Strafrecht overig
Herziening. Veroordeling door de Pr blijft in stand. Nu de aangeboden transactie niet tijdig is betaald, is…
ECLI:NL:HR:2009:BI4371 · Hoge Raad · 19 mei 2009
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/herziening/ecli-nl-hr-2009-bi4371
Zaakgegevens
Op 19 mei 2009 heeft de Hoge Raad in een herzieningsprocedure uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 mei 2009
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 08/04363 H
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- HerzieningHerzieningEen onherroepelijke uitspraak wordt opnieuw bekeken, omdat er nieuwe feiten zijn die de rechter niet kende.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2009:BI4371
Samenvatting
Herziening. Veroordeling door de Pr blijft in stand. Nu de aangeboden transactie niet tijdig is betaald, is niet aan de door de OvJ gestelde voorwaarde ter voorkoming van strafvervolging voldaan, zodat het recht op strafvervolging van het OM niet is vervallen.
Uitspraak
19 mei 2009
Strafkamer
nr. 08/04363 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Utrecht van 2 juni 2006, nummer 16/357577-04, ingediend door mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort, namens:
[Aanvraagster], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvraagster ter zake van "mishandeling" veroordeeld tot een geldboete van € 300,-, subsidiair 6 dagen hechtenis. Voorts heeft de Politierechter de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en aan de aanvraagster een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het vonnis vermeld.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijk verklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. In de aanvrage wordt aangevoerd dat het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging indien reeds toen aan de Politierechter bekend zou zijn geweest dat de aanvraagster op 13 april 2006 was overgegaan tot betaling van het door haar op 18 oktober 2005 geaccepteerde transactieaanbod van € 180,-.
3.3. Die omstandigheid kan echter niet een ernstig vermoeden wekken als hiervoor onder 3.1 vermeld. Het door de aanvraagster geaccepteerde transactieaanbod hield in dat de aanvraagster binnen twee maanden na 18 oktober 2005, welke termijn op verzoek van de raadsvrouwe van de aanvraagster is verlengd tot 13 februari 2006, een transactie van € 180,- zou voldoen. De aanvraagster heeft niet tijdig betaald. Daarmee is niet voldaan aan de door de Officier van Justitie gestelde voorwaarde ter voorkoming van strafvervolging, zodat het recht tot strafvordering van het Openbaar Ministerie niet is vervallen. Een latere betaling van het transactiebedrag kan daarin geen verandering brengen.
3.4. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 19 mei 2009.