Belastingrecht
Hoge Raad · Cassatie · Belastingrecht
ECLI:NL:HR:1923:291 · Hoge Raad · 25 april 1923
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-1923-291
Zaakgegevens
Op 25 april 1923 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 april 1923
- Datum publicatie
- 28 april 2025
- Zaaknummer
- 1165
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:1923:291
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 22 januari 1923
ECLI:NL:PHR:1923:1Hoge Raad · 25 april 1923deze uitspraak
ECLI:NL:HR:1923:291
Uitspraak
N 1165
DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Gezien het beroepschrift in cassatie van den 'Minister van Financiën tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te 's-Gravenhage van 29 September 1922 in zake den aan [X] te [Z] opgelegden aanslag in de Rijksinkomstenbelasting, belastingjaar 1919/20;
Gezien de stukken;
Gelet op de schriftelijke conclusie van den Advocaat-Generaal Tak, namens den Procureur-Generaal, strekkende tot verwerping van het beroep;
Overwegende dat blijkens de bestreden uitspraak het geschil tusschen den Inspecteur en den belanghebbende uitsluitend loopt over de vraag, of een bedrag van f 12.200 .- ,hetwelk vertegenwoordigt het voordeel door belanghebbende verkregen door den verkoop van acht perceelen aan de [a-straat] te [Z], voor belanghebbende al dan niet inkomen is, dat in aanmerking komt voor zijn aanslag in de Rijksinkomstenbelasting, belastingjaar 1919/20;
dat de Raad met den belanghebbende deze vraag 80189710 ontkennend heeft beantwoord;
dat de Raad daartoe vooreerst heeft overwogen:
dat het door den Inspecteur in zijn vertoogschrift en nader nog mondeling ter zitting aangevoerde, dat met de exploitatie der perceelen [a-straat] door appellant werd bedoeld exploitatie in ruimenzin, zoodat hieronder ook verstaan moet worden het te gelegener tijd met winst verkoopen van huizen, en appellant mitsdien als handelaar in huizen moet worden aangemerkt, door den Raad kan worden voorbij gegaan, zijnde dit bij de behandeling van appellant's bezwaar in eerste instantie geen punt van overweging geweest, en dit alzoo ook thans geen punt van overweging kan uitmaken";
dat de Raad vervolgens heeft beslist, dat de verkoop der huizen geene bedrijfsdaad van belanghebbende is geweest, omdat de verkoop geschied is ter voldoening aan eene aan belanghebbende voor de aanvaarding eener betrekking gestelde voorwaarde, en mitsdien niet vrijwillig doch gedwongen, zoodat het bij den verkoop behaalde voordeel is te beschouwen als kapitaalsvermeerdering en niet behoort tot het inkomen van belanghebbende;
Overwegende dat tegen 's Raads uitspraak wordt opgekomen met twee middelen van cassatie:
1º Schending, althans verkeerde toepassing van artikel 16 der Wet van 19 December 1914 (Staatsblad nº 564) , in verband met artikel ll der Wet op de Inkomstenbelasting 1914,door te beslissen, dat het door den Inspecteur in zijn vertoogschrift en nader nog mondeling ter zitting aangevoerde, dat appellant als handelaar in huizen moet worden aangemerkt door den Raad kan worden voorbijgegaan, zijnde dit bij de behandeling van appellants bezwaar in eerste instantie geen punt van overweging geweest, en dit alzoo thans geen punt van overweging kan uitmaken;
2º Schending, althans verkeerde toepassing van artikel 16 der Wet van 19 December 1914 (Staatsblad nº 564), in verband met de artikelen 4 en 7 der Wet op de Inkomstenbelasting 1914, ten deze van toepassing krachtens artikel 10 der Wet op de Oorlogswinstbelasting 1916, door te beslissen, dat de verkoop van de huizen niet kan worden aangemerkt als een bedrijfsdaad, aangezien de verkoop voor appellant niet is geweest een vrijwillige verkoop;
Overwegende omtrent het eerste middel:
dat de, taak van den Raad van Beroep omvat het uitspraak doen - en wel in eerste instantie, zijnde het toch niet juist de behandeling van het bezwaarschrift door den Inspecteur als eene instantie in de belastingprocedure te beschouwen, - in alle geschillen, welke met betrekking tot een bepaalden belastingaanslag door partijen aan zijn oordeel; worden onderworpen;
dat de wet niet voorschrijft, dat deze geschillen beperkt-moeten blijven tot die meeningsverschillen, welke uit de beschikking op het door den belastingplichtige ingediende bezwaarschrift mochten blijken tusschen partijen te bestaan;
dat dan ook de belastingplichtige bij de bestrijding in zijn beroepschrift van de in de artikelen 76 en 77 der Wet op de Inkomstenbelasting 1914 bedoelde uitspraak geheel vrij is in het te berde brengen van grieven tegen den bij die uitspraak gehandhaafden of verminderden aanslag, doch anderzijds de Inspecteur niet beperkt is in het bij zijn vertoogschrift aanvoeren van al de zoodanige gronden, welke hij ter staving van de juistheid van dien aanslag moch dienstig achten;
dat het derhalve den Inspecteur vrij stond ter verdediging van het onder het inkomen opnemen van bovenvermeld bedrag van f 12200. - , uitmakende het voordeel door belanghebbende verkregen door den verkoop van zekere perceelen vast goed, er zich in zijn vertoogschrift op te beroepen, dat onder de exploitatie van die perceelen "ook verstaan moet worden het te gelegener tijd met winst verkoopen van huizen en appellant mitsdien als handelaar in huizen moet worden aangemerkt";
dat dan ook de Raad van Beroep heeft gehandeld in strijd met de artikelen 11 en 16 der Wet van 19 December 1914 (Staatsblad nº 564), door dezen door den Inspecteur aangevoerden grond geen punt van overweging te doen uitmaken en derhalve daaromtrent geene beslissing te geven;
Overwegende dat mitsdien het eerste middel is gegrond en in verband daarmede het tweede middel buiten onderzoek kan blijven;
Vernietigt de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te 's-Gravenhage, den 29sten September 1922 in deze zaak gedaan;
Verwijst de zaak naar genoemden Raad van Beroep, ten einde haar met inachtneming van dit arrest verder te behandelen en te beslissen.
Gedaan bij de Heeren Jhr.de Savornin Lohman, President, Segers, Savelberg, van den Dries en Schepel, Raden, in tegenwoordigheid van Jhr. van Panhuys, Griffier, en door den President uitgesproken ter Raadkamer van den vijf en twintigsten April 1900 Drie en Twintig.