Belastingrecht
Parkeerbelasting. Art. 2, art. 6, art. 7 en art. 8 Bekendmakingswet; Besluit elektronische publicaties…
ECLI:NL:PHR:2026:866 · Parket bij de Hoge Raad · 11 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/ecli-nl-phr-2026-866
Zaakgegevens
Op 11 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 september 2026
- Datum publicatie
- 10 september 2026
- Zaaknummers
- 25/04850, 25/04851, 25/04853
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:866
Samenvatting
Parkeerbelasting. Art. 2, art. 6, art. 7 en art. 8 Bekendmakingswet; Besluit elektronische publicaties; Regeling elektronische publicaties. Is de bijlage (met onder meer aanwijzingen parkeergebieden en parkeerduur) bij de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022 op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt? Wat is het elektronisch uitgegeven Gemeenteblad: (i) de webpagina waarop het Gemeenteblad is gepubliceerd, of (ii) de pdf-uitgave van het Gemeenteblad op die webpagina?
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummers 25/04850, 25/04851 en 25/04853
Datum 11 september 2026
Belastingkamer B
Onderwerp/periode Parkeerbelasting februari-april 2023
Nrs. Gerechtshof <zie tabel>
Nrs. Rechtbank <zie tabel>
CONCLUSIE
M.R.T. Pauwels
in de zaken van
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (het College)
tegen
1 [X1] (25/04850)
2. [X2] (25/04851)
3. [X3] (25/04853)
(samen: belanghebbenden)
1. Inleiding en overzicht
Gezamenlijke conclusie
In dit document neem ik conclusie in drie zaken van drie verschillende belanghebbenden. De gemene deler van die zaken is dat ieder van belanghebbenden zich verzet tegen de heffing van parkeerbelasting van de gemeente Den Haag (de Gemeente) met in hoger beroep (onder meer) het argument dat de bijlage die onder meer de aanwijzing van plaatsen en tijden voor betaald parkeren regelt (Bijlage 1), niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Belanghebbenden worden bijgestaan door dezelfde gemachtigde. Het gerechtshof Den Haag (het Hof) heeft in elke zaak de belanghebbende in het gelijk gesteld en de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraken in elk van de zaken zijn bijna volledig identiek aan elkaar. Het College heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraken. Ieder van belanghebbenden heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. In elke zaak zijn de processtukken in cassatie – zowel die van het College als die van de gemachtigde – nagenoeg identiek. Ik concludeer daarom in de drie zaken in één document. De zaaknummers zijn als volgt:
|
Belanghebbende |
Zaaknummers |
||
|
Hoge Raad |
Gerechtshof |
Rechtbank |
|
|
1 |
25/04850 |
BK-24/861 |
SGR 23/5251 |
|
2 |
25/04851 |
BK-24/959 |
SGR 23/5252 |
|
3 |
25/04853 |
BK-24/960 |
SGR 23/5255 |
Nauwelijks aandacht voor de incidentele beroepen in cassatie
Ik besteed in deze conclusie nauwelijks aandacht aan de incidentele beroepen in cassatie, die betrekking hebben op de (proces)kostenvergoeding voor de bezwaar en beroepsfase. Deze beroepen zijn overigens naar mijn mening wel gegrond (zie 7.3-7.4).
Kern van de kwestie en mijn opvatting daarover
De vraag die voorligt is of Bijlage 1 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Het gaat om een bijlage die behoort bij de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022 (de Regeling). De bedoelde vraag is opgekomen omdat Bijlage 1 niet achteraan de Regeling is opgenomen die is geplaatst in het Gemeenteblad van 2021 met nr. 471695, dat is uitgegeven op een webpagina van de website https://www.officielebekendmakingen.nl. Dat geldt zowel voor de Regeling zoals opgenomen in het pdf-bestand dat te vinden is op die webpagina als voor de html-weergave van de tekst van de Regeling op dezelfde webpagina. Bijlage 1 is wel te raadplegen via een link die op die webpagina is opgenomen onder het kopje “Externe bijlagen”. Zie het screenshot in 3.3.
Nadat ik de voorliggende vraag heb afgepeld aan de hand van de normen in de Bekendmakingswet (6.2-6.15), kom ik erop uit dat voor beantwoording van die vraag beslissend of Bijlage 1 is geplaatst in het Gemeenteblad. De kern van de kwestie is daarmee wat het elektronisch uitgegeven Gemeenteblad precies is: (i) is dat de webpagina van de website https://www.officielebekendmakingen.nl waarop het Gemeenteblad is gepubliceerd (opvatting College), of (ii) is dat de pdf-uitgave van het Gemeenteblad op die webpagina (opvatting Hof en belanghebbenden).
Ik meen dat uit de Bekendmakingswet in combinatie met de onderliggende regelgeving volgt dat het om de pdf-uitgave gaat (6.16-6.27).
Dit betekent dat de oorspronkelijke Bijlage 1 niet in het Gemeenteblad is bekendgemaakt. Dat geldt ook voor de nieuwe versies van Bijlage 1 die nadien zijn vastgesteld en gepubliceerd (tot 20 november 2025), waaronder de twee versies die relevant zijn voor de onderhavige zaken, aangezien de wijze van publicatie van die versies niet op relevante wijze afwijkt van die van de oorspronkelijke Bijlage 1 (6.28-6.29).
Dit betekent dat de Regeling niet op de in art. 6 Bekendmakingswet voorgeschreven wijze is bekendgemaakt voor zover het gaat om Bijlage 1, en daarom (tot 20 november 2025) in zoverre niet in werking is getreden (6.30-6.31). Anders dan het College betoogt, maken de arresten HR BNB 2019/149 en HR BNB 2024/71 dat niet anders (6.32-6.33).
In aanmerking genomen dat niet teruggevallen kan worden op een voorafgaande regeling, brengt dit mee dat in elk van de zaken niet kan worden geoordeeld dat het parkeren op de desbetreffende plaats een belastbaar feit voor de parkeerbelasting is. Het Hof heeft de naheffingsaanslagen daarom terecht vernietigd (6.34-6.36).
Breder belang (?)
Op het eerste gezicht lijkt het evident dat de voorliggende kwestie een breder belang heeft gelet op de uitstralingseffecten naar andere naheffingsaanslagen parkeerbelasting van de Gemeente. Toch rijst de vraag wat het bredere belang is. In de beroepschriften in cassatie is namelijk vermeld dat de Gemeente zich genoodzaakt heeft gevoeld om, in beginsel, in alle lopende bezwaar- en (hoger)beroepsprocedures naheffingsaanslagen parkeerbelasting te verminderen tot nihil. Verder is daags na de uitspraken van het Hof Bijlage 1 alsnog gepubliceerd in een pdf-uitgave van het Gemeenteblad (zie 3.10). Bovendien heeft de Gemeente inmiddels de regelgevingstechniek aangepast in die zin dat – kort gezegd – de inhoud van Bijlage 1 thans is opgenomen in een afzonderlijk (in het Gemeenteblad gepubliceerd) aanwijzingsbesluit (zie 6.5).
