Strafrecht overig
Hoge Raad · Herziening · Strafrecht overig
ECLI:NL:HR:2010:BN6900 · Hoge Raad · 14 september 2010
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/herziening/ecli-nl-hr-2010-bn6900
Zaakgegevens
Op 14 september 2010 heeft de Hoge Raad in een herzieningsprocedure uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 september 2010
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 10/01264 H
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- HerzieningHerzieningEen onherroepelijke uitspraak wordt opnieuw bekeken, omdat er nieuwe feiten zijn die de rechter niet kende.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2010:BN6900
Samenvatting
Herziening.
Uitspraak
14 september 2010
Strafkamer
nr. 10/01264 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage, van 12 november 2008, nummer 09/601266-08, ingediend door mr. L. de Roode, advocaat te Gouda namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Kantonrechter heeft de aanvrager ter zake van "Overtreding artikel APV-Gouda 2004 4.1.5/1", gepleegd op 13 juli 2008, veroordeeld tot het betalen van een geldboete van € 130,-, subsidiair 2 dagen hechtenis, met verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen geluidsinstallatie.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. In de aanvrage wordt aangevoerd dat het onderzoek der zaak niet zou hebben geleid tot verbeurdverklaring van de geluidsinstallatie indien de Kantonrechter destijds bekend was geweest met de inhoud van een klaagschrift van 31 juli 2008 strekkende tot teruggave van die inbeslaggenomen installatie, dat de aanvrager bij de Rechtbank had ingediend.
3.3. Onder "eene minder zware strafbepaling" in de zin van art. 457, eerste lid onder 2o, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie.
3.4. Ook voor het overige behelst de aanvrage niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 14 september 2010.