Strafrecht overig
Herziening. Aanvraag afgewezen.
ECLI:NL:HR:2014:2961 · Hoge Raad · 14 oktober 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/herziening/ecli-nl-hr-2014-2961
Zaakgegevens
Op 14 oktober 2014 heeft de Hoge Raad in een herzieningsprocedure uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2014
- Datum publicatie
- 14 oktober 2014
- Zaaknummer
- 14/02557
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- HerzieningHerzieningEen onherroepelijke uitspraak wordt opnieuw bekeken, omdat er nieuwe feiten zijn die de rechter niet kende.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2014:2961
Samenvatting
Herziening. Aanvraag afgewezen.
Uitspraak
Inhoudsopgave
14 oktober 2014
Strafkamer
nr. 14/02557 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 23 oktober 2008, nummer 21/002760-07, ingediend door mr. J.H. Rump, advocaat te Zwolle, namens:
[aanvrager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.
1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Zutphen van 22 juni 2007 - de aanvrager ter zake van 1 "medeplegen van: moord", 2 "medeplegen van: opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden", 3 "diefstal door twee of meer verenigde personen", 4 "poging tot: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels", 5 "poging tot: afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen" en 6 "medeplegen van: een lijk verbergen, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen" veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien jaren.
2 De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3 Beoordeling van de aanvraag
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
In de aanvraag wordt aangevoerd dat het Hof ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde (medeplegen van moord), begaan op enig tijdstip in de periode van 25 juni 2006 tot en met 10 augustus 2006, tot een ander oordeel zou zijn gekomen dan een bewezenverklaring en de aanvrager daarvan zou hebben vrijgesproken, indien het Hof bekend zou zijn geweest met de bij de aanvraag gevoegde verklaring van [betrokkene].
Vooropgesteld dient te worden dat een aanvrager bij zijn aanvraag tot herziening aannemelijk moet maken dat en waarom getuigen op een hem belastende verklaring terugkomen. De door [betrokkene] opgegeven reden - te weten: "gewetenswroeging" - voor het terugkomen op zijn eerder afgelegde verklaring, zoals die voor het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde is gebezigd, levert echter onvoldoende grond op om aan te nemen dat deze - zeer gedetailleerde - verklaring onjuist is aangezien die enkele reden onvoldoende ondersteund en aannemelijk is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof de verklaring van [betrokkene], die op de meeste punten overeenkomt met het overigens door het Hof gebezigde bewijsmateriaal, uitvoerig heeft getoetst op betrouwbaarheid aan de hand van verklaringen van anderen en van resultaten van technisch onderzoek. De bij de aanvraag overgelegde verklaring wekt derhalve niet een ernstig vermoeden als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.
4 Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2014.
Mr. Balkema is buiten staat dit arrest te ondertekenen.