Ik krijg gelet op dit een en ander niet goed mijn vinger er achter wat de beweegreden is voor het College om beroep in cassatie in te stellen, althans welk (algemeen) belang daarmee is gediend. Ik merk daarbij op dat het naar mijn indruk niet zo is dat er sprake is van rechtsonzekerheid in die zin dat onduidelijkheid in de (regelgevings)praktijk bestaat hoe een bijlage zoals Bijlage 1 moet worden gepubliceerd. Daarvoor bestaan bovendien praktische instructies vanuit KOOP en de VNG (zie 4.39-4.43).
Opbouw conclusie
In onderdeel 3 neem ik informatie op over Bijlage 1, in aanvulling op de informatie over de wijze van publicatie van Bijlage 1 zoals vastgesteld door het Hof en hier opgenomen in 2.6-2.7. Onderdeel 4 behandelt de regels in de Bekendmakingswet (en onderliggende regelgeving) voor de bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften en besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht. In onderdeel 5 besteed ik aandacht aan de uiteenlopende opvattingen van rechtbank Den Haag en van het Hof over de voorliggende kwestie, alsmede enige annotaties bij de uitspaken van deze gerechten. Onderdeel 6 bevat mijn beschouwing, waarvan ik hiervoor de hoofdlijn heb weergegeven. Tot slot volgt in onderdeel 7 de (korte) beoordeling van de middelen.
Conclusie
Naar mijn oordeel zijn de principale beroepen in cassatie ongegrond en zijn de incidentele beroepen in cassatie gegrond.
2. De feiten, de relevante parkeerbelastingregelgeving, uitspraken feitenrechters, en het geding in cassatie
De feiten
Aan ieder van belanghebbenden is in de periode februari 2023 tot en met april 2023 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Den Haag (de Gemeente) opgelegd wegens het parkeren van een auto zonder geldige parkeervergunning en zonder betaling van parkeerbelasting.
Relevante parkeerbelastingregelgeving
De raad van de Gemeente heeft in een openbare vergadering van 4 november 2021 de Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022 (de Verordening) vastgesteld. De Verordening is bekendgemaakt door plaatsing in het elektronisch uitgegeven gemeenteblad van de Gemeente (het Gemeenteblad) op 23 december 2021 met nr. 470965. Art. 6:3 Verordening bepaalt dat de Verordening in werking treedt met ingang van 1 januari 2022.
Art. 5:8 Verordening bepaalt onder meer dat de plaatsen waar mag worden geparkeerd tegen betaling van parkeerbelasting, worden aangewezen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (het college van B&W):
“De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 5:1, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college bij openbaar te maken besluit.”
Het college van B&W heeft bij besluit van 21 december 2021 de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022 (de Regeling) vastgesteld. De Regeling is bekendgemaakt door plaatsing in het Gemeenteblad op (eveneens) 23 december 2021 met nr. 471695. Volgens art. 6.4 treedt de Regeling in werking met ingang van 1 januari 2022.
In de Regeling is over de aanwijzing van parkeergebieden het volgende opgenomen:
“Hoofdstuk 2 Parkeergebieden en parkeerregelingen
Paragraaf 2.1 Aanwijzing parkeergebieden
Artikel 2.1.1 Plaatsen en tijden betaald parkeren en de toepassing van de wielklem
De bij dit besluit behorende bijlage 1 ‘Plaatsen en tijden betaald parkeren en de toepassing van de wielklem’ vermeldt:
a. de plaatsen waar en de tijden waarop tegen betaling van de parkeerbelastingen als bedoeld in artikel 5:1 van de verordening mag worden geparkeerd;
b. de plaatsen waar de wielklem wordt toegepast; en
c. de plaatsen waar mag worden geparkeerd met een vergunning als bedoeld in artikel 2:1 van de verordening.”
Wijze van feitelijke publicatie van Bijlage 1
De in art. 2.1.1 Regeling bedoelde bijlage (Bijlage 1) is niet achteraan de Regeling geplaatst in het Gemeenteblad van 2021 met nr. 471695 zoals dat op 23 december 2021 is gepubliceerd op een webpagina van de website https://www.officielebekendmakingen.nl. Dit geldt zowel voor de Regeling zoals opgenomen in het bestand (“Authentieke versie (PDF)”) dat te vinden is op die webpagina als voor de html-weergave van de tekst van de Regeling op dezelfde webpagina. Bijlage 1 is wel te raadplegen via die webpagina. Dat kan door het klikken/drukken van de link “exb-2021-75079” onder het kopje “Externe bijlagen”, dat weer onder het kopje ‘Gerelateerd’ staat (zie 3.3). Bijlage 1 zelf is opgenomen op een (webpagina van een) andere website, te weten repository.officiele-overheidspublicaties.nl.
Bijlage 1 is een pdf-bestand dat 67 pagina’s bevat. Bijlage 1 betreft een overzicht in tabelvorm per straat, straatdeel (indien van toepassing), tijden waarop sprake is van betaald parkeren, de maximale parkeertijd (indien van toepassing) en de gebiedscode parkeervergunning.
Rechtbank Den Haag
Nadat de heffingsambtenaar van de Gemeente elk van de bezwaren van de belanghebbenden ongegrond heeft verklaard, heeft ieder van belanghebbenden beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag (de Rechtbank). De Rechtbank heeft elk van de beroepen ongegrond verklaard. Bij de Rechtbank hebben belanghebbenden niet aangevoerd dat Bijlage 1 niet is gepubliceerd in het Gemeenteblad.
Gerechtshof Den Haag
Ieder van belanghebbenden heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft elk hoger beroep gegrond verklaard en elk van de naheffingsaanslagen vernietigd. Voor het Hof hebben belanghebbenden zich op het standpunt gesteld dat Bijlage 1 niet is gepubliceerd in het Gemeenteblad en dat zich daardoor geen belastbaar feit voor de parkeerbelasting heeft voorgedaan.
Het Hof heeft belanghebbenden in het gelijk gesteld. In de kern heeft het Hof, voor zover van belang in cassatie, het volgende overwogen:
- De informatie in Bijlage 1 is niet als onlosmakelijk behorende bij en deel uitmakende van de Regeling gepubliceerd in het Gemeenteblad (rov. 5.4).
- Op grond van art. 3:42 Awb en artikel 6 Bekendmakingswet, in onderlinge samenhang bezien, moet de bekendmaking van een besluit dat is gericht tot een of meer belanghebbenden, zoals de Regeling, geschieden door integrale plaatsing daarvan in het Gemeenteblad (rov. 5.5).
- De Regeling, anders dan de Verordening, is niet integraal gepubliceerd in het Gemeenteblad, aangezien Bijlage 1 niet in het Gemeenteblad is geplaatst, maar elders op het internet. Hieraan doet niet af dat Bijlage 1 is geplaatst op een website met in het adres de vermelding officiele-overheidspublicaties.nl en aldaar vindbaar is als externe bijlage bij de Regeling (rov. 5.6).
