Strafrecht overig

Herziening. Nu de aanvrage steunt op gronden die reeds door de Hoge Raad ongenoegzaam zijn geoordeeld (LJN…

Zaakgegevens

Op 18 mei 2010 heeft de Hoge Raad in een herzieningsprocedure uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 mei 2010
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
09/02552 H
Procedure
Herziening
ECLI
ECLI:NL:HR:2010:BM4489
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Herziening. Nu de aanvrage steunt op gronden die reeds door de Hoge Raad ongenoegzaam zijn geoordeeld (LJN BI8140), kan zij wederom niet worden ontvangen.

Uitspraak

18 mei 2010

Strafkamer

nr. 09/02552 H

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 2 december 2003, nummer 21/002849-02, ingediend door:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle van 7 oktober 2002 - de aanvrager ter zake van 1, 2 en 3, telkens opleverend "overtreding van artikel 9, zesde lid, Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, met voor de feiten 1, 2 en 3 telkens de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee maanden.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvrage

Bij arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2009, LJN BI8140 is een eerdere aanvrage tot herziening van het arrest van het Hof niet-ontvankelijk verklaard. Nu de aanvrage steunt op gronden die in deze beslissing ongenoegzaam zijn geoordeeld, kan zij niet worden ontvangen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 18 mei 2010.