde tabaksproducten op 3 oktober 2018 voorhanden te hebben. Het hof ziet zich in dat oordeel gesterkt gezien het feit dat de verdachte met zijn onderneming op 22 en 28 augustus 2018 en op een onbekende datum in totaliteit driemaal een transport van sigaretten heeft verzorgd en in de op het naastgelegen terrein staande loods van zijn vader eveneens op 3 oktober 2018 een grote hoeveelheid onveraccijnsde sigaretten zijn aangetroffen.
Het hof is derhalve van oordeel dat de verdachte op 3 oktober 2018 opzettelijk een grote hoeveelheid onveraccijnsde tabaksproducten voorhanden heeft gehad in de zin van artikel 5 van de Wet op de accijns.
Voor een bewezenverklaring van het onder feit 2 primair tenlastegelegde opzettelijk vervaardigen van een grote hoeveelheid accijnsgoederen, te weten tabaksproducten, buiten een accijnsgoederenplaats, ontbeert het procesdossier bewijsmiddelen waaruit volgt dat de verdachte zelf actief aan het productieproces heeft bijgedragen. Evenzeer schiet het bewijs ervoor tekort om te kunnen oordelen dat de verdachte dat in nauwe en bewuste samenwerking met een of meer anderen zou hebben gedaan. Het hof zal de verdachte daarom, zoals reeds hiervoor is overwogen, vrijspreken van het onder feit 2 primair tenlastegelegde (mede)plegen van het opzettelijk vervaardigen van een grote hoeveelheid tabaksproducten buiten een accijnsgoederenplaats.
Het is voor het hof echter zonneklaar dat gezien de professionele opzet van de productielijn en omvang van de aangetroffen aan die productie te relateren goederen sprake moet zijn geweest van een samenwerking tussen meerdere onbekend gebleven personen om die productielijn op te tuigen en te exploiteren en dat de ter beschikking gestelde loods van de verdachte voor de illegale productie is gebruikt. Gelet op de aanwezigheid van een werkend aggregaat, verpakkingen in de machines, slaapplaatsen voor arbeiders, grondstoffen en het aanwezig zijn van eindproducten moet die illegale productie gedurende enige tijd (na 5 september 2018, toen de huur is beëindigd) hebben plaatsgevonden.
Voor een bewezenverklaring van de rol van de verdachte als medeplichtige, zoals onder feit 2 subsidiair aan hem ten laste is gelegd, is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in artikel 48, aanhef en sub 1, van het Wetboek van Strafrecht, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader(s) gepleegde misdrijf (zijnde het gronddelict). Gezien al hetgeen hiervoor is overwogen en de uit de bewijsmiddelen naar voren komende feiten en omstandigheden is het hof, anders dan de verdediging, maar met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat sprake is van dubbel opzet aan de zijde van de verdachte. Hij heeft immers opzettelijk aan één of meer anderen zijn loods ter beschikking gesteld om aldaar de onveraccijnsde sigaretten te kunnen vervaardigen en had ook minstgenomen voorwaardelijk opzet op dat vervaardigen. De omstandigheid dat de eerdere huurovereenkomst met [getuige 5] op 5 september 2018 was beëindigd doet overigens naar het oordeel van het hof niet af aan een bewezenverklaring van het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde, omdat zulks niet uitsluit dat één of meer anderen nadien in de loods feitelijk de onveraccijnsde sigaretten hebben vervaardigd.
E.
Aldus falen de verweren van de verdediging. Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.’
Passages uit de processtukken betreffende getuigenverzoeken
8. De tijdig ingediende appelschriftuur houdt onder meer het volgende in:
‘Voorts wenst cliënt middels deze schriftuur te kennen te geven dat hij de navolgende getuigen wenst te horen:
1. [getuige 1] , geboren op [geboortedatum] 1991, wonende te [e-straat 1] te [plaats] te Oekraïne zoals genoemd op pagina 145 van het eind proces-verbaal.
De verdediging wenst voornoemde getuige te horen omtrent de werkgever waarover getuige spreekt op pagina 146 van het eindproces-verbaal. De verdediging wenst hem nader te horen omtrent de wijze waarop getuige in de loods terecht is gekomen alsmede omtrent de contacten met zijn werkgever dan wel derden omtrent de loods. De getuige spreekt voorts over het in bezit hebben van contactgegevens. Uit het verhoor blijkt dat hier niet nader op doorgevraagd is. De verdediging wenst de getuige dan ook nader te bevragen omtrent deze contactgegevens en of deze contactgegevens zijn overgedragen dan wel dat getuige nadien na zijn vrijlating nog contact heeft gehad middels het gebruik van deze contactgegevens. De getuige is voorts in de directe nabijheid geweest van cliënt en de loods. De getuige kan dan ook nader verklaren wie en welke personen mogelijk aanwezig waren in de loods en wie hij daar al dan niet heeft waargenomen. De verdediging wenst hem dan ook nader te bevragen wat de vermeend specifieke rol zou zijn geweest van cliënt. Door het horen van de getuige is de verdediging in staat haar verweer nader te onderbouwen dat cliënt dient te worden vrijgesproken daar zij middels het horen van de getuige haar verweren nader kan onderbouwen dat er geen sprake is van medeplegen dan wel medeplichtigheid aan de veronderstelde feiten.
2. [getuige 2] , geboren op [geboortedatum] 1968, wonende te [f-straat 1] te [plaats] , te Oekraïne, zoals genoemd op pagina 135 van het eind proces-verbaal.
