Strafrecht overig

Niet voldoen aan de op moeder rustende plicht om ervoor te zorgen dat haar 5-jarige dochter op school staat…

Hoge Raad, 21 april 2026

Zaakgegevens

Op 21 april 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 april 2026
Datum publicatie
14 april 2026
Zaaknummer
24/03975
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:659
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Niet voldoen aan de op moeder rustende plicht om ervoor te zorgen dat haar 5-jarige dochter op school staat ingeschreven, art. 2.1 Leerplichtwet 1969. Komt moeder beroep toe op vrijstellingsgrond van art. 5.b Lpw?

Om redenen vermeld in HR:2026:658 faalt middel.

Volgt verwerping. Samenhang met 23/03974.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 22 oktober 2024

    ECLI:NL:GHAMS:2024:2925
  2. Conclusie A-G · 4 november 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:1163
  3. Hoge Raad · 21 april 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:659

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/03975

Datum 21 april 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 oktober 2024, nummer 23-000708-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat L.E.G. van der Hut bij schriftuur en bij aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de bedenkingen van de verdachte met betrekking tot de openbare scholen op redelijke afstand van de woning onvoldoende concreet en onvoldoende zwaarwegend zijn en dat daarom de verdachte geen beroep toekomt op de vrijstelling als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969.

2.2

Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 24/03974, ECLI:NL:HR:2026:658.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, T. Kooijmans, F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2026.