Belastingrecht

Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Belastingrecht

Parket bij de Hoge Raad, 22 januari 1923

Zaakgegevens

Op 22 januari 1923 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22 januari 1923
Datum publicatie
28 april 2025
Zaaknummer
1165
ECLI
ECLI:NL:PHR:1923:1
E-mail

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 22 januari 1923deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:1923:1

  2. Hoge Raad · 25 april 1923

    ECLI:NL:HR:1923:291

Conclusie

hP. 1165

De Procureur-Generaal;

Overwegende, dat de Raad van Beroep in de bestreden beslissing overweegt: "dat het door den inspecteur in zijn vertoogschrift en nader nog mondeling ter zitting aangevoerde, dat met de exploitatie der percelen [a-straat] door appellant werd bedoeld exploitatie in ruimen zin, zoodat hieronder ook verstaan moet worden het te gelegener tijd met winst verkoopen van huizen, en appellant mitsdien als handelaar in huizen moet worden aangemerkt, door den Raad kan worden voorbijgegaan, zijnde dit bij de behandeling van appellant's bezwaar in eerste instantie geen punt van overweging geweest, en dit alles ook thans geen punt van overweging kan uitmaken";

Overwegende, dat die beslissing slechts in dien zin is te verstaan, dat de inspecteur in zijn vertoogschrift geen nieuw onderwerp van geschil kan opwerpen, daar dit uitsluitend, gelijk de naam "vertoogschrift" reeds aanduidt, strekt om het "beroepschrift" te beantwoorden;

Overwegende, dat aldus gelezen, daardoor het eerste middels als feitelijk ongegrond is te beschouwen;

Overwegende, dat ook de tweede grief niet tot cassatie kan leiden;

Overwegende toch, dat de Raad van Beroep overweegt: "dat de verkoop der huizen - geschied ter voldoening aan eene aan appellant voor de aanvaarding eener betrekking gestelde voorwaarde - voor appellant niet is geweest eene vrijwillige verkoop, maar integendeel eene waartoe hij door bijzondere omstandigheden werd gedwongen en mitsdien niet kan worden aangemerkt als een bedrijfsdaad";

Overwegende immers, dat die overweging, in verband gebracht met de vooraf vastgelegde feiten, de beslissing dragen kan;

Overwegende toch, dat eene bedrijfsdaad uitvloeisel en gevolg zijn moet van de uitoefening

van een bedrijf op richtige wijze;

Overwegende, dat het onderwerpelijke niet het bedrijf tot verkoop noopte, zonder eene aangegane verplichting, die met het bedrijf in generlei verband stond; Overwegende, dat derhalve de verkoop geen bedrijfsdaad was; Concludeert tot verwerping van het beroep.

Parket 22 Januari 1923

Tak A-G.