Strafrecht overig
Beklag, beslag ex art. 94a Sv op geldbedragen, compressor, damesfiets en minibike onder ander t.z.v…
ECLI:NL:HR:2026:8 · Hoge Raad · 6 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-8
Zaakgegevens
Op 6 januari 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 januari 2026
- Datum publicatie
- 2 januari 2026
- Zaaknummer
- 23/04502
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:8
Samenvatting
Beklag, beslag ex art. 94a Sv op geldbedragen, compressor, damesfiets en minibike onder ander t.z.v. verdenking van uitvoer van MDMA, hennepteelt, diefstal van stroom en witwassen, waarna rechter in ontnemingszaak tegen ander onherroepelijke betalingsverplichting van € 779.841,73 oplegt en beklagrechter de klaagster n-o verklaart in klaagschrift omdat dit niet is ingediend binnen 3 maanden nadat vervolgde zaak tot einde is gekomen. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 6:4:4 Sv.
HR: Om redenen vermeld in CAG kan HR het cassatieberoep van klaagster niet in behandeling nemen. CAG: Het onherroepelijk worden van ’s hofs uitspraak in ontnemingszaak tegen ander brengt mee dat onder ander gelegd conservatoir beslag o.g.v. art. 6:4:4.2 Sv is overgegaan in executoriaal beslag, zodat OM de inbeslaggenomen voorwerpen kan uitwinnen ten behoeve van (onherroepelijke) ontnemingsvordering. Volgens art. 6:4:4.1 Sv vindt verhaal op die voorwerpen plaats op wijze zoals voorzien in Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Verder houdt art. 6:4:4.3 Sv in dat t.a.v. derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op inbeslaggenomen voorwerpen ook bepalingen van WvRv van toepassing zijn (art. 456.1 en art. 538-540 Rv). Dat betekent dat klaagster (die stelt dat onder ander inbeslaggenomen voorwerpen aan haar toebehoren) geen belang meer heeft bij cassatieberoep tegen ’s hofs beschikking.
Klaagster n-o. Samenhang met HR:2023:857 (ontnemingszaak tegen ander) en HR:2021:216 (strafzaak tegen ander).
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 14 oktober 2025
ECLI:NL:PHR:2025:1097Hoge Raad · 6 januari 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:8
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04502 B
Datum 6 januari 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 7 november 2023, nummer 000530-23, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de klaagster.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft de advocaat M.A.M. Pijnenburg bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd dat de klaagster niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar cassatieberoep.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de klaagster niet in behandeling nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2026.