Strafrecht overig
Herziening. Uit de bij de aanvraag overgelegde verklaring van de broer van aanvrager blijkt niet dat deze…
ECLI:NL:HR:2008:BG6318 · Hoge Raad · 9 december 2008
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/herziening/ecli-nl-hr-2008-bg6318
Zaakgegevens
Op 9 december 2008 heeft de Hoge Raad in een herzieningsprocedure uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 december 2008
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 01310/07 H
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- HerzieningHerzieningEen onherroepelijke uitspraak wordt opnieuw bekeken, omdat er nieuwe feiten zijn die de rechter niet kende.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2008:BG6318
Samenvatting
Herziening. Uit de bij de aanvraag overgelegde verklaring van de broer van aanvrager blijkt niet dat deze zich op 5-2-2002 heeft bediend van de persoonsgegevens van aanvrager. HR wijst de aanvrage tot herziening af
Procesgang
Hoge Raad · 9 december 2008deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2008:BG6318
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 december 2008
ECLI:NL:PHR:2008:BG6318
Uitspraak
9 december 2008
Strafkamer
Nr. 01310/07 H
RR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 10 april 2002 nummer 09/090388-02, ingediend door mr. S.M.C. van Beek, advocaat te 's-Gravenhage, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "medeplegen van poging tot oplichting" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. De conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal
De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage zal afwijzen.
4. Beoordeling van de aanvrage
4.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
4.2. In de aanvrage wordt aangevoerd dat sprake is van een persoonsverwisseling. Ten tijde van de aanhouding voor het onder 1 genoemde feit zou de broer van de aanvrager zich ten overstaan van de politie voor de aanvrager hebben uitgegeven. Die stelling wordt geadstrueerd door:
(i) een fotokopie van een handgeschreven verklaring van [betrokkene 1], geboren op 29 augustus 1975, van 21 januari 2002, in welke verklaring hij erkent dat hij de persoonsgegevens van zijn broer, de aanvrager, heeft gebruikt toen hij door de politie werd ondervraagd in verband met een door hem gepleegde poging tot oplichting op 26 januari 2000. Deze verklaring houdt tevens in dat [betrokkene 1] wel eens meer gebruik heeft gemaakt van de persoonsgegevens van zijn broer [aanvrager];
(ii) een fotokopie van een aanvullend proces-verbaal van de politie Regio Friesland van 17 juli 1998, onder meer inhoudende een zakelijk weergegeven verklaring van [betrokkene 1] van 15 juli 1998 inhoudende dat hij bij zijn aanhouding op 1 maart 1998 ter zake van het onbevoegd ledigen van parkeermeters de naam van zijn broer [aanvrager] heeft opgegeven. In datzelfde proces-verbaal relateert de politie op basis van dactyloscopisch onderzoek dat de op 1 maart 1998 aangehouden verdachte inderdaad [betrokkene 1] was.
4.3. Het zo-even genoemde levert niet een omstandigheid op als hiervoor onder 4.1 bedoeld. Uit het dossier blijkt dat de aanhouding ter zake van het onder 1 genoemde feit op 5 februari 2002 is geschied. Uit de hiervoor onder (i) genoemde verklaring van [betrokkene 1] blijkt niet dat hij op 5 februari 2002 de persoonsgegevens van zijn broer heeft gebruikt. Dat [betrokkene 1] bij eerdere gelegenheden de personalia van zijn broer zou hebben opgegeven, betekent nog niet dat hij dat ook op 5 februari 2002 heeft gedaan. Hetgeen in de aanvrage wordt aangevoerd kan derhalve niet het ernstig vermoeden wekken dat op 5 februari 2002 van een persoonsverwisseling sprake is geweest.
4.4. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage ongegrond is.
5. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 9 december 2008.