Strafrecht overig
Herziening tul. Aanvrage n-o.
ECLI:NL:HR:2010:BO4137 · Hoge Raad · 16 november 2010
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/herziening/ecli-nl-hr-2010-bo4137
Zaakgegevens
Op 16 november 2010 heeft de Hoge Raad in een herzieningsprocedure uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 november 2010
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 10/02083 H
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- HerzieningHerzieningEen onherroepelijke uitspraak wordt opnieuw bekeken, omdat er nieuwe feiten zijn die de rechter niet kende.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2010:BO4137
Samenvatting
Herziening tul. Aanvrage n-o.
Uitspraak
16 november 2010
Strafkamer
Nr. 10/02083 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een beslissing van de Politierechter in de Rechtbank te Almelo van 8 augustus 2005, nummer 08/006334-02, ingediend door:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, wonende te [woonplaats].
1. De beslissing waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Almelo van 19 april 2004 ter zake van "mishandeling" opgelegde gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met een in dat vonnis nader omschreven bijzondere voorwaarde.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. De beslissing van de Politierechter van 8 augustus 2005 betreft een beslissing op de vordering van het Openbaar Ministerie als bedoeld in art. 14g Sr en is daarom niet een einduitspraak houdende veroordeling in de zin van art. 457, eerste lid, Sv. De aanvrage kan derhalve voor zover tegen deze beslissing gericht, niet worden ontvangen.
3.2. Voor zover de aanvrage geacht moet worden mede gericht te zijn tegen voormeld vonnis van de Politierechter van 19 april 2004 geldt het volgende.
3.3. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder
2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.4. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.3 vermeld. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en 460 Sv, ook in zoverre niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 16 november 2010.