Strafrecht overig

Hoge Raad · Herziening · Strafrecht overig

Zaakgegevens

Op 12 september 2006 heeft de Hoge Raad in een herzieningsprocedure uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12 september 2006
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
01583/06 H
Procedure
Herziening
ECLI
ECLI:NL:HR:2006:AZ1154
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Herziening.

Uitspraak

12 september 2006

Strafkamer

nr. 01583/06 H

MR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 16 april 1996, nummer 10/010302-96, ingediend door mr. J.E. Braak, advocaat te Utrecht, namens:

[aanvrager], alias [aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, zonder woon- of verblijfplaats hier ten lande.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Rechtbank heeft de aanvrager ter zake van 1. "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" en 2. "opzettelijk niet voldoen aan een bevel gedaan door een ambtenaar bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvrage

3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

3.2. In de aanvrage wordt aangevoerd dat de aanvrager niet in de gelegenheid is gesteld zich te verdedigen en niet tijdig de daartoe juiste rechtsmiddelen heeft kunnen aanwenden omdat de aanvrager niet op de hoogte is gesteld van "de verlening van zijn voorarrest", terwijl hem bovendien nimmer de dagvaarding is uitgereikt en de aanvrager voorts niet op de hoogte is gesteld van de uitspraak.

3.3. De in de aanvrage genoemde omstandigheden hadden, indien juist noch afzonderlijk noch in samenhang beschouwd kunnen leiden tot een van de hiervoor onder 3.1 genoemde beslissingen. Daarom is de aanvrage niet-ontvankelijk.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 12 september 2006.