Strafrecht overig
Beklag, beslag ex art. 94a Sv onder klaagster en anderen op woningen, perceel bouwgrond, auto…
ECLI:NL:HR:2026:336 · Hoge Raad · 10 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-336
Zaakgegevens
Op 10 maart 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 maart 2026
- Datum publicatie
- 4 maart 2026
- Zaaknummer
- 25/00335
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:336
Samenvatting
Beklag, beslag ex art. 94a Sv onder klaagster en anderen op woningen, perceel bouwgrond, auto, effectenportefeuilles, bankrekeningen en vordering in Luxemburg, Zwitserland en België t.l.v. klaagster en anderen i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek “Milwaukee” t.z.v. verdenking van illegaal aanbieden van online kansspelen, witwassen en deelname aan criminele organisatie, met het oog op ontneming van w.v.v. Proportionaliteit en subsidiariteit van voortzetting van beslag. Kon Rb (economische raadkamer) - in het licht van aangevoerde over wanverhouding tussen waarde van inbeslaggenomen voorwerpen en te verwachten hoogte van mogelijk op te leggen betalingsverplichting - oordelen dat beslag niet in strijd is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit omdat zij niet kan vaststellen dat sprake is van ‘overbeslag’?
Om redenen vermeld in HR:2026:334 slagen middelen in zoverre.
Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 25/00320 B, 25/00321 B, 25/00322 B, 25/00326 B, 25/00328 B, 25/00330 B, 25/00331 B, 25/00332 B, 25/00333 B en 25/00334 B.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 16 december 2025
ECLI:NL:PHR:2025:1378Hoge Raad · 10 maart 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:336
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00335 B
Datum 10 maart 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2024, nummer RK 23/028263, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de klaagster.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze hebben de advocaten G.J.M.E. de Bont, C.J.M. Perraud en M. Prins bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
De raadslieden De Bont en Prins hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het eerste en het derde cassatiemiddel
De cassatiemiddelen klagen onder meer over de verwerping door de rechtbank van het verweer dat de voortduring van het beslag niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Voor zover de cassatiemiddelen hierover klagen, slagen zij. De redenen daarvoor staan vermeld in de beschikking die de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 25/00322 B, ECLI:NL:HR:2026:334.
3 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de cassatiemiddelen voor het overige niet nodig.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2026.