Strafrecht overig
Hoge Raad · Herziening · Strafrecht overig
Hoge Raad, 4 januari 2005
ECLI:NL:HR:2005:AS2147 · Hoge Raad · 4 januari 2005
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/herziening/ecli-nl-hr-2005-as2147
Zaakgegevens
Op 4 januari 2005 heeft de Hoge Raad in een herzieningsprocedure uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 januari 2005
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 02928/04 H
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- HerzieningHerzieningEen onherroepelijke uitspraak wordt opnieuw bekeken, omdat er nieuwe feiten zijn die de rechter niet kende.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2005:AS2147
Samenvatting
Herziening
Uitspraak
4 januari 2005
Strafkamer
nr. 02928/04 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden, van 19 augustus 2002, nummer 24/170007-02, ingediend door mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Leeuwarden van 31 januari 2002 - de aanvrager ter zake van "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. In de aanvrage wordt aangevoerd dat het onderzoek van de zaak destijds niet tot een veroordeling zou hebben geleid indien het Hof bekend zou zijn geweest met de nadien tegenover de Rechter-Commissaris afgelegde en bij de aanvrage gevoegde getuigenverklaringen die de dochters van de aanvrager hebben afgelegd in de strafzaak tegen zijn ex-echtgenote. Volgens de aanvrage kan uit deze verklaringen blijken "dat er in de tenlastegelegde periode geen sprake was van een relatie, samenwoning dan wel gezamenlijke huishouding" tussen de aanvrager en diens ex-echtgenote.
3.3. Gelet echter op de - de aanvrager belastende - inhoud van de bijlagen bij het proces-verbaal van de Sociale Recherche van de Gemeente Heerenveen van 24 januari 2001, kan het aangevoerde niet een ernstig vermoeden wekken als hiervoor onder 3.1 vermeld.
3.4. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 4 januari 2005.