Strafrecht overig

Hoge Raad · Herziening · Strafrecht overig

Zaakgegevens

Op 14 maart 2006 heeft de Hoge Raad in een herzieningsprocedure uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 maart 2006
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
03604/05 H
Procedure
Herziening
ECLI
ECLI:NL:HR:2006:AV7065
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Herziening.

Uitspraak

14 maart 2006

Strafkamer

nr. 03604/05 H

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank te Amsterdam, van 20 november 1992, met onder meer parket-nummer 13/029.012.2, ingediend door:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Rechtbank heeft de aanvrager in de zaak met opgemeld parketnummer ter zake van "doodslag" niet strafbaar verklaard en ontslagen van alle rechtsvervolging en gelast dat hij in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van een jaar en gelast dat hij ter beschikking al worden gesteld en bevolen dat bij van overheidswege zal worden verpleegd.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvrage

3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover in dit geval van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

3.2. Art. 459 Sv schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.

3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en 460 Sv, niet worden ontvangen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 14 maart 2006.