- Niet is gebleken dat zich een situatie heeft voorgedaan als bedoeld in art. 7(2) Bekendmakingswet, te weten dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, wegens de aard of omvang van Bijlage 1, ermee heeft ingestemd dat Bijlage 1 op een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het Gemeenteblad wordt bekendgemaakt (rov. 5.7).
- Omdat niet aan de publicatievoorschriften is voldaan, is Bijlage 1 niet in werking getreden (rov. 5.8).
- Ook is niet gesteld of gebleken dat de inhoud van Bijlage 1 in een regeling met betrekking tot voorgaande tijdvakken is gepubliceerd op een wijze die wel in overeenstemming is met de Bekendmakingswet en dat die voorgaande regeling niet is ingetrokken, zodat voor de heffing niet kan worden teruggevallen op een voorgaande regeling. Daarom heeft zich geen belastbaar feit voorgedaan en moet de naheffingsaanslag worden vernietigd (rov. 5.9).
Het Hof heeft de Heffingsambtenaar in de kosten van bezwaar, de proceskosten voor beroep en die voor hoger beroep veroordeeld. Daarbij heeft het Hof (rov. 6.1) voor elke fase de drie zaken aangemerkt als samenhangende zaken als bedoeld in art. 3(2) Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). In elk van de zaken heeft het Hof een derde van het berekende bedrag aan (proces)kostenvergoeding toegekend.
Geding in cassatie
Het College heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het College heeft in het principale beroep in cassatie een conclusie van repliek ingediend en tevens in het incidentele beroep in cassatie zijn zienswijze naar voren gebracht. Belanghebbende heeft in het principale beroep in cassatie een conclusie van dupliek en in het incidentele beroep in cassatie een conclusie van repliek ingediend.
Principaal beroep in cassatie
In het beroepschrift in cassatie van het College worden twee klachten voorgesteld.
Klacht I verwijt het Hof dat het een verkeerde uitleg heeft gegeven aan de Bekendmakingswet. Bijlage 1 is opgenomen in het Gemeenteblad (waarbij wordt gewezen op de website https://www.officielebekendmakingen.nl en een screenshot daarvan), bij de tekst van de Regeling. Dat maakt dat Bijlage 1 is gepubliceerd, dan wel geacht moet worden te zijn gepubliceerd, in het Gemeenteblad (cursivering van het College). Bijlage 1 is gepubliceerd binnen de site https://www.officielebekendmakingen.nl, een omgeving die wordt voorgeschreven door art. 6 Bekendmakingswet, art. 3.1 Besluit elektronische publicaties en art. 2.1 Regeling elektronische publicaties (cursivering van het College). Die website is het digitale gemeenteblad, aldus nog steeds de klacht.
Klacht II voert aan dat het Hof ten onrechte de kenbaarheid van de Regeling (bedoeld zal ook zijn: Bijlage 1) niet heeft beoordeeld. Afwijking van de voorgeschreven wijze van bekendmaking staat niet per definitie in de weg aan verbindendheid.
Incidenteel beroep in cassatie
Het incidentele beroep in cassatie bevat één middel. Het oordeel van het Hof om samenhang in de zaken aan te nemen wordt door het middel bestreden voor zover het gaat om de bezwaar- en de beroepsfase.
3 Aanvullende informatie over Bijlage 1
Hiervoor in 2.6 heb ik gegevens opgenomen over de wijze van feitelijke publicatie van Bijlage 1, gebaseerd op de vaststelling door het Hof, voor zover die in cassatie niet is bestreden. Hierna neem ik nog enige aanvullende informatie op wat betreft Bijlage 1.
Zichtbaarheid Bijlage 1 op officielebekendmakingen.nl
Zoals vermeld in 2.6 is Bijlage 1 te raadplegen via de webpagina van de website https://www.officielebekendmakingen.nl waarop het Gemeenteblad van 2021 met nr. 471695 is gepubliceerd, en wel via de link “exb-2021-75079” onder het kopje “Externe bijlagen”, dat weer onder het kopje “Gerelateerd” staat.
De weergave van die webpagina verschilt naargelang de resolutie van het scherm waarmee de pagina wordt bekeken. De webpagina ziet er in resolutie 2048x1152 pixels als volgt uit (screenshot van 24 juli 2026):
[afbeelding niet beschikbaar]Scherff heeft in een noot (zie 5.8) erop gewezen dat in monitorresolutie van 1920x1080 pixels waarbij het scherm is verdeeld in twee vensters, de linkerkantlijn niet zichtbaar is. De auteur geeft daarvan het volgende screenshot:
[afbeelding niet beschikbaar]Dit spoort met de bevindingen van mijn medewerker met raadpleging van de webpagina in mobieletelefoonmodus. Als de resolutie te klein is om de hiervoor vermelde informatie volledig weer te geven, dan zijn extra handelingen vereist om de link naar Bijlage 1 te zien en om Bijlage 1 te raadplegen. Voor het raadplegen van Bijlage 1 is het in zo’n geval nodig om op de knop “Details” te drukken om zo de link “exb-2021-75079” onder het kopje “Externe bijlagen” zichtbaar te maken. Dat ziet er als volgt uit (screenshot van 24 juli 2026):
[afbeelding niet beschikbaar]Wijzigingen in de Regeling en/of van de Bijlage 1 na de publicatie
Regelgeving in geconsolideerde vorm van decentrale overheden is te vinden op de website https://www.lokaleregelgeving.overheid.nl (zie daarover 4.38). Dat geldt ook voor de Regeling. Op de webpagina’s van die site waarop de Regeling te vinden is, staat ook “Wetstechnische informatie”. Raadpleging daarvan leert dat de Regeling na haar inwerkingtreding diverse keren is gewijzigd. Voor zover relevant voor deze zaak – gelet op de datums waarop belanghebbenden hebben geparkeerd (zie 2.1) – gaat het om wijzigingen bij de volgende regelingen:
- Regeling tot wijziging van de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022, met inwerkingtreding 1 april 2022.
- Regeling tot tweede wijziging van [etc], , met inwerkingtreding 1 juni 2022.
- Regeling tot derde wijziging van [etc], met inwerkingtreding 1 juni 2022.
- Regeling tot vierde wijziging van [etc], met inwerkingtreding 15 juli 2022.
- Regeling tot vijfde wijziging van [etc], met inwerkingtreding 1 oktober 2022.
- Regeling tot zesde wijziging van [etc], met inwerkingtreding 1 januari 2023.
- Regeling tot zevende wijziging van [etc], met inwerkingtreding 1 april 2023.
Bij elk van de wijzigingen is ook steeds de Bijlage 1 vervangen. Sterker nog, de tweede, derde, vierde, vijfde en zevende wijziging bestaan elk uit alleen een vervanging van de Bijlage 1. Een vervanging van Bijlage 1 is niet steeds hetzelfde geformuleerd in de diverse wijzigingsregelingen. Een voorbeeld van de meest voorkomende formulering is die in de tweede wijzigingsregeling:
“Artikel I
De Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022 wordt als volgt gewijzigd:
A Bijlage 1 wordt vervangen door bijlage 1 die is opgenomen in bijlage I bij deze regeling.”
Voor deze zaak is vooral van belang dat, bij de bekendmaking van elk van de wijzigingsregelingen in het Gemeenteblad op de website https://www.officielebekendmakingen.nl, de wijze van feitelijke publicatie van de nieuwe versie van Bijlage 1 in de kern hetzelfde is als die van de oorspronkelijke Bijlage 1, zoals eerder vermeld en weergegeven in 2.6 en 3.3. Dat wil onder meer zeggen: de nieuwe versie is niet onderaan de desbetreffende wijzigingsregeling opgenomen (niet in de pdf-versie en evenmin in de html-versie), maar is te raadplegen via een link die onder het kopje “Externe bijlagen”, dat weer onder het kopje “Gerelateerd” staat, welke link naar een pdf leidt die is geplaatst op de website repository.officiele-overheidspublicaties.nl.
Reactie gemeente Den Haag op uitspraken Hof
Op het moment dat de onderhavige uitspraken van het Hof zijn gedaan, te weten op 19 november 2025, was de laatste wijzigingsregeling de Regeling tot negentiende wijziging van de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022, met inwerkingtreding 1 november 2025. Net zoals enige eerdere wijzigingsregelingen (zie 3.7), bestond ook die wijzigingsregeling alleen uit een vervanging van Bijlage 1 (in verband met de invoering van betaald parkeren in twee gebieden). Ook de feitelijke wijze van publicatie van die nieuwe versie van Bijlage 1 was hetzelfde als die van eerdere versies, zoals zojuist vermeld in 3.8.
Het college van B&W heeft de dag na de onderhavige uitspraken van het Hof, dus op 20 november 2025, de Regeling tot negentiende wijziging van de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022 opnieuw bekendgemaakt in het Gemeenteblad, met een nieuw nummer, zij het met een andere feitelijke wijze van publicatie van de nieuwe versie van Bijlage 1. De nieuwe versie van Bijlage 1 is namelijk bij deze bekendmaking in het Gemeenteblad wel onderaan de wijzigingsregeling opgenomen, zowel in de pdf-versie als in de html-versie, en er is onder het kopje “Gerelateerd” geen kopje “Externe bijlagen” meer opgenomen met een link naar Bijlage 1.
Invloed feitelijke wijze van publicatie van Bijlage 1 op de kenbaarheid van Bijlage 1 in geconsolideerde regelgeving
Zoals hierna in 4.34 e.v. aan de orde komt, bestaat op grond van art. 19 Bekendmakingswet de verplichting voor bestuursorganen om regelgeving in geconsolideerde vorm beschikbaar te stellen. Regelgeving in geconsolideerde vorm van decentrale overheden is te vinden op de website https://www.lokaleregelgeving.overheid.nl.
De in 2.6 en 3.8 vermelde feitelijke wijze van publicatie van (de verschillende versies van) Bijlage 1 tot 20 november 2025 heeft haar weerslag op de kenbaarheid van Bijlage 1 via die website. In de verschillende geconsolideerde versies van de Regeling tot 20 november 2025 op die website is Bijlage 1 namelijk niet te vinden onderaan de Regeling als het tabblad “Regeling tekst” wordt geraadpleegd. Ter illustratie wijs ik op (i) de geconsolideerde versie van de Regeling tot het moment van de eerste wijziging, (ii) de geconsolideerde versie na de zesde wijziging, en (iii) de geconsolideerde versie na de negentiende wijziging. Bijlage 1 is slechts te vinden via een link op het tabblad ‘Wetstechnische informatie’, met dien verstande dat Bijlage 1 niet eens met zoveel woorden wordt genoemd bij die link naast “Externe bijlagen”.
Ter contrast: in de geconsolideerde versie van de Regeling van(af) 20 november 2025 op de website https://www.lokaleregelgeving.overheid.nl is – als gevolg van de in 3.10 vermelde andere wijze van publicatie van Bijlage 1 – Bijlage 1 wél onderaan de Regeling te vinden.
De feitelijke wijze van publicatie van Bijlage 1 tot 20 november 2025 bracht dus mee dat Bijlage 1 niet kenbaar was in de Regeling in geconsolideerde vorm zoals beschikbaar gesteld op de website https://www.lokaleregelgeving.overheid.nl.
4 De bekendmaking van algemene overheidsbesluiten van gemeenten
Dit onderdeel behandelt de regels voor de bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften en besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht (hierna tezamen: algemene overheidsbesluiten) door decentrale overheden, in het bijzonder gemeenten. Centraal staat de regeling in de Bekendmakingswet zoals die geldt vanaf 1 juli 2021 en haar wetshistorie. Waar relevant komen de regels aan de orde die vóór 1 juli 2021 golden voor decentrale overheden.
Historie van de Bekendmakingswet in hoofdlijnen
De Bekendmakingswet is met ingang van 17 februari 1988 in werking getreden. De Bekendmakingswet strekt ertoe uitvoering te geven aan art. 88 en 89(3-4) Grondwet. Volgens art. 88 en 89(3-4) Grondwet moet de wet de bekendmaking en de inwerkingtreding van wetten, algemene maatregelen van bestuur en algemene verbindende voorschriften van het Rijk regelen.
Aanvankelijk had de Bekendmakingswet alleen betrekking op de bekendmaking van wetten, algemene maatregelen van bestuur en algemene verbindende voorschriften van de centrale overheid. Rechtsgeldige bekendmaking van die overheidsbesluiten kon destijds alleen geschieden door middel van gedrukte publicaties in het Staatsblad en de Staatscourant. Voor de bekendmaking van algemene overheidsbesluiten door decentrale overheden gold een eigen wijze van bekendmaken, meestal te vinden in de organieke wet. Zo regelde art. 139 Gemeentewet tot 1 juli 2021 de bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften door gemeenten.
Door de opkomst van elektronische media, in het bijzonder internet, en de daaruit voortvloeiende mogelijkheden om burgers snel, goedkoop en volledig te informeren, is met ingang 1 juli 2009 de Bekendmakingswet gewijzigd door de Wet elektronische bekendmaking. Sinds dat moment worden publicaties in het Staatsblad en de Staatscourant in elektronische vorm in plaats van in gedrukte vorm uitgegeven. De Wet elektronische bekendmaking voorzag voor de uitgifte van publicatiebladen van decentrale overheden in een overgangsperiode: die publicatiebladen mochten in elektronische vorm worden uitgegeven. Met ingang van 1 januari 2014 is uitgifte in elektronische vorm een verplichting geworden voor gemeenten, provincies en waterschappen.
Met ingang van 1 juli 2021 is door de Wet elektronische publicaties de Bekendmakingswet geheel herschreven en zijn de bekendmakingsregelingen die golden voor decentrale overheden overgeheveld naar de Bekendmakingswet. De wetgever heeft daarmee beoogd om de toegankelijkheid van algemene overheidsbesluiten te vergroten en de uitgifte van publicatiebladen door de centrale overheid en decentrale overheden te stroomlijnen. De Bekendmakingswet, samen met de gedelegeerde regelgeving (te weten het Besluit elektronische publicaties en de Regeling elektronische publicaties), bevat sinds 1 juli 2021 daarom alle regels voor de bekendmaking van algemene overheidsbesluiten door de verschillende overheden die Nederland kent. In de kern geldt dat bekendmaking geschiedt op elektronische wijze.
Inhoud van de Bekendmakingswet met betrekking tot decentrale overheden
Hierna geef ik een overzicht van de inhoud van de Bekendmakingswet en de wetsgeschiedenis voor zover relevant voor deze conclusie. Dat doe ik themagewijs, grotendeels aan de hand van de verschillende wetsartikelen. In verband met de lengte heb ik tussenkopjes ingelast.
Uitgifte publicatiebladen (art. 2 Bekendmakingswet)
Art. 2 Bekendmakingswet schrijft voor dat decentrale overheden eigen publicatiebladen uitgeven. Die uitgifte moet elektronisch geschieden op algemeen toegankelijke wijze door middel van een in het achtste lid vermelde digitale infrastructuur. Ik citeer:
“1. Gedeputeerde staten van de provincie geven een provinciaal blad uit.
2. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente geeft een gemeenteblad uit.
3. Het dagelijks bestuur van het waterschap geeft een waterschapsblad uit.
(…)
6. De zorg voor de uitgifte van de in het eerste tot en met vijfde lid genoemde publicatiebladen berust bij onderscheidenlijk gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van het waterschap, (…).
7. Een bestuursorgaan dat behoort tot een van de in het eerste tot en met vijfde lid genoemde openbare lichamen (…) maakt slechts gebruik van het publicatieblad van het openbaar lichaam waartoe het behoort, tenzij bij of krachtens de wet anders is bepaald.
8. De uitgifte van de in het eerste, tweede, derde en vijfde lid genoemde publicatiebladen geschiedt elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze door middel van een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in stand gehouden digitale infrastructuur.
9. (…).”
Volgens art. 2(2) Bekendmakingswet geeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente een gemeenteblad uit. Uit art. 2(7) Bekendmakingswet is af te leiden dat iedere gemeente een eigen gemeenteblad heeft, omdat een bestuursorgaan van de gemeente slechts gebruik mag maken van haar eigen publicatieblad bij de publicatie van overheidsbesluiten. Volgens art. 2(6) Bekendmakingswet rust de zorg voor de uitgifte van het gemeenteblad op het college van burgemeester en wethouders.
Art. 2(8) Bekendmakingswet schrijft voor dat de uitgifte van een publicatieblad, zoals het gemeenteblad, geschiedt door middel van een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) in stand gehouden digitale infrastructuur. In de beantwoording van een vraag van de Eerste Kamerfractie van de PVV heeft de Minister van BZK gemeld dat die infrastructuur zowel soft- en hardware als een website omvat. Belangrijk om te markeren is ook dat het internet als medium wordt aangewezen voor de uitgifte van de officiële publicatiebladen:
“In het wetsvoorstel is bepaald dat de uitgifte van de officiële publicatiebladen elektronisch geschiedt op een algemeen toegankelijke wijze en dat geconsolideerde teksten van wet- en regelgeving door middel van een algemeen toegankelijk elektronisch medium beschikbaar worden gehouden. Bij en krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vervolgens het internet of het internetadres aangewezen als het elektronische medium waar de informatie te vinden is.
De digitale infrastructuur, bedoeld in artikel 2, achtste lid, van de Bekendmakingswet zorgt ervoor dat de informatie daadwerkelijk via internet beschikbaar komt en blijft. Het gaat onder meer om een elektronisch loket en een geautomatiseerde koppeling waarmee bestanden door overheidsorganisaties kunnen worden aangeleverd, een redactie omgeving waarmee teksten kunnen worden bewerkt, verrijkt en opgemaakt, een database waarin de teksten worden bewaard en een website waarmee de informatie wordt ontsloten. De digitale infrastructuur omvat daarmee zowel soft- en hardware als een website.”
Publicatie op www.officielebekendmakingen.nl
De in het citaat bedoelde algemene maatregel van bestuur – die zijn grondslag heeft in (onder meer) art. 16 Bekendmakingswet – is het Besluit elektronische publicaties. Art. 3.1 Besluit elektronische publicaties bepaalt het volgende wat betreft de uitgifte van publicatiebladen:
“1 De publicatiebladen, met uitzondering van het afkondigingsblad, worden uitgegeven op een bij ministeriële regeling te bepalen internetadres.
2 Het afkondigingsblad dat elektronisch wordt uitgegeven, wordt uitgegeven op het internetadres, bedoeld in het eerste lid, of op een door het bestuurscollege te bepalen internetadres.
3 Op de publicatiebladen wordt vermeld wanneer zij zijn uitgegeven.”
De in art. 3.1(1) Besluit elektronische publicaties bedoelde ministeriële regeling is de Regeling elektronische publicaties. Art. 2.1 Regeling elektronische publicaties bepaalt dat https://www.officielebekendmakingen.nl het internetadres is waarop de publicatiebladen worden uitgegeven:
“Artikel 2.1. Uitgifte op internetadres
De publicatiebladen, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van het besluit, worden uitgegeven op https://www.officielebekendmakingen.nl.”
De toelichting op art. 2.1 Regeling elektronische publicaties luidt (aangehaald zonder voetnoten):
“De uitgifte van de publicatiebladen geschiedt elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze door middel van een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in stand gehouden digitale infrastructuur. Evenals onder het Bekendmakingsbesluit en het [Besluit bekendmaking en beschikbaarstelling regelgeving decentrale overheden] het geval was, is ook thans bepaald dat de publicatiebladen worden uitgegeven op internet. Dit netwerk is ook naar de huidige stand van de informatie- en communicatietechnologie het meest toegankelijke elektronische medium en het ligt dan ook in de rede dit medium voorshands voor de uitgifte van de publicatiebladen te blijven gebruiken. In het onderhavige artikel is het internetadres vastgesteld waarop de publicatiebladen, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van het Besluit elektronische publicaties (…), worden uitgegeven.”
Bekendmaking algemeen overheidsbesluit door plaatsing in publicatieblad (art. 6 Bekendmakingswet en art. 3:42 Awb)
Art. 6 Bekendmakingswet regelt de bekendmaking van algemene overheidsbesluiten door decentrale overheden. Die bekendmaking geschiedt door plaatsing van het desbetreffende overheidsbesluit in het eigen publicatieblad, voor een gemeente dus in haar gemeenteblad:
“Algemeen verbindende voorschriften, beleidsregels en andere besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, vastgesteld door een bestuursorgaan dat behoort tot een van de in artikel 2, eerste tot en met vierde lid, genoemde openbare lichamen (…) worden bekendgemaakt door plaatsing in het door dat openbaar lichaam (…) uitgegeven publicatieblad.”
Ook de Awb kent een bekendmakingsvoorschrift voor besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, te weten art. 3:42 Awb:
“Artikel 3:42
De bekendmaking van besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt op de in de artikelen 5 onderscheidenlijk 6 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze.”
Deze tekst van art. 3:42 Awb is de tekst van de bepaling zoals die is komen te luiden door de Wet elektronische publicaties. Vanuit de optiek dat art. 6 Bekendmakingswet reeds zelf de bekendmaking van (ook) besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, regelt, is art. 3:42 Awb overbodig. Uit de memorie van toelichting volgt dat de wetgever heeft onderkend dat het artikel strikt genomen kan vervallen, maar dat het artikel niettemin is gehandhaafd (met aangepaste tekst) omdat het complementair is aan art. 3:41 Awb en ter handhaving van de leesbaarheid van afdeling 3.6 Awb.
Ik merk op dat art. 3:42 Awb alleen art. 5 en 6 Bekendmakingswet noemt, maar dat uit de memorie van toelichting expliciet volgt dat de uitzonderingen die de Bekendmakingswet mogelijk maakt, ook mogelijk zijn voor besluiten als bedoeld in art. 3:42 Awb. Daarbij wordt expliciet de uitzondering genoemd die mogelijk is bij bijlagen. Daarmee wordt kennelijk gedoeld op de – hierna aan de orde komende – in art. 7(2) Bekendmakingswet voorziene mogelijkheid voor een afwijkende wijze van bekendmaking van een bijlage die bij een regeling behoort.
Integrale publicatie als hoofdregel – mogelijkheid tot afwijking voor bijlage (art. 7 Bekendmakingswet)
In art. 7 Bekendmakingswet is in het eerste lid bepaalt uit welke informatie een algemeen overheidsbesluit kan bestaan. In het tweede lid is een bepaling opgenomen over de bekendmaking van een bijlage die behoort bij een algemeen overheidsbesluit. Wat betreft een bijlage die behoort bij een algemeen overheidsbesluit van een gemeente houdt die bepaling in dat, in afwijking van art. 6 Bekendmakingswet, het desbetreffende overheidsbesluit kan bepalen – na voorafgaande instemming van de Minister van BZK – dat die bijlage wegens aard of omvang wordt bekendgemaakt door middel van een in dat besluit aangewezen ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het gemeenteblad:
“1 Een wet, een algemene maatregel van bestuur of een ander in artikel 4, 5 of 6, genoemd besluit bestaat uit een tekst en kan tevens informatie bevatten die niet uit tekst bestaat.
2 In afwijking van artikel 4, artikel 5 of artikel 6, kan een wet, een algemene maatregel van bestuur of een ander in die artikelen genoemd besluit na voorafgaande instemming van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bepalen dat een bij die wet, die algemene maatregel van bestuur of dat besluit behorende bijlage wegens aard of omvang wordt bekendgemaakt door middel van een in die wet, die algemene maatregel van bestuur of dat besluit aangewezen ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het in die artikelen bedoelde publicatieblad.
3 In geval van een wijziging van informatie als bedoeld in het eerste lid of van een bijlage als bedoeld in het tweede lid wordt die informatie of die bijlage opnieuw vastgesteld.”
Uit de artikelsgewijze toelichting op art. 7 Bekendmakingswet in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel Wet elektronische publicaties volgt dat met art. 7 Bekendmakingswet wordt nagestreefd dat zoveel mogelijk onderdelen van een algemeen verbindend voorschrift in het publicatieblad worden bekendgemaakt. Indien niet alle onderdelen van een algemeen verbindend voorschrift in het publicatieblad kunnen worden bekendgemaakt, dan kan bij uitzondering publicatie (zuiverder: bekendmaking) plaatsvinden buiten het publicatieblad. Van die uitzondering moet terughoudend gebruik worden gemaakt:
“Artikel 5 van de Bekendmakingswet (oud) bevat een regeling voor de bekendmaking van bijlagen bij algemeen verbindende voorschriften van het Rijk door middel van elektronische terinzagelegging. Het huidige artikel 5 ziet op bijlagen die niet in de Staatscourant worden bekendgemaakt. In de nieuwe situatie is het streven dat zoveel mogelijk onderdelen van een algemeen verbindend voorschrift in het publicatieblad worden bekendgemaakt. Daartoe wordt in het eerste lid van het nieuwe artikel 7 bepaald dat een wet, amvb of ander algemeen verbindend voorschrift naast uit een tekst ook uit andere informatie kan bestaan. Voorbeelden zijn bepaalde afbeeldingen, (digitale) maquettes en film- of geluidsbestanden die door hun aard niet in de voor de publicatiebladen geldende standaarden passen of bestanden die door hun omvang slechts tegen hoge kosten en inspanning in die standaard te brengen zijn, zoals thans bijlage L bij de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 of Bijlage 4. Logisch Ontwerp GBA, versie 3.10 bij de Regeling basisregistratie personen. Een belangrijke beoogde toepassing vormen de geografische informatieobjecten (gio’s), digitale bestanden die bij besluiten onder de Omgevingswet aangeven in welk gebied deze besluiten gelden.
Voor zover publicatie van een bijlage buiten het publicatieblad noodzakelijk is, wordt het huidige artikel 5 door middel van het nieuwe artikel 7, tweede lid, van toepassing op decentrale overheden. De mogelijkheid is geclausuleerd: een bijlage is alleen toegestaan als de publicatie in het publicatieblad wegens de aard of omvang van de bijlage niet mogelijk is. Deze uitzondering moet terughoudend worden toegepast. Uit de term «bijlage» volgt dat het bij de toepassing van artikel 7 niet kan gaan om het gehele algemeen verbindend voorschrift. Niet toegestaan is derhalve de wel voorkomende praktijk van bekendmaking in het publicatieblad van een besluit dat luidt dat de gemeenteraad de in de bijlage bij dat besluit opgenomen verordening heeft vastgesteld onder vermelding van de plaats van terinzagelegging van die bijlage. Een op die manier gepubliceerde verordening zal op grond van het nieuwe artikel 8 van de Bekendmakingswet niet in werking zijn getreden.”
De memorie van toelichting vermeldt vervolgens – naar ik begrijp voor het geval bekendmaking van een bijlage buiten het publicatieblad plaatsvindt – dat het eerste lid (bedoeld zal zijn: het tweede lid) bepaalt dat bij de bekendmaking van het algemene overheidsbesluit de elektronische vindplaats van de bijlage wordt vermeld, bij voorkeur in het slotformulier:
“In het eerste lid wordt bepaald dat bij de bekendmaking van de wet of het besluit waar de bijlage onderdeel van uitmaakt, de (elektronische) vindplaats van die bijlage wordt vermeld. De plaats waar dit het beste kan geschieden, is het slotformulier. In de Aanwijzingen voor de regelgeving is in aanwijzing 4.28 al bepaald dat de bekendmaking van de bijlage in het slotformulier wordt vermeld. In plaats van de vermelding van de terinzagelegging, wordt dan de hyperlink naar de bijlage vermeld. Het huidige artikel 5, tweede lid, van de Bekendmakingswet komt te vervallen, omdat hieraan geen behoefte meer bestaat. In dat lid wordt bepaald dat van een terinzagelegging van een bijlage mededeling moet worden gedaan in de Staatscourant. De mededeling in het slotformulier volstaat. Indien in het slotformulier de hyperlink naar de bijlage is opgenomen, kan toepassing van aanwijzing 4.41, waarin is bepaald dat een ter inzage gelegde bijlage apart moet worden ondertekend om de authenticiteit te waarborgen, achterwege blijven.”
Genoemde Aanwijzing 4.28 van de Aanwijzingen voor de regelgeving en de toelichting daarop luiden als volgt:
“Aanwijzing 4.28. Terinzagelegging bijlagen
Een wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling kan bepalen dat een daarbij behorende bijlage wordt bekendgemaakt door terinzagelegging, indien:
a.de bijlage niet geschikt is voor publicatie in het Staatsblad of de Staatscourant; en
b.de kenbaarheid voor de direct bij de regeling betrokken personen daarmee voldoende verzekerd is.
Toelichting
Deze aanwijzing bevat criteria voor gebruikmaking van de uitzonderingsmogelijkheid die wordt geboden door artikel 5 van de Bekendmakingswet. Blijkens de wetsgeschiedenis is deze uitzondering met name bedoeld voor stukken die niet in een elektronisch bestand zijn weer te geven of alleen in een dermate groot bestand dat het niet geschikt is voor de gedigitaliseerde plaatsing in het Staatsblad of de Staatscourant (zie Kamerstukken II 2006/07, 31084, nr. 3, p. 23). In het geval van elektronische bestanden die niet geschikt zijn voor gedigitaliseerde plaatsing in Staatsblad of Staatscourant kan de terinzagelegging ook in elektronische vorm plaatsvinden.
Het bepalen dat een bijlage wordt bekendgemaakt door terinzagelegging geschiedt door middel van het slotformulier: zie aanwijzing 4.32. Zie ook aanwijzing 4.41. Van bekendmaking door terinzagelegging dient mededeling te worden gedaan in de Staatscourant (zie artikel 5, tweede lid, van de Bekendmakingswet).”
Opvallend genoeg is deze Aanwijzing 4.28 niet aangepast nadat de Wet elektronische publicaties is ingevoerd. Dat had naar mij voorkomt wel voor de hand gelegen omdat zowel de inhoud (terinzagelegging) als de toelichting (verwijzing naar art. 5 Bekendmakingswet, dat evenwel een andere inhoud heeft gekregen) is achterhaald c.q. verouderd. Een aanwijzing die wel is aangepast in verband met de invoering van de Wet elektronische publicaties, is (onder veel meer) Aanwijzing 4.32 en de toelichting daarop. Dat artikel, met opschrift ‘Slotformulier bij bekendmaking bijlagen via ander algemeen toegankelijk elektronisch medium’ schrijft voor dat indien een bij een regeling behorende bijlage wordt bekendgemaakt door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het Staatsblad of de Staatscourant, in het slotformulier wordt verwezen naar de bepaling in de regeling waar het afwijkende bekendmakingsadres is gegeven.
Ik merk op dat de wetgever in 2009 bij de invoering van de Wet elektronische bekendmaking ervan uitging dat bij elektronische publicatie op internet bijlagen in het publicatieblad kunnen worden opgenomen, tenzij dat vanwege technische redenen niet kan:
“Het tweede lid van artikel 4 kan vervallen. Als de Staatscourant elektronisch gepubliceerd wordt, is het niet langer noodzakelijk om algemeen verbindende voorschriften in een bijlage op te nemen. Tot op heden kent de Staatscourant twee soorten bijlagen: supplementen en bijvoegsels. Sommige zeer omvangrijke regelingen kunnen nu worden opgenomen in een supplement bij de Staatscourant. Bepaalde vaste categorieën van documenten worden als bijvoegsel opgenomen, zoals de adviezen van de Raad van State bij amvb’s en adviezen van de Raad van State en nadere rapporten bij niet ingediende wetsvoorstellen. Bij elektronische publicatie op internet zullen voornoemde stukken in de elektronische Staatscourant zelf kunnen worden opgenomen (zie in dit verband ook de in artikel VII voorgestelde wijziging van artikel 25a van de Wet op de Raad van State). Stukken die om technische redenen ook niet via internet bekendgemaakt kunnen worden, zullen op grond van de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 5, eerste lid, kunnen worden bekendgemaakt door terinzagelegging. Die mogelijkheid bestaat overigens op dit moment ook al en wordt over het algemeen gebruikt voor bepaalde bijlagen bij regelingen zoals maquettes of afbeeldingen die te groot zouden zijn voor publicatie in de Staatscourant (bijvoorbeeld bepaalde plattegronden of modelformulieren) In de toekomst zullen sommige van deze bijlagen wel in de elektronische Staatscourant kunnen worden opgenomen. Voor andere stukken zal de mogelijkheid van bekendmaking door terinzagelegging moeten blijven bestaan, omdat het ook een stuk kan betreffen, dat niet in een elektronisch bestand weer te geven is of alleen in een dermate groot bestand, dat het niet geschikt is voor plaatsing op internet. Aangezien dergelijke beperkingen zich op dezelfde wijze kunnen manifesteren bij de elektronische bekendmaking in het Staatsblad, wordt de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 5, eerste lid uitgebreid naar wetten en amvb’s.”
Op verschillende plaatsen in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet elektronische publicaties spreekt de wetgever van “integrale publicatie” van een algemeen overheidsbesluit. Voor algemeen verbindende voorschriften gold een verplichting van integrale publicatie in het publicatieblad al door de Wet elektronische bekendmaking in 2009. Voor andere algemene overheidsbesluiten gold die verplichting van integrale publicatie in het publicatieblad nog niet. Dat wijzigt. De memorie van toelichting vermeldt – in het algemeen deel, in de paragraaf ‘Uitgangspunten van het wetsvoorstel’ – daarover het volgende:
“4.3 Besluiten die niet gericht zijn tot een of meer belanghebbenden worden integraal in een officieel publicatieblad bekendgemaakt
De Wet elektronische bekendmaking zette in 2009 een belangrijke stap in de richting van elektronische bekendmaking door voor te schrijven dat de bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften moet plaats vinden door integrale plaatsing daarvan in een officieel elektronisch publicatieblad. Voor andere besluiten die zich niet tot een of meer belanghebbenden richten, geldt dit nog niet. In de eerste plaats is integrale publicatie niet verplicht, maar mag worden volstaan met een kennisgeving van de zakelijke inhoud van het besluit in combinatie met terinzagelegging van de volledige tekst (artikel 3:42 Awb). In de tweede plaats is het alleen voor de centrale overheid verplicht de integrale publicatie of de kennisgeving in het eigen publicatieblad – de Staatscourant – te doen en hebben andere overheden daartoe verschillende mogelijkheden: in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.
Het is inmiddels wel steeds meer gebruikelijk geworden om ook de andere besluiten die niet gericht zijn tot een of meer belanghebbenden integraal te publiceren in een officieel publicatieblad. Bij gebrek aan een verplichting ter zake blijven er echter uitzonderingen op de regel bestaan en heeft de burger niet de garantie dat hij al deze besluiten integraal in de officiële publicaties kan vinden. Zo is er bij de centrale overheid nog een enkele organisatie die beleidsregels niet integraal in de Staatscourant publiceert, maar ter inzage legt.”
In dit verband gaat de memorie van toelichting ook in op de bekendmaking van een bijlage bij een algemeen verbindend voorschrift:
“Van de mogelijkheid om te bepalen dat een bijlage bij een algemeen verbindend voorschrift ter inzage wordt gelegd wordt in de praktijk sporadisch gebruik gemaakt. De technische infrastructuur waarmee het Staatsblad, de Staatscourant en ook de decentrale publicatiebladen wordt geproduceerd, stelt bepaalde eisen aan de te verwerken bestanden. Mede met het oog op de verplichte publicatie van een geconsolideerde tekst van algemeen verbindende voorschriften, wordt elk bestand omgezet in een standaard XML-formaat. Soms bestaat de wens om een document te publiceren met eigenschappen die nu niet verenigbaar zijn met deze standaard. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan kaartmateriaal dat is opgebouwd uit meerdere lagen of het gebruik van animaties, geluidsfragmenten of interactieve functies. Ook zijn voorschriften die betrekking hebben op technische standaarden soms zo bewerkelijk en omvangrijk dat de beschikbare verwerkingscapaciteit tekortschiet om tijdig volgens de aangewezen standaard te kunnen publiceren.
In deze gevallen vormt de conversie naar de standaard van het publicatieblad een probleem, maar is het digitaal toegankelijk maken van het document op zich goed mogelijk. Ook grote kaarten en driedimensionale modellen kunnen tegenwoordig elektronisch toegankelijk worden gemaakt. Er blijft dus behoefte bestaan aan de optie om een onderdeel van een besluit dat niet gericht is tot een of meer belanghebbenden op een andere wijze dan via het publicatieblad toegankelijk te maken. Voorgesteld wordt om de thans in artikel 5 van de Bekendmakingswet geregelde fysieke terinzagelegging van een bijlage te vervangen door de mogelijkheid van een gedeeltelijke bekendmaking op andere elektronische wijze. Een dergelijke bijlage die elektronisch beschikbaar wordt gesteld maakt geen onderdeel uit van het publicatieblad, maar is via een hyperlink wel vanuit het publicatieblad toegankelijk.”
In het oorspronkelijke wetsvoorstel was in art. 7(2) nog niet de voorwaarde van voorafgaande instemming van de Minister van BZK opgenomen. Die voorwaarde is erin gekomen bij de tweede nota van wijziging. Doel ervan is om te zorgen dat bestuursorganen niet te snel gebruik maken van de bevoegdheid om een bijlage bekend te maken op een andere wijze dan in het publicatieblad:
“In het voorgestelde artikel 7, tweede lid, van de Bekendmakingswet wordt de mogelijkheid geboden om een deel van een wet, een algemene maatregel van bestuur of een ander besluit van algemene strekking bekend te maken op een andere elektronische wijze dan het voor die wet of dat besluit aangewezen publicatieblad. Deze mogelijkheid is noodzakelijk, in geval die bijlage te omvangrijk is of omdat het type bestand waaruit de bijlage bestaat niet in het publicatieblad kan worden verwerkt. Van deze mogelijkheid dient terughoudend gebruik te worden gemaakt.
Zo is het bij omvangrijke onderdelen van een besluit mogelijk om dat onderdeel wel als pdf, maar niet als xml in de publicatiebladen op te nemen. In dat geval hoeft van artikel 7, tweede lid, van de Bekendmakingswet geen gebruik gemaakt te worden en kunnen hiervoor bij amvb of ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. Om te zorgen dat bestuursorganen niet te snel gebruik maken van artikel 7, tweede lid, van de Bekendmakingswet, bijvoorbeeld om de aan Omgevingswetdocumenten te stellen publicatie-eisen te omzeilen, wordt aan die bepaling toegevoegd dat voorafgaand aan de besluitvorming de instemming van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als degene die de voor de publicaties noodzakelijker infrastructuur ter beschikking heeft gesteld. Deze instemming zal in de praktijk namens de Minister worden gegeven door het Kennis- en exploitatiecentrum Officiële Overheidspublicaties (KOOP) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die daarbij zal bezien of bekendmaking buiten het publicatieblad noodzakelijk is dan wel of er alternatieven binnen het publicatieblad mogelijk zijn. Omdat de uitzondering in de bekend te maken publicatie moet worden opgenomen, zal die instemming voorafgaand aan de vaststelling moeten worden verkregen. De instemming ziet uiteraard niet op de inhoud van de bekend te maken publicatie, die geheel voor de verantwoordelijkheid blijft van het ter zake bevoegde orgaan.”
De in het citaat bedoelde praktijk dat het KOOP namens de Minister van BZK zal beslissen over de instemming, is overigens geformaliseerd door een daartoe strekkend mandaatbesluit.
In het citaat wordt verwezen naar pdf. Daarmee kom ik bij een volgend thema: de wijze van elektronische uitgifte van een publicatie.
Uitgangspunt: publicatie in pdf-bestand
Art. 2.2 Regeling elektronische publicaties, dat strekt ter uitvoering van art. 3.3 Besluit elektronische publicaties, regelt de waarborging van de betrouwbaarheid en de beveiliging van de elektronische uitgifte en de beschikbaarstelling van de publicatiebladen. Volgens art. 2.2(2) Regeling elektronische publicaties moet als hoofdregel voor publicaties het bestandsformaat PDF/A, conformiteitsniveau A worden gebruikt. Uitzonderingen zijn hier wel op mogelijk, zoals in geval van publicaties die persoonsgegevens omvatten (dan wordt het bestandsformaat PDF/A, conformiteitsniveau B gebruikt) en publicaties die geometrische of geografische informatie omvatten (dan mag ook het bestandsformaat GML-XML worden gebruikt). Een publicatieblad wordt dus in de regel als een pdf-bestand gepubliceerd. Ik citeer art. 2.2 Regeling elektronische publicaties:
“1. De minister draagt er zorg voor dat met betrekking tot de betrouwbaarheid en de beveiliging van de elektronische uitgifte en de beschikbaarstelling van de publicatiebladen die worden uitgegeven door middel van de door hem in stand gehouden digitale infrastructuur, wordt voldaan aan de waarborgen, bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid.
2. Publicaties worden uitgegeven en beschikbaar gehouden in het bestandsformaat PDF/A, conformiteitsniveau a. Publicaties die persoonsgegevens bevatten waarbij het naar het oordeