Strafrecht overig

Conclusie AG. Beklag, conservatoir beslag op verschuldigde en toekomstige huurpenningen. Klacht dat rechtbank…

Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
1 oktober 2026
Zaaknummer
25/03721
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:941
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Conclusie AG. Beklag, conservatoir beslag op verschuldigde en toekomstige huurpenningen. Klacht dat rechtbank bij beoordeling proportionaliteit beslag niet is ingegaan op argument dat klaagster schade lijdt doordat OM huurpenningen onder huurders laat rusten, faalt volgens AG (art. 81.1 RO).

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/03721 B

Zitting 6 oktober 2026

CONCLUSIE

P.T.C. van Kampen

In de zaak

[klaagster] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de klaagster

1 Inleiding

1.1

Bij beschikking van 17 december 2024 (raadkamernummer 24/024169) heeft de rechtbank Den Haag het klaagschrift van de klaagster dat strekt tot opheffing van het conservatoir beslag dat onder derden (huurders) is gelegd op aan de klaagster verschuldigde en toekomstige huurpenningen, ongegrond verklaard.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster. R.A.J. Verploegh, advocaat, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Blijkens de toelichting op het middel is de klacht in cassatie dat het hof bij de beoordeling van de proportionaliteit van het conservatoir beslag niet is ingegaan op het argument van de klaagster dat zij schade lijdt doordat het openbaar ministerie de beslagen huurpenningen bij de huurders laat rusten en niet incasseert.

2 De procedure in feitelijke aanleg

2.1

Het klaagschrift van de klaagster, dat op 27 september 2024 is ingediend, houdt het volgende in:

“1. In de zaak met bovenvermeld pv/parketnunmmer is door het Openbaar-Ministerie beslag gelegd op de huurpenningen van de panden die huurders verschuldigd zijn aan klaagster.

2. Het betreft de huren van de panden [a-straat 1] 1e etage, [a-straat 1] 2e etage, [a-straat 2] 1e etage, [a-straat 2] 2e etage, [b-straat 1] , [b-straat 2] , [c-straat 1] , [c-straat 2] en [d-straat 1] - [d-straat 2] - [d-straat 3]

3. De Officier van Justitie heeft bij de beslaglegging aan de huurders medegedeeld om de huurpenningen aan Justitie over te maken OF om deze onder zich te houden.

4. Het gevolg is dat huurders maandenlang geen huur hebben voldaan en ook enkelen zijn vertrokken met onbekende bestemming, zonder het voldoen van de huurpenningen.

5. Aan klaagster is ook door Justitie niet direct medegedeeld of opgave gedaan van het verzuim van huurders om de huurpenningen te voldoen. Zij wordt achteraf, nadat daarover navraag is gedaan.

6. Klaagster kon de huurders daarom niet aanmanen om de huurpenningen te voldoen omdat zij geen wetenschap had van de achterstanden van de huurbetalingen.

7. Bovendien heeft het Openbaar-Ministerie aan de huurders ook medegedeeld dat de huurders de huurpenningen niet hoeven te voldoen maar onder zich mogen houden.

8. Klaagster kan daarom voor het verzuim van de huurders geen actie ondernemen, niet aanmanen of de huur opzeggen, omdat de huurders toestemming en zelfs opdracht hebben gekregen van het Openbaar-Ministerie om de huur niet te hoeven voldoen.

9. Deze gang van zaken maakt dat klaagsters ernstig financieel nadeel lijdt door het beslag op de wijze zoals dat door het Openbaar-Ministerie is gelegd.

10. Ook het beslag zelf lijdt daardoor nadeel omdat door het niet betalen door de huurders van de huurpenningen het bedrag dat onder beslag is gelegd benadeeld wordt.

REDENEN:

Waarom klager aan U verzoekt te beslissen om het klaagschrift gegrond te verklaren en de beslagen te doen opheffen.”

2.2

Bij de stukken bevindt zich een (voorlopig) schriftelijk standpunt van het openbaar ministerie in reactie op het klaagschrift, gedateerd op 10 oktober 2024. Daaruit blijkt onder meer dat beslag is gelegd op de verschuldigde en toekomstige huurpenningen van negen registergoederen en dat de klaagster verdacht wordt van het witwassen van een onroerend goed portefeuille van in totaal ongeveer 4 miljoen euro. Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beslag dient te worden gehandhaafd. Het schriftelijk standpunt vermeldt voorts (onder meer):

“Tussen het OM en de verdediging is correspondentie gevoerd teneinde een oplossing te kunnen zoeken welke bevredigend is voor alle partijen.

Daaruit is echter geen oplossing gekomen.

Het OM heeft zich op het standpunt gesteld dat de huurpenningen (direct) vervolgprofijt betreft vanuit de strafbare handelingen van [klaagster] . Desondanks is aangegeven dat het OM bereid is te bezien of en op welke wijze aan de wensen van de verdediging tegemoet kan worden gekomen.

Het OM is zich ervan bewust dat een en ander zwaar drukt op verdachte, maar ook op andere partijen.

Vandaar dat het OM bereid is te kijken naar oplossingen voor de korte en lange termijn.

Intussen heeft het OM medewerking verleend aan het volgende. Bij enkele huurders bestond het totaalbedrag uit de huursom als ook kosten voor elektriciteit en dergelijke. Die kosten worden thans over gemaakt naar [klaagster] , opdat die kunnen worden voldaan. Het OM ontvangt dan zogezegd de kale huursom ofwel de huurder dient de kale huursom onder zich te houden ten behoeve van het OM.

Echter, het opheffen van beslag als oplossing is niet aan de orde.

[…]

[…] Op geen enkele wijze wordt aangegeven dat en waarom niet (langer) aan de vereisten voor het voortduren van het beslag wordt voldaan. Behalve dan (invulling OM) dat beslaglegging niet langer proportioneel zou zijn.

De beslaglegging is rechtmatig evenals de uitvoering daarvan. Civielrechtelijk gezien is het niet mogelijk de huurders te dwingen de huurpenningen, maandelijks, over te laten maken naar het OM (feitelijk het LBA). Aan de huurders is de keuze de huurpenningen over te maken dan wel onder zich te houden. De stelling van klaagster dat het OM opdracht heeft gegeven aan de huurders om de huur niet (langer) te betalen is dan ook verre bezijden de waarheid.

Op grond van artikel 74c aanhef Sv zijn de bepalingen ten aanzien van civiel conservatoir beslag (de vierde titel van het derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) van overeenkomstige toepassing bij strafvorderlijk conservatoir beslag.

Bij civiel conservatoir beslag moet de derde hetgeen hij aan de beslagdebiteur verschuldigd is onder zich houden. Op grond van artikel 723 Rv is de beslaglegger pas bevoegd tot inning (conform artikel 477 Rv) nadat het beslag executoriaal is geworden en deze titel aan de derde (de huurder) is betekend. […]

Klaagster is hierover geïnformeerd en heeft ook, naar aanleiding van een verzoek daartoe, een overzicht gekregen van de door het OM ontvangen huurpenningen.

Niets staat klaagster in de weg aan de huurders, maandelijks, overzicht te vragen van de gedane betalingen dan wel aan te geven dat en welke bedragen aan huurpenningen huurders onder zich hebben (gehouden).

Dat huurders hun contractuele verplichtingen jegens klaagster niet nakomen, kan niet aan het OM worden verweten noch worden tegengeworpen. Het OM betreurt het eveneens wanneer huurders hun huurpenningen niet voldoen dan wel niet onder zich (blijven) houden.

[…]

Het strafvorderlijk belang gaat boven het persoonlijke en financiële belang van [klaagster] . Daarbij heeft het OM aangegeven mee te willen en zullen denken en kijken naar mogelijkheden om eventuele schade zoveel als mogelijk te beperken.

Het OM is echter nog steeds bereid naar oplossingen te kijken. Bijvoorbeeld de verkoop van een deel van het onroerend goed om daaruit de schuldeiser en hypotheekhouders te delen te kunnen voldoen.

Indien en voor zover klaagster meent dat het beslag dient te worden opgeheven, omdat dit niet langer proportioneel is als gevolg van geleden dan wel te lijden schaden, geldt dat daarvan geen sprake is.

Immers, het OM heeft op een juiste en rechtmatige wijze beslag gelegd. Dat eventuele huurders de huur niet overmaken aan het OM noch deze onder zich houden ten behoeve van het OM, kan niet aan het OM worden toegerekend.”

2.3

Het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer op 3 december 2024 houdt het volgende in:

“De advocaat van de klager voert het woord:

Ik leg uw rechtbank een overzicht van de panden over waar het om gaat en ik verzoek u dat aan het dossier toe te voegen. Het beslag wat het Openbaar Ministerie op de huren heeft gelegd is disproportioneel. Het onroerend goed wordt verhuurd en de winst komt eigenlijk alleen maar uit de (over)waarde van de panden, niet uit de huurpenningen. Zoals het nu berekend is heeft het Openbaar Ministerie nu al ongeveer € 74.000,- misgelopen. Door het beslag kan geen onderhoud aan de panden worden verricht en zijn er forse huurachterstanden ontstaan. De huurachterstanden zijn ontstaan doordat het Openbaar Ministerie de huurders heeft aangeschreven om de huur onder zich te houden. Sommige huurders gingen zelfs niet meer betalen en sommigen zijn zelfs met de noorderzon vertrokken. Het lijkt er nu op dat het beslag op de huurders ligt. Doordat de huurders niet worden aangemaand en de huurpenningen niet geïncasseerd worden leidt cliënte forse schade. Er is nu aan achterstallige huren een bedrag ontstaan van ongeveer € 76.372,58.

Naast de schade die cliënte leidt worden de hypotheken ook niet betaald. De banken hebben inmiddels medegedeeld dat de panden verkocht zullen worden. De beslaglegging treft geen enkel doen en op deze manier worden de panden alleen maar minder waard.

De officier van justitie voert het woord:

[…] Wat nog relevant is om naar voren brengen is dat het Openbaar Ministerie en de verdediging gecorrespondeerd hebben over een mogelijke oplossing. Dat heeft tot niets geleid. Het voorstel was om een deel van het onroerend goed te verkopen om de problemen op te lossen. Het Openbaar Ministerie houdt zich aan het wettelijk kader. Hetgeen de verdediging naar voren brengt dat sommige huurders vertrokken zijn is het Openbaar Ministerie niet bekend. Dat blijkt ook bovendien nergens uit en is niet onderbouwd. Dat de huur niet wordt betaald is niet aan het Openbaar Ministerie. Klaagster kan daartoe ook zelf stappen ondernemen. De rechter-commissaris heeft bovendien op 4 april 2024 beslist dat tot een bedrag van € 2,5 miljoen conservatoir beslag gelegd kan worden. Het achterstallig onderhoud aan de panden kan niet binnen zo’n korte tijd zijn ontstaan. Subsidiair dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard.

De advocaat krijgt andermaal de gelegenheid tot het voeren van het woord:

Het Openbaar Ministerie heeft de huurders aangeschreven dat ze de huurpenningen onder zich kunnen houden. Er wordt zelfs niet geïncasseerd. Een aantal huurders zijn zelfs al gewoon vertrokken. Het klopt dat is gezocht naar een oplossing en dat cliënte bereid is om een aantal panden te willen verkopen, maar dat staat dan weer haaks op het conservatoir beslag dat op de panden berust. Bovendien zal dat niets oplossen. De kosten lopen immers gewoon door op de andere panden en de hypotheekverstrekkers moeten betaald worden. Als dat gewoon gebeurt zal dat invloed krijgen op de overwaarde. Het onderzoek is nog in volle gang bezig en er is nog geen zicht op een inhoudelijke behandeling.

De officier van justitie voert het woord:

Vertrekkende huurders kan het Openbaar Ministerie niet worden aangerekend. Voor wat betreft het achterstallig onderhoud kan niet gezegd worden dat dat in zo’n korte tijd is ontstaan en dat na een paar maanden al onderhoud gepleegd moet worden. Het derdenbeslag treft enig doel.

De advocaat krijgt andermaal de gelegenheid tot het voeren van het woord:

De hypotheekverstrekkers moeten gewoon betaald worden. Dat systeem werkt nu eenmaal zo. Anders moet er geen derdenbeslag gelegd worden. Als het onderhoud ook niet wordt aangepakt gaat de staat daarvan alleen maar achteruit en worden problemen alleen maar groter voor cliënte. De overgelegde berekening zegt voldoende. De inkomsten zijn gelijk aan de hypotheekkosten. En dan nog maar niet te spreken over de belastingen en verzekeringen die op de panden rusten. Het is niet proportioneel beslag te leggen op de huren.

Aan de klaagster wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

De mensen gaan gewoon weg zonder de achterstallige huur te betalen en laten de woningen in zeer slechte staat achter. Dat kan ik niet meer terughalen. De schade aan de panden begint toe te nemen, maar er is geen geld om dat direct op te lossen. De schade wordt op deze manier alleen maar groter. De kosten die de vertrekkende huurders hebben gemaakt aan de woningen kon ik altijd wel verrekenen met de borg. Er is geen geld om het allemaal op te lossen. Van het Openbaar Ministerie mocht ik 1 bankrekening terugkrijgen, maar ik heb daar ongeveer 5 à 6 duizend euro op staan. Daar kan ik denk ik maar 2 maanden van leven. Inmiddels heb ik een baan gevonden en ga ik werken. Ik krijg ook hulp van de reclassering om alles in goede banen te krijgen.”

2.4

Blijkens het hiervoor weergegeven proces-verbaal van de raadkamerbehandeling heeft de raadsman een ‘overzicht van de panden’ overgelegd aan de rechtbank. Het betreft klaarblijkelijk de zich bij de stukken bevindende ‘Toelichting op het klaagschrift beslag op de huren van panden’. In dat document is per pand een overzicht gegeven van onder meer de maandelijkse hypotheekkosten, de huurinkomsten, de bedragen die nodig zijn voor onderhoud, alsmede wat de ‘huurachterstand door beslag’ is. Het document vermeldt ten aanzien van twee panden dat het beslag is opgeheven en dat geen beslissing behoeft te worden genomen. Ten aanzien van een derde pand wordt vermeld dat het beslag is opgeheven en ter zake geen beslissing behoeft te worden genomen, maar dat de geïncasseerde huur nog wel onder beslag ligt en dat deze huur nodig is voor de kosten van noodzakelijk onderhoud. Uit het document volgt voorts dat ten aanzien van de nog beslagen panden sprake is van een (‘paraplu’) hypotheek bij achtereenvolgens [B] , [C] en [D] BV. Verder houdt het stuk aan het slot in:

“Algehele conclusie:

Door het niet incasseren door het Openbaar ministerie van de huren onder beslag is reeds een schade door huurachterstand (ook aan de waarde van het beslag) opgetreden van € 76.372,58. Dat is reeds weg, want de huurders zijn grotendeels ook al vertrokken.

Daartegenoverstaat dat in totaal een bedrag van € 70.018,08 wel is geïncasseerd. Er is dus minder geïncasseerd dan de schade door het niet incasseren. Door die schade en het niet ter beschikking zijn van de wel geïncasseerde huren, kon het noodzakelijk onderhoud niet worden verricht en de hypotheek niet worden betaald, hetgeen lijdt tot nog meer schade en verlies van waarde van het OG onder beslag.

Beslag op huren van panden als ook het OG zelf beslag is gelegd is geen goed idee.”

2.5

De rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard. De beschikking van de rechtbank van 17 december 2024 houdt het volgende in:

“Inleiding

Het beklag strekt tot het opheffen van conservatoir beslag gelegd onder derden op de verschuldigde en toekomstige huurpenningen met betrekking tot negen panden.

Tegen de klaagster is de verdenking gerezen dat zij zich voor zeer grote bedragen en over langere periode schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen, witwassen en valsheid in geschrifte.

[…]

Het standpunt van klaagster

Klaagster heeft verzocht om het opheffen van het conservatoir beslag, omdat de beslagen leiden tot onomkeerbare problemen en ook verdamping van vermogen. De officier van justitie heeft bij de beslaglegging aan de huurders medegedeeld de huurpenningen aan Justitie over te maken of om deze onder zich te houden dat als gevolg heeft dat huurders maandenlang geen huur hebben voldaan en dat inmiddels enkelen zijn vertrokken zonder het voldoen van de huurpenningen. Klaagster was niet op de hoogte gebracht waardoor zij de huurders niet kon aanmanen die achterstanden hebben in de betalingen. Daarnaast blijkt dat de officier van justitie de huurpenningen niet betaalt aan de hypotheekvertrekkers waardoor dat leidt tot executoriale verkoop van de panden. Dat is in strijd is met de bedoeling van het executoriale beslag en de bewaring van rechten en goede bewaring van de panden waar beslag op ligt. Het onderhoud aan de panden wordt nu ook niet verricht waardoor de waarden snel verminderen en bovendien van invloed wordt op de overwaarde van de panden. Het beslag op de huurpenningen is niet proportioneel.

Ter zitting is een beperkte opgave overgelegd van financiële aspecten van de panden.

Het standpunt van de officier van justitie

[…] De officier van justitie heeft in verband met het derdenbeslag aan de orde gesteld dat gecorrespondeerd is met de verdediging over een mogelijke oplossing door bijvoorbeeld een deel van het onroerend goed te verkopen. Omdat de verdediging zich niet kan vinden in die aangeboden oplossing heeft dat tot niets geleid.

Subsidiair heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht het klaagschrift ongegrond te verklaren. Het klaagschrift is onvoldoende onderbouwd. De verdediging had zelf ook stappen kunnen ondernemen om de huurders te laten betalen die achterstanden hebben. Voorts kan het achterstallig onderhoud niet binnen een korte tijd zijn ontstaan omdat het beslag op de panden er niet zo lang op ligt. De rechter-commissaris heeft op 4 april 2024 een machtiging tot conservatoir beslag verleend tot een bedrag van € 2.583.111,68. Het onderzoek is nog gaande en maakt dat het beslag gehandhaafd dient te blijven.

Het oordeel van de rechtbank

[…]

Inhoudelijk

Buiten geschil is dat het hier een beslag op grond van artikel 94a Sv betreft. Ook is niet in geschil of aan de formele eisen voor een dergelijk beslag is voldaan, terwijl evenmin is betoogd dat het belang van strafvordering zich niet langer tegen teruggave zou verzetten.

In dat deel van het toepasselijke toetsingskader vindt de rechtbank geen reden voor een gegrondverklaring van het beklag.

Deze procedure spitst zich toe op de vraag of het derdenbeslag op de huurpenningen disproportioneel is naast het beslag op de panden zelf. Kort gezegd houdt het beklag in dat onderhoud van de panden en betaling van de vaste hypotheeklasten onmogelijk worden, doordat huurders niet aan klaagster betalen. Dat leidt tot schade, waardevermindering en mogelijk tot executoriale verkoop van panden.

De rechtbank overweegt dat geen rechtsregel zich in algemene zin verzet tegen beslag op panden én op de opbrengsten uit verhuur van die panden.

Ook dat dubbel ogende beslag dient een strafvorderlijk doel: enkel beslag op de panden zou een relevante inkomstenstroom ongemoeid laten, terwijl niet ondenkbaar is dat die (zeker bij beslag op de panden) voor andere doelen dan de beslagen panden zou worden aangewend. Enkel beslag op de huurpenningen laat het ‘wegmaken’ van de panden als reële optie open.

Over de vraag of het beslag op de huurpenningen in dit concrete geval niet (langer) proportioneel is het volgende.

Bij de beoordeling weegt mee dat de machtiging conservatoir beslag is verleend voor een bedrag van € 2.583.111,68. Er is niet gebleken van een wanverhouding tussen dat bedrage en het beslagene.

Het overgelegde financiële overzicht is verder zachtst gezegd summier en de bedragen daarop ontberen objectieve onderbouwing.

Uit het proces-verbaal van 2 juli 2024 over ontvangen huurpenningen blijkt dat begin 2024 huurpenningen niet op rekeningen van klaagster werden ontvangen, maar op rekening van het bedrijf van haar partner en schoonvader - ter zitting aanwezig -, [A] B.V. Dat concretiseert het belang van beslag op de huurpenningen. Dat de bedrijfsactiviteiten van [A] B.V. ‘algemene burgerlijke en utiliteitsbouw’ zijn, zodat van een bouwbedrijf sprake lijkt, terwijl de huurpenningen nodig zouden zijn om het onderhoud van de panden te voldoen, is een saillant detail. Het onderbouwt in elk geval de noodzaak van een objectieve onderbouwing van de gestelde onderhoudsposten. Ook zou klaagster blijkens dat pv een vordering op die vennootschap hebben, terwijl de inning daarvan en vervolgens het gebruik daarvan voor onderhoud en hypotheeklasten niet is gebleken.

De gestelde executoriale verkopen zijn evenmin onderbouwd. De vennootschappen [B] BV en [C] BV. waaraan hypotheekkosten zijn voldaan, zijn geen algemeen bekende hypotheeknemers, zodat algemeenheden en aannames te minder volstaan.

Ten slotte weegt mee dat dat door het openbaar ministerie is aangeboden mee te werken aan de verkoop van een van de panden om daaruit de noodzakelijke kosten te voldoen.

Feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat het beslag niet (langer) proportioneel is. omdat het belang dat gediend wordt door het beslag op de huurpenningen niet langer in verhouding zou staan tot de belangen van klaagster, zijn niet aannemelijk geworden. Het beklag is ongegrond.”

3 Juridisch kader

3.1

In zijn meest recente uitspraken omtrent de vraag of en zo ja, onder welke omstandigheden, de feitenrechter moet onderzoeken of voortzetting van een beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“2.4.1 De rechter is bij de beoordeling van het beklag over de inbeslagneming niet verplicht ambtshalve te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als echter door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met artikel 94 en/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan, kan de rechter gehouden zijn blijk te geven van zo’n onderzoek. Bij een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv kan de rechter daarnaast gehouden zijn blijk te geven van zo’n onderzoek als door of namens de klager wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en).

2.4.2

De vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en – als dat het geval is – welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten. Ook is van belang wat daarover door het openbaar ministerie wordt ingebracht. Verder komt betekenis toe aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak of in de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. Naarmate meer tijd is verstreken – en de klager dus al langer door het beslag wordt getroffen – kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag.

2.4.3

Mede in verband met de beoordeling door de rechter of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit mag van het openbaar ministerie worden verlangd dat het, zoveel als mogelijk is gelet op de fase waarin de zaak zich bevindt, in de beklagprocedure informatie verschaft over het beslag en over de onderliggende strafzaak of ontnemingsprocedure. In geval van conservatoir beslag gaat het daarbij in het bijzonder om de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen in relatie tot de (te verwachten) hoogte van de betalingsverplichting in verband waarmee wordt beoogd een verhaalsmogelijkheid zeker te stellen. Omdat tijdens de raadkamerprocedure het onderzoek in de strafzaak en/of de ontnemingszaak veelal nog loopt, zal het openbaar ministerie in de regel alleen een voorlopige en globale uitspraak kunnen doen over de hoogte van de te vorderen betalingsverplichting.

2.4.4

Als de beklagrechter van oordeel is dat hij over onvoldoende gegevens beschikt voor de beoordeling van het klaagschrift, brengt de onderzoekstaak van de beklagrechter met zich dat hij zich nader laat informeren. De beklagrechter kan daarvoor op grond van artikel 23 lid 1 Sv aan het openbaar ministerie het bevel geven om stukken over te leggen. Zo nodig houdt de rechter daartoe het onderzoek in raadkamer aan. Het openbaar ministerie is op grond van artikel 23 lid 5 Sv gehouden de hiervoor bedoelde stukken aan de rechter over te leggen. Laat het openbaar ministerie dat achterwege, dan kan de beklagrechter die omstandigheid betrekken bij de beoordeling van het klaagschrift.

2.4.5

Als de beklagrechter naar aanleiding van zijn onder 2.4.1 bedoelde onderzoek oordeelt dat voortzetting van het beslag in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, verklaart hij het beklag gegrond en geeft hij de daarmee overeenkomende last als bedoeld in artikel 552a lid 10 Sv.
(Vgl. HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, rechtsoverweging 2.4.).”

4 Bespreking van het cassatiemiddel

4.1

Zoals opgemerkt bevat de toelichting op het cassatiemiddel de klacht dat het hof bij de beoordeling van de proportionaliteit van het conservatoir beslag niet is ingegaan op het argument van de klaagster dat zij schade lijdt doordat het openbaar ministerie de beslagen huurpenningen bij de huurders laat rusten en niet incasseert. Ter zake is het volgende van belang.

4.2

In het klaagschrift is aangevoerd dat de klaagster “ernstig financieel nadeel lijdt” doordat, kort gezegd, het openbaar ministerie de huurders bij de beslaglegging zou hebben medegedeeld de huurpenningen over te maken aan justitie óf deze onder zich te houden. Hierdoor hebben huurders, zo vermeldt het klaagschrift, maandenlang geen huur betaald. Het klaagschrift vermeldt voorts dat omdat de klaagster door Justitie “niet direct” opgave is gedaan van het verzuim van huurders om de huurpenningen te voldoen, de klaagster de huurders niet kan aanmanen om de huur te betalen.

4.3

In raadkamer heeft de raadsman naar voren gebracht dat door de handelswijze van het openbaar ministerie een bedrag van € 76.372,58 aan “achterstallige huren” is ontstaan, dat de klaagster daardoor schade lijdt, dat door het beslag geen onderhoud aan de panden kan worden verricht en en dat de hypotheken niet worden betaald.

4.4

De rechtbank heeft overwogen dat geen sprake is van een wanverhouding tussen de door de rechter-commissaris verstrekte machtiging tot het leggen van conservatoir beslag en het beslagene. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat het namens de klaagster overgelegde financiële overzicht summier is en dat de bedragen “objectieve onderbouwing” ontberen. Daarmee heeft de rechtbank mijns inziens – conform de meest recente jurisprudentie van de Hoge Raad – gesignaleerd dat een concrete onderbouwing van de betoogde disproportionaliteit van het beslag, alsmede de indringendheid van de ter zake aangevoerde argumenten, te wensen overlaat.

4.5

De daaropvolgende overwegingen van de rechtbank over de proportionaliteit van het beslag spitsen zich toe op de stelling van de klaagster dat als gevolg van het beslag forse huurachterstanden zijn ontstaan en dat zij niet in staat is onderhoud aan de panden te plegen en de hypotheeklasten te voldoen, nu zij door de beslaglegging niet kan beschikken over de huurpenningen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het achterstallig onderhoud en een dreigende executoriale verkoop van de panden door de hypotheekverstrekkers bij gebrek aan objectieve onderbouwing niet aannemelijk is geworden. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat het beslag niet (langer) proportioneel is, omdat het belang dat gediend wordt door het beslag op de huurpenningen niet langer in verhouding zou staan tot de belangen van klaagster, niet aannemelijk zijn geworden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en in het licht van het door de verdediging aangevoerde voldoende gemotiveerd.

4.6

In de toelichting op het cassatiemiddel wordt aangevoerd dat de rechtbank evenwel voorbij is gegaan aan (ik begrijp: niet is ingegaan op) het “grootste bezwaar” tegen het beslag op de huurpenningen, namelijk dat de conservatoire beslaglegging op de huurpenningen, naast het beslag op de panden zelf, disproportioneel is, nu dit de financiële positie van de klaagster en de waarde van het beslag schaadt doordat er vermogen verloren zou gaan.

4.7

Die klacht faalt. In raadkamer is de stelling dat een gedeelte van de beslagen huurpenningen niet wordt geïncasseerd (maar onder de huurders wordt gelaten) door de raadsman en de klaagster verweven met opmerkingen over het feit dat door het beslag geen onderhoud kan worden gepleegd en de hypotheken niet (door het openbaar ministerie) worden betaald. De koppeling tussen de “huurachterstanden” en het gebrek aan middelen om onderhoud en hypotheken te bekostigen wordt ook met zoveel woorden gelegd in de ‘Toelichting op het klaagschrift’ die de raadsman aan de rechtbank heeft overgelegd. In de ‘algehele conclusie’ aan het slot van die toelichting (hiervoor weergegeven onder 2.4) wordt voorgerekend dat het bedrag dat wél is geïncasseerd (€ 70.018,08) lager is dan het bedrag aan ‘schade’ door het niet-incasseren (€ 76.372,58), waarna wordt gesteld:

“Door die schade [AG: de niet geïncasseerde huren] en het niet ter beschikking zijn van de wel geïncasseerde huren, kon het noodzakelijk onderhoud niet worden verricht en de hypotheek niet worden betaald, hetgeen lijdt tot nog meer schade en verlies van waarde van het OG onder beslag.”

4.8

Tegen die achtergrond acht ik de uitleg door de rechtbank van wat door en namens de klager aan het beklag ten grondslag is gelegd – in het bijzonder aan het beroep op disproportionaliteit van het beslag – geenszins onbegrijpelijk. Een eenduidig, zelfstandig standpunt zoals de cassatieschriftuur dat voorstelt en dat inhoudt dat het niet volledig innen van de huurpenningen reeds op zichzelf meebrengt dat de klaagster financiële schade lijdt die de disproportionaliteit van het beslag meebrengt, heeft de rechtbank in het aangevoerde wat mij betreft niet hoeven herkennen. Daarbij betrek ik dat in het klaagschrift en in raadkamer weliswaar is opgemerkt dat de handelswijze van het openbaar ministerie leidt tot schade en “verdamping van vermogen”, maar dat hier geen nadere invulling aan is gegeven, zodat de rechtbank dit in het licht van de gehele behandeling in raadkamer heeft kunnen opvatten als schade aan de panden en waardeverlies door achterstallig onderhoud en/of dreigende executoriale verkoop.

5 Slotsom

5.1

Het cassatiemiddel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

5.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

HR 10 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:341 en HR 10 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:334.