De verdediging wenst deze getuige nader te bevragen omtrent zijn werkzaamheden alsmede wie er mogelijk wel zou hebben geproduceerd in de ruimte waarin de getuige is aangetroffen. De getuige geeft aan dat het apparaat het niet deed. De verdediging wenst deze getuige nader te bevragen op dit punt nu ten laste is gelegd dat er sprake zou zijn van vervaardiging. De verdediging wenst getuige voorts te bevragen of cliënt enige rol had bij de vermeende productie en zo ja, welke rol. Voorts wenst de verdediging deze getuige nader te bevragen omtrent de aanwezige personen en wie welke rol zou hebben gehad. Door het horen van de getuige is de verdediging in staat haar verweer nader te onderbouwen dat cliënt dient te worden vrijgesproken daar zij middels het horen van de getuige haar verweren nader kan onderbouwen dat er geen sprake is van medeplegen dan wel medeplichtigheid aan de veronderstelde feiten.
3. [getuige 3] , geboren op [geboortedatum] 1975, wonende te [g-straat 1] te [plaats] , te Oekraïne, zoals genoemd op pagina 7 en pagina 170 van het eind proces-verbaal.
De verdediging wenst de getuige nader te bevragen omtrent de contacten zoals hij die heeft gehad teneinde werk te krijgen wat er kennelijk in heeft geresulteerd dat hij in de loods is aangetroffen. De getuige verklaart dat hij alleen in de loods heeft gewerkt welke werkzaamheden hebben bestaan uit bouwwerkzaamheden gericht op het dak en muurisolatie. De verdediging wenst deze getuige voorts te bevragen omtrent de vermeende vervaardiging van tabaksproducten en de vermeende rol van cliënt en de contacten met de personen in de loods en eventueel daarbuiten. Door het horen van de getuige is de verdediging in staat haar verweer nader te onderbouwen dat cliënt dient te worden vrijgesproken daar zij middels het horen van de getuige haar verweren nader kan onderbouwen dat er geen sprake is van medeplegen dan wel medeplichtigheid aan de veronderstelde feiten.
4. [getuige 4] , geboren op [geboortedatum] 1981, wonende te [h-straat 1] te [plaats] , te Oekraïne, zoals genoemd op pagina 174 van het eind proces-verbaal.
De verdediging wenst hem nader te bevragen omtrent de contacten welke hebben geleid tot het verblijf in de loods en de door hem ontvangen instructies en eventuele werkzaamheden in de loods. Voorts wenst de verdediging hem nader te bevragen omtrent zijn contacten met de personen in de loods alsmede buiten de loods. De verdediging wenst hem voorts te bevragen omtrent de vermeende rol van cliënt. Door het horen van de getuige is de verdediging in staat haar verweer nader te onderbouwen dat cliënt dient te worden vrijgesproken daar zij middels het horen van de getuige haar verweren nader kan onderbouwen dat er geen sprake is van medeplegen dan wel medeplichtigheid aan de veronderstelde feiten.
5. [getuige 5] , geboren op [geboortedatum] 1987, wonende te [plaats] , [b-straat 1] , te Polen, zoals genoemd op pagina 184 en 208 van het eind proces-verbaal.
De verdediging wenst de getuige nader te bevragen omtrent de redenen van het huren van de loods. De verdediging wenst hem voorts nader te bevragen omtrent zijn bedoelingen met de loods en hoe de personen die zijn aangetroffen in de loods daar zijn gekomen. De verdediging wenst hem voorts nader te bevragen omtrent de aangetroffen goederen en de vermeende productie daarvan. Voorts wenst de verdediging deze getuige nader te bevragen omtrent de voortgang van de huur nadat cliënt heeft gecommuniceerd omtrent het stoppen van de verhuur. Daaraan gekoppeld wenst de verdediging hem voorts te bevragen of cliënt enige rol had in dan wel bij de strafbare feiten zoals die ten laste zijn gelegd. Door het horen van de getuige is de verdediging in staat haar verweer nader te onderbouwen dat cliënt dient te worden vrijgesproken daar zij middels het horen van de getuige haar verweren nader kan onderbouwen dat er geen sprake is van medeplegen dan wel medeplichtigheid aan de veronderstelde feiten. Voorts wordt de verdediging in staat gesteld de betrouwbaarheid van de verklaring van cliënt nader te onderbouwen.
6. [getuige 6] welke een storting heeft gepleegd vanaf bankrekeningnummer [rekeningnummer 1]
De verdediging wenst getuige nader te bevragen omtrent de redenen van betaling van de huur dan wel in opdracht van wie deze betalingen zijn verricht. De betalingen zijn verricht vanaf een bankrekeningnummer waarbij via het bankrekeningnummer te achterhalen is van wie deze bankrekening is. Ervan uitgaande dat dit bankrekeningnummer behoort bij [getuige 6] wenst de verdediging deze getuige dan ook te horen. Mocht blijken dat het bankrekeningnummer op een andermans naam staat dan wenst de verdediging deze persoon te horen teneinde vast te kunnen stellen wat de redenen zijn van deze persoon om in naam van [getuige 6] huur te betalen welke [getuige 5] verschuldigd is. Door het horen van de getuige is de verdediging in staat haar verweer nader te onderbouwen dat cliënt dient te worden vrijgesproken daar zij middels het horen van de getuige haar verweren nader kan onderbouwen dat er geen sprake is van medeplegen dan wel medeplichtigheid aan de veronderstelde feiten.
7. het horen van [getuige 7] , zoals genoemd op pagina 243 van het eind proces-verbaal.
Tijdens waarnemingen is op 3 september 2018 een Opel Safira met kenteken [kenteken 2] gesignaleerd in de buurt van de loods. De auto stond geregistreerd op naam van de getuige. De verdediging wenst deze getuige nader te bevragen wie op de bewuste dag met de auto bij de loods is geweest en wat de redenen waren daartoe. De verdediging wenst haar vervolgens nader te bevragen omtrent enige wetenschap van hetgeen zou plaatsvinden dan wel plaats heeft gevonden in de loods met daaraan gekoppeld wat in deze dan mogelijkerwijs de rol van cliënt zou zijn geweest. Door het horen van de getuige is de verdediging in staat haar verweer nader te onderbouwen dat cliënt dient te worden vrijgesproken daar zij middels het horen van de getuige haar verweren nader kan onderbouwen dat er geen sprake is van medeplegen dan wel medeplichtigheid aan de veronderstelde feiten.
(…)
De verdediging wenst voornoemde getuigen onder meer op voornoemde punten nader te ondervragen, dit teneinde de juistheid en de betrouwbaarheid van de door hen afgelegde verklaringen, de afgelegde verklaringen van cliënt dan wel processen-verbaal te toetsen. Getuige 1 tot en met 6 wenst de verdediging voorts nader te bevragen omtrent de toegangsmogelijkheden van de gehele loods alsmede betreffende de bezorging van goederen waarover cliënt een verklaring ter zitting heeft afgelegd alsmede voor wat betreft de periode dat zij aanwezig waren en wie hen op dat moment aanstuurde. De verdediging sluit daarbij niet uit dat zij aan de hand van deze nieuwe eventuele getuigenverklaringen ook nieuwe onderzoekswensen zal hebben.’
9. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gehouden op 12 december 2023 houdt in dat de raadsman het woord voert aan de hand van een door hem aan het hof overgelegde pleitnota. Deze houdt onder meer de verzoeken uit de appelschriftuur in die in het voorgaande randnummer zijn geciteerd. In aanvulling op deze verzoeken heeft de raadsman het volgende aangevoerd:
‘Ter aanvulling op de schriftuur merkt de verdediging, op dat, de verzochte getuigen nimmer eerder zijn gehoord. Het is daarnaast in het belang van de verdediging de getuigen te kunnen horen. Zoals reeds geformuleerd kunnen alle getuigen uit eigen wetenschap verklaren. Getuige [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] zijn voorts gewezen medeverdachten welke reeds zijn veroordeeld. Getuigen kunnen ook allen verklaren over punten waar het hoger beroep is tegen gericht, namelijk de betwisting van de feitelijke beschikkingsmacht, wetenschap en de betwisting van het redelijke vermoeden. Voorts wenst de verdediging de getuigen nader te horen ten behoeve van de vaststelling van de feiten en omstandigheden. De verklaringen kunnen immers gebruikt worden ter betwisting van het ten laste gelegd. Mede bezien ook het voortbouwend appel.’
10. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gehouden op 12 december 2023 houdt de volgende beslissingen op deze verzoeken in:
‘Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof het navolgende mede:
Ten aanzien van het verzoek tot het horen van de getuigen 1 tot en met 4, te weten [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] :
Gelet op de inhoud van de verklaringen van deze getuigen, zoals zich die in het procesdossier bevinden, kunnen zij niet verklaren wie de eigenaar is van de loods in [plaats] . Er zijn onvoldoende aanknopingspunten dat deze getuigen redelijkerwijze in belastende of ontlastende zin een bijdrage kunnen leveren aan de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering in het kader van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten. Het verzoek tot het horen van deze getuigen wordt daarom afgewezen.
Ten aanzien van het verzoek tot het horen van de getuige 5, [getuige 5] :
Het hof acht onvoldoende onderbouwd waarom het redelijkerwijze in het belang van de verdediging is dat deze getuige zal worden gehoord. Het dossier bevat voldoende aanknopingspunten over het einde van de huur, meer in het bijzonder ook aanknopingspunten dat de loods in [plaats] op 5 september 2018 leeg en opgeruimd is opgeleverd. Uit de toelichting op het verzoek noch anderszins heeft het hof kunnen afleiden dat het verhoor redelijkerwijze een relevante op waarheidsvinding gerichte bijdrage kan leveren aan de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering in het kader van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Ten aanzien van het verzoek tot het horen van de getuige 6, [getuige 6] :
Volgens de stukken in het procesdossier zou deze persoon vóór de maand september 2018, te weten in juni 2018, een betaling voor de huur hebben gedaan. Het gaat in deze zaak om een loods in [plaats] waarin op 3 oktober 2018 een productielijn voor het produceren van onveraccijnsde sigaretten is aangetroffen. Het hof ziet onvoldoende aanknopingspunten dat het horen van een persoon die vóór 1 september 2018 een betaling heeft gedaan redelijkerwijze een bijdrage kan leveren aan de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering die aan het hof voorliggen in het kader van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten. Het verzoek tot het horen van deze getuige wordt daarom afgewezen.
Ten aanzien van het verzoek tot het horen van de getuige 7, [getuige 7] ( of [...] ) :
Uit de stukken in het dossier blijkt dat de op naam van deze persoon geregistreerde auto is gesignaleerd nabij de loods, terwijl de verdediging blijkens de gegeven toelichting deze getuige (met name) wil horen over wat er binnen in de loods gebeurde. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten dat het horen van deze getuige redelijkerwijze in belastende of ontlastende zin een bijdrage zal kunnen leveren aan de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering in het kader van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten. Het verzoek tot het horen van deze getuige wordt daarom afgewezen.’
11. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is vervolgens op 4 juni 2024 met instemming van de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte hervat in de stand waarin het onderzoek zich na de schorsing van dat onderzoek op 12 december 2023 bevond. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting dat op 4 en 18 juni 2018 is gehouden houdt onder meer in dat de raadsman het woord tot verdediging voert overeenkomstig een door hem overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer (met enige ondergeschikte afwijkingen in de onderbouwing die voor de beoordeling van het middel niet van belang zijn) de verzoeken uit de appelschriftuur in die in het voorgaande zijn geciteerd, voorafgegaan door de zin:
‘Mocht uw Hof echter komen tot een bewezenverklaring herhaalt de verdediging de navolgende onderzoekswensen zoals zij de reeds op 29 juni 2021 kenbaar heeft gemaakt, nader heeft onderbouwd op 12 december 2013 en reeds nader onderstaand is onderbouwd:’
12. Het hof heeft op deze verzoeken als volgt beslist in het bestreden arrest:
‘Met betrekking tot de voorwaardelijke verzoeken tot het horen van getuigen en het verstrekken van stukken merkt het hof op dat die verzoeken gelijkluidend zijn aan de eerder bij appelschriftuur ingediende onderzoekswensen, welke bij beslissingen van dit hof tijdens de regiezitting van 12 december 2023 alle zijn afgewezen. De verdediging heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die leiden tot een andersluidend oordeel dan toen is gegeven. Bij die stand van zaken wijst het hof de ter terechtzitting van 4 juni 2024 herhaalde verzoeken af als zijnde niet noodzakelijk voor de beantwoording van enige in het kader van de in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te beantwoorden vragen, op dezelfde gronden als in het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 december 2023 is vermeld. Het hof heeft zich bij voormelde beoordeling ervan vergewist dat met het voorgaande de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 van het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Daarbij heeft het hof tevens in aanmerking genomen dat eventueel afgelegde verklaringen door de verzochte getuigen en de verzochte stukken geen deel uitmaken van de bewijsconstructie in de onderhavige zaak.’
Bespreking van het eerste middel
13. De stellers van het middel klagen dat de afwijzing door het hof van een aantal van de bij appelschriftuur gedane getuigenverzoeken onjuist althans onbegrijpelijk is. De overweging dat de getuigen 1 tot en met 4 niet kunnen verklaren wie de eigenaar van de loods in [plaats] is, loopt volgens de stellers van het middel vooruit op de door die getuigen af te leggen verklaringen. Daarbij zou de afwijzing niet in verband staan met de strekking van het standpunt en het verzoek van de verdediging, te weten vragen stellen naar wat hen bekend is over de rol van de verdachte of anderen en de betrokkenheid van de verdachte bij hetgeen in de loods is aangetroffen.
14. Het EHRM maakt, als bekend, onderscheid tussen defence witnesses en prosecution witnesses. Bij prosecution witnesses gaat het daarbij om ‘persons whose deposition may serve to a material degree as the basis for a conviction and which thus constitutes evidence for the prosecution’. Het verzoek om de getuigen 1 tot en met 4 te (doen) horen strekt er niet toe hen te horen over een belastende verklaring die zij hebben afgelegd; zij zijn te beschouwen als defence witnesses. In Murtazaliyeva tegen Rusland heeft het EHRM drie vragen geformuleerd die centraal staan bij verzoeken tot het horen van een defence witness:
‘(i) Whether the request to examine a witness was sufficiently reasoned and relevant to the subject matter of the accusation?
(ii) Whether the domestic courts considered the relevance of that testimony and provided sufficient reasons for their decision not to examine a witness at trial?
(iii) Whether the domestic courts’ decision not to examine a witness undermined the overall fairness of the proceedings?’
15. De appelschriftuur is tijdig ingediend. Dat brengt mee dat bij de beoordeling van de getuigenverzoeken het verdedigingscriterium van toepassing is (art. 418, eerste en derde lid, Sv). Bij toepasselijkheid van dat criterium kan een getuigenverzoek worden afgewezen ‘indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren’. Uit de afwijzing van het getuigenverzoek kan worden afgeleid dat het hof deze maatstaf op 12 december 2023 heeft gehanteerd; over de gehanteerde maatstaf wordt in de cassatieschriftuur ook niet geklaagd. Waar het de stellers van het middel om gaat is de begrijpelijkheid van de afwijzing.
16. Het hof heeft overwogen dat de getuigen gelet op de inhoud van hun verklaringen zoals die zich in het procesdossier bevinden, niet kunnen verklaren wie de eigenaar is van de loods in [plaats] . Met die overweging loopt het hof niet vooruit op de inhoud van een nog af te leggen verklaring, maar baseert het hof een gevolgtrekking op reeds afgelegde verklaringen. Dat stond het hof vrij. De aanwijzingen tegen de verdachte volgen in belangrijke mate uit de omstandigheid dat hij economisch eigenaar van de loods was, de verklaringen die de verdachte (daarover) heeft afgelegd en onderzoeksbevindingen inzake de loods (zoals de vrachtbrieven waaruit blijkt van vervoer van sigaretten door de eenmanszaak van verdachte). De getuigen 1 t/m 4 zijn allen afkomstig uit Oekraïne en behoren, zo begrijp ik, tot de zeven personen van Oekraïense nationaliteit die tijdens de doorzoeking zijn aangetroffen. Het hof heeft kunnen oordelen dat deze personen niet kunnen verklaren wie de eigenaar van de loods is; dat wordt als ik het goed zie in cassatie ook niet betwist. Gelet op de aanwijzingen tegen de verdachte en de vragen die de raadsman deze vier personen wilde stellen is ook ’s hofs meer algemene oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn dat zij redelijkerwijze in belastende of ontlastende zin een bijdrage kunnen leveren aan de beantwoording van de vragen van de art. 348 en 350 Sv in het kader van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten niet onbegrijpelijk.
17. In verband met de rol van anderen merk ik op dat uit de bewezenverklaring van feit 2 volgt dat het hof ervan is uitgegaan dat anderen de vervaardiging van tabaksproducten voor hun rekening namen. Het hof heeft evenwel kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat bij de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv in de strafzaak tegen de verdachte diens bijdrage aan de tenlastegelegde feiten centraal staat en dat verdere opheldering van de rol van anderen in het kader van deze strafzaak achterwege kon blijven.
18. De stellers van het middel menen voorts dat wat getuige 5, [getuige 5] , betreft, de overweging dat in het dossier voldoende aanknopingspunten te vinden zijn voor het einde van de huur en dat de loods in [plaats] op 5 september 2018 leeg en opgeruimd is opgeleverd, nog niet betekent dat de verdachte onvoldoende verdedigingsbelang heeft bij het horen van de getuige over de redenen voor het huren van de loods, over zijn bedoelingen met de loods, over hoe de personen die zijn aangetroffen in de loods daar zijn gekomen en over de beweerdelijke rol van verdachte.
19. Het hof heeft overwogen dat het dossier voldoende aanknopingspunten bevat over het einde van de huur, meer in het bijzonder ook aanknopingspunten dat de loods in [plaats] op 5 september 2018 leeg en opgeruimd is opgeleverd. Het hof heeft het oordeel dat het verhoor redelijkerwijze geen relevante op waarheidsvinding gerichte bijdrage kan leveren aan de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv in het kader van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten vervolgens mede gebaseerd op de toelichting op het verzoek. ’s Hofs oordeel is naar het mij voorkomt niet onbegrijpelijk en toereikend onderbouwd. Ik neem daarbij in aanmerking dat niets in de toelichting erop wijst dat de getuige na het stoppen van de huur en daarmee het einde van zijn daaruit voortvloeiende betrokkenheid bij de loods nog waarnemingen heeft gedaan die voor de beantwoording van die vragen van belang zijn.
20. De stellers van het middel voeren ten aanzien van getuige 6, [getuige 6] , aan dat het oordeel van het hof dat niet is in te zien waarom een betaling gedaan voor de ontdekking van een bestaande productielijn redelijkerwijze een bijdrage kan leveren aan de beantwoording van de vragen van de art. 348 en 350 Sv, onbegrijpelijk is. Zij wijzen er daarbij op dat het hof ervanuit is gegaan dat de bouw van die lijn enige tijd in beslag heeft genomen, dat het hof bij de strafoplegging heeft overwogen dat door derden een illegale sigarettenfabriek is opgebouwd en dat het hof redengevend heeft geacht dat de verdachte voor september 2018 een transport van sigaretten heeft verzorgd. En zij attenderen erop dat aan de verdachte handelen vanaf 1 januari 2018 ten laste is gelegd.
21. Het middel klaagt over de afwijzing van de ‘bij appelschriftuur gedane verzoeken’. In de toelichting op het middel wordt aangegeven dat het criterium van het verdedigingsbelang op de beoordeling van de getuigenverzoeken van toepassing is. Tegen die achtergrond dient dit onderdeel van het middel, meen ik, aldus te worden begrepen dat het ziet op de afwijzing van de verzoeken die op 12 december 2023 ter terechtzitting zijn gedaan (en die een herhaling vormen van de verzoeken in de appelschriftuur). Dat brengt, meen ik, reeds mee dat eventuele tegenstrijdigheid tussen de argumentatie die aan deze afwijzing ten grondslag ligt en de bewijs- en strafmotivering als zodanig niet tot cassatie aanleiding kan geven.
22. Het hof heeft het verzoek tot het horen van deze getuige afgewezen omdat het onvoldoende aanknopingspunten ziet dat het horen van een persoon die vóór 1 september 2018 (namelijk in juni 2018) een betaling heeft gedaan redelijkerwijze een bijdrage kan leveren aan de beantwoording van de vragen van de art. 348 en 350 Sv in het kader van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten. Dat is, meen ik, niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat de verdediging deze persoon slechts wilde horen om vast te kunnen stellen wat de redenen van deze persoon waren ‘om in naam van [getuige 6] huur te betalen welke [getuige 5] verschuldigd is’ en het hof het verzoek om laatstgenoemde te horen heeft afgewezen omdat het dossier voldoende aanknopingspunten bevat over het einde van de huur.
23. Voor zover deze klacht aldus wordt opgevat dat zij tevens ziet op de afwijzing van getuigenverzoeken in het bestreden arrest merk ik op dat aan de begrijpelijkheid van die afwijzing niet afdoet dat het hof ervan is uitgegaan dat de bouw van de productielijn enige tijd in beslag heeft genomen of dat het hof bij de strafoplegging in aanmerking heeft genomen dat ‘door derden een illegale sigarettenfabriek opgebouwd’ is. Beide omstandigheden doen er niet aan toe of af dat de huur door [getuige 5] (ruim) voor 3 oktober 2018 was beëindigd. Waar het om gaat, is of nader onderzoek naar de persoon die de betaling heeft gedaan een bijdrage kan leveren aan het onderzoek naar de rol van de verdachte. Ook de omstandigheid dat de verdachte al voor september 2018 een transport heeft verzorgd en de omstandigheid dat aan de verdachte handelen vanaf 1 januari 2018 ten laste is gelegd, staan er naar het mij voorkomt niet aan in de weg dat het hof heeft kunnen oordelen dat het onvoldoende aanknopingspunten ziet dat het horen van deze persoon redelijkerwijze een bijdrage kan leveren aan de beantwoording van de vragen van de art. 348 en 350 Sv in het kader van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten. Ik attendeer er daarbij op dat het hof bij feit 2 de periode van 6 september 2018 tot en met 3 oktober 2018 bewezen heeft verklaard.
24. De stellers van het middel menen bij getuige 7, [getuige 7] , dat de afwijzing van het verzoek niet in verband staat met de strekking van het verzoek, te weten het achterhalen van de identiteit van degene die kennelijk bij de loods is afgezet en de wetenschap van de getuige van de reden van dat afzetten. Daarbij zou niet zijn in te zien waarom een door de getuige af te leggen verklaring omtrent hetgeen zich in de loods zou afspelen niet van belang kan zijn voor de beoordeling van de vragen van de art. 348 en 350 Sv nu ten laste is gelegd dat verdachte in de loods onveraccijnsde goederen voorhanden heeft gehad.
25. Uit de onderbouwing van het getuigenverzoek blijkt dat de verdediging deze getuige nader wenste ter bevragen omtrent de vraag ‘wie op de bewuste dag met de auto bij de loods is geweest en wat de redenen waren daartoe’. En dat de verdediging haar vervolgens nader wenste te bevragen ‘omtrent enige wetenschap van hetgeen zou plaatsvinden, dan wel plaats heeft gevonden in de loods met daaraan gekoppeld wat in deze dan mogelijkerwijs de rol van cliënt zou zijn geweest’. Dat het verzoek strekt tot ‘het achterhalen van de identiteit van degene die kennelijk bij de loods is afgezet’ kan uit deze bewoordingen niet worden afgeleid. De basis van het verzoek is gelegen in de omstandigheid dat de auto op naam van de getuige geregistreerd staat; over iemand die wordt afgezet wordt in de motivering van het verzoek niet gerept. Voor zover wordt geklaagd dat de afwijzing van het verzoek niet in verband staat met de strekking van het verzoek faalt het derhalve.
26. Voor zover wordt geklaagd dat niet zou zijn in te zien waarom een door de getuige af te leggen verklaring omtrent hetgeen zich in de loods zou afspelen niet van belang kan zijn voor de beoordeling van de vragen van de art. 348 en 350 Sv, wijs ik er in de eerste plaats op dat uit de onderbouwing van het verzoek niet blijkt dat de getuige daarover zou kunnen verklaren. Daar komt bij dat het hof de bewijsvoering niet heeft gebaseerd op een rol van de verdachte bij de werkzaamheden in de loods, terwijl de bewezenverklaring van feit 2 impliceert dat (onbekend gebleven) anderen de tabaksproducten hebben vervaardigd. Geen rechtsregel dwingt ertoe de identiteit en de taakverdeling van deze personen in de strafzaak tegen de verdachte op te helderen. Mede tegen die achtergrond heeft het hof kunnen oordelen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn dat het horen van deze getuige redelijkerwijze in belastende of ontlastende zin een bijdrage zal kunnen leveren aan de beantwoording van de vragen van de art. 348 en 350 Sv in deze strafzaak.
27. De stellers van het middel merken ‘volledigheidshalve’ op dat de afwijzing van het bij pleidooi herhaalde verzoek voor zover inhoudend dat het hof zich ervan heeft vergewist dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, waarbij het hof in aanmerking heeft genomen dat eventueel afgelegde verklaringen door de verzochte getuigen en de verzochte stukken geen deel uitmaken van de bewijsconstructie onjuist, althans onbegrijpelijk is, nu de verdediging heeft aangevoerd dat deze getuigen ten onrechte niet zijn gehoord over de door de verdediging aangevoerde punten.
28. Uit de overwegingen van het hof volgt naar het mij voorkomt dat het hof de relevantie van de verklaringen die de verzochte getuigen af zouden kunnen leggen in kaart heeft gebracht en toereikende redenen heeft gegeven voor de afwijzing van de getuigenverzoeken. Het hof heeft in het bestreden arrest voorts overwogen dat het zich ervan heeft vergewist dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 van het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Aldus heeft het hof naar het mij voorkomt ook voldaan aan de eisen aan de afwijzing van een verzoek om het horen van een defence witness die uit art. 6 EVRM voortvloeien.
29. De stellers van het middel klagen in de toelichting tenslotte, zo begrijp ik, dat onbegrijpelijk is dat het hof de verdachte als pleger van feit 1 heeft aangemerkt. Zij wijzen erop dat uit het arrest bezwaarlijk anders kan volgen dan dat derden in de door verdachte ter beschikking gestelde ruimte enige tijd een productielijn gericht op het vervaardigen van illegale sigaretten hebben geëxploiteerd, dat het hof het voorwaardelijk opzet van de verdachte op het voorhanden hebben heeft afgeleid uit de omstandigheid ‘dat verdachte op de hoogte moet zijn geweest van de hoedanigheid van de goederen waarbij hij betrokken is geraakt’ en dat hij bij feit 2 als medeplichtige is veroordeeld.
30. Deze deelklacht ligt niet in het middel besloten. Dat klaagt, zo bleek, enkel over de afwijzing van getuigenverzoeken. Van Dorst en Borgers merken op dat Uw Raad klachten in de toelichting op het cassatiemiddel vroeger niet besprak ‘omdat de toelichting geacht wordt uitleg te geven maar zelf geen cassatiemiddel vormt. Klachten in de toelichting werden dus niet besproken, al konden ze wel aanleiding geven tot ambtshalve cassatie. Tegenwoordig is de Hoge Raad minder streng en beziet hij het cassatiemiddel en de toelichting in onderling verband en samenhang. Maar klachten die in de toelichting min of meer terloops naar voren zijn gebracht en die niets te maken hebben met het thema van het cassatiemiddel, plegen te worden gepasseerd.’ Deze deelklacht wordt nadrukkelijk afzonderlijk gepresenteerd en leent zich naar het mij voorkomt voor bespreking.
31. Het hof is er blijkens de bewezenverklaring van feit 2 en de bewijsvoering van uitgegaan dat anderen de tabaksproducten hebben vervaardigd en dat de verdachte niet deel uitmaakte van dit samenwerkingsverband. Daarbij past dat het hof de verdachte heeft vrijgesproken van het medeplegen van voorhanden hebben. Aan de bewezenverklaring van ‘plegen’ heeft het hof ten grondslag gelegd dat de loods direct achter het woonhuis van de verdachte lag, dat de verdachte die loods in economisch eigendom had en dat uit de door de verdachte bij de rechtbank afgelegde verklaring volgt dat hij toegang had tot de loods en daar ook is geweest. Uit die omstandigheden volgt naar het mij voorkomt niet zonder meer dat de verdachte ‘feitelijke beschikkingsmacht’ had over de tabaksproducten. Uit tot het bewijs gebezigde verklaringen van de verdachte volgt dat delen van de loods waren verhuurd (bewijsmiddelen 1 en 4). In het algemeen gesproken heeft slechts de huurder de vereiste macht over goederen die zich in de verhuurde ruimte bevinden. Uit de bewijsvoering volgt niet dat buiten de verhuurde ruimtes tabaksproducten zijn aangetroffen.
32. Dat maakt aannemelijk dat de bewezenverklaring verband houdt met de ruime uitleg die het hof in de bewijsoverwegingen onder C aan het begrip ‘voorhanden hebben’ heeft gegeven. Het hof leidt naar ik begrijp uit Richtlijn 2008/118/EG en de wetsgeschiedenis van de implementatiewet af dat van voorhanden hebben in de zin van art. 5 Wet op de accijns reeds sprake is ‘als de verdachte bij het voorhanden hebben van de onveraccijnsde accijnsgoederen betrokken is’ en dat niet relevant is of de verdachte ‘de feitelijke beschikkingsmacht over de onveraccijnsde accijnsgoederen heeft’. Het hof formuleert (onder D) vervolgens als zijn oordeel ‘dat de verdachte op 3 oktober 2018, de dag waarop de onveraccijnsde goederen zijn ontdekt, als een enig ander persoon betrokken is hij het voorhanden hebben ervan’.
33. Richtlijn 2008/118/EG bevat onder meer de volgende bepalingen:
‘Artikel 7
1. De accijns wordt verschuldigd op het tijdstip en in de lidstaat van de uitslag tot verbruik.
2. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder uitslag tot verbruik verstaan:
(…)
b) het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het gemeenschapsrecht en de nationale wetgeving;
(…)
Artikel 8
1. De tot voldoening van de verschuldigd geworden accijns gehouden persoon is:
(…)
b) met betrekking tot het voorhanden hebben van accijnsgoederen als bedoeld in artikel 7, lid 2, onder b): de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft of enig ander persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is;
(…)’
34. Richtlijn 2008/118/EG bevat geen voorschriften inzake (strafrechtelijke) handhaving. Inmiddels is deze richtlijn ingetrokken door Richtlijn 2020/262. Ook deze richtlijn bevat geen voorschriften inzake (strafrechtelijke) handhaving.
35. Artikel 51, eerste lid, aanhef en onderdelen b en c Wet op de accijns luiden als volgt:
‘1. De accijns wordt geheven van:
(…)
b. bij toepassing van artikel 2, eerste lid, onderdeel b: de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft of opslaat, en enig andere persoon die bij het voorhanden hebben of opslaan ervan betrokken is;
c. bij toepassing van artikel 2, eerste lid, onderdeel c: de persoon die de accijnsgoederen produceert of verwerkt en, in geval van onregelmatige productie of verwerking, enig andere persoon die bij de productie of verwerking ervan betrokken is geweest;’
36. Uit de redactie van art. 8, eerste lid, onder b, van Richtlijn 2008/118/EG en art. 51, eerste lid, onder b, Wet op de accijns, volgt dat naast elkaar worden gezet ‘de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft of opslaat’ en een andere persoon ‘die bij het voorhanden hebben of opslaan ervan betrokken is’. Noch de richtlijn, noch de wet realiseert de mogelijkheid om accijns te heffen van deze ‘betrokkene’ door een uitbreiding te geven aan de reikwijdte van het begrip ‘voorhanden hebben’. Uit de passage uit de toelichting op de implementatiewet die het hof citeert blijkt ook niet dat aan het begrip ‘voorhanden hebben’ in deze context een ruimere reikwijdte wordt gegeven.
37. Een en ander in aanmerking genomen meen ik dat het hof bij de uitleg van het begrip ‘voorhanden hebben’ van een onjuiste, te ruime rechtsopvatting is uitgegaan. Nu de feitelijke vaststellingen van het hof niet buiten twijfel stellen dat het hof uitgaande van een juiste rechtsopvatting eveneens tot een bewezenverklaring van feit 1 was gekomen, meen ik dat cassatie in de rede ligt.
38. De deelklacht slaagt.
39. Ten overvloede merk ik op dat de overwegingen die het hof heeft gewijd aan het ‘voorhanden hebben’ en het opzet daarop (in sterke mate) overeenkomen met overwegingen in drie andere zaken waarin ik vandaag concludeer. In die conclusies heb ik uiteengezet dat en waarom het hof naar het mij voorkomt ook aan de opzeteis een onjuiste uitleg geeft.
40. Het middel slaagt.
Bespreking van het tweede middel
41. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als meermalen te zijn gepleegd.
42. Het hof heeft onder 1 bewezenverklaard, kort gezegd, dat de verdachte op 3 oktober 2018 te [plaats] opzettelijk een grote hoeveelheid accijnsgoederen, namelijk tabaksproducten, voorhanden heeft gehad, ‘welke telkens niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken’. Het hof heeft het onder 1 bewezenverklaarde vervolgens gekwalificeerd als ‘opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op: de accijns opgenomen verbod overtreden, meermalen gepleegd’. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat bij de doorzoeking (onder meer) ‘hoeveelheden tabak als ook sigaretten met de merknamen Excellence of Marlboro’ in beslag zijn genomen (bewijsmiddel 10). Het hof heeft onder het kopje ‘Op te leggen straf’ overwogen dat ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich (onder meer) schuldig heeft gemaakt ‘aan het meermalen opzettelijk voorhanden hebben van een grote hoeveelheid onveraccijnsde tabaksproducten (sigaretten en rooktabak)’. Ik begrijp uit een en ander dat het hof het oordeel dat de verdachte het voorhanden hebben meermalen heeft gepleegd heeft gebaseerd op de omstandigheid dat de bewezenverklaring op verschillende soorten tabaksproducten ziet.
43. Art. 5, eerste lid, van de Wet op de accijns luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit als volgt:
‘1. Het is niet toegestaan:
a. een accijnsgoed te vervaardigen buiten een accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen;
b. een accijnsgoed voorhanden te hebben dat niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de heffing is betrokken.’
44. Art. 1, eerste lid, onder f, van de Wet op de accijns luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit als volgt:
‘1. Onder de naam accijns wordt een belasting geheven van:
(…)
f. tabaksprodukten.’
45. De Hullu en Van Kempen geven aan dat globaal gesproken in drie situaties van meerdaadse samenloop sprake kan zijn: ‘a) meerdere gelijktijdig begane delicten met een uiteenlopende strekking, b) één handeling met meer objecten of gevolgen, wanneer een en ander als meerdere normschendingen moet worden gezien, en vooral c) achtereenvolgens begane verschillende of gelijksoortige delicten die niet als een voortgezette handeling kunnen worden aangemerkt.’ Of één handeling met meer objecten als meerdere normschendingen moet worden gezien hangt in de eerste plaats af van de delictsomschrijving. Als de delictsomschrijving spreekt over ‘munitie’ levert het voorhanden hebben van verschillende kogels één feit op. Daarna en daarnaast zijn de bewoordingen van de bewezenverklaring van belang. De kwalificatievraag wordt, zo volgt uit art. 350 Sv, beantwoord op basis van de bewezenverklaring.
46. Art. 5, eerste lid, (oud) Wet op de accijns spreekt over ‘een accijnsgoed’. Daarmee laat de delictsomschrijving een inrichting van de tenlastelegging toe waarin verschillende tabaksproducten als verschillende accijnsgoederen worden aangemerkt die de verdachte (telkens) voorhanden heeft. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de bewezenverklaring, waarin wordt gesproken over ‘een grote hoeveelheid accijnsgoederen, namelijk tabaksproducten’ meerdere normschendingen insluit. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat in de tenlastelegging en bewezenverklaring niet is uitgewerkt welke verschillende tabaksproducten de verdachte voorhanden heeft gehad.
47. Het middel faalt.
48. Ik merk nog op dat in het geval Uw Raad daar anders over denkt, belang bij cassatie ontbreekt. De maximumstraf voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde is in elk geval 5 jaar en vier maanden (vgl. art. 97 Wet op de accijns zoals dat luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit). Daarbij kan uit de strafmotivering niet worden afgeleid dat de kwalificatie van het bewezenverklaarde als ‘meermalen gepleegd’ van betekenis is geweest voor de opgelegde straf; dat wordt in cassatie als ik het goed zie ook niet aangevoerd.
Afronding
49. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
50. Ambtshalve wijs ik er in verband met het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn op dat het bestreden arrest op 2 juli 2024 is gewezen en dat Uw Raad meer dan twee jaar nadien arrest zal wijzen. Het tijdsverloop kan indien Uw Raad de zaak terugwijst bij het hof aan de orde worden gesteld. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
51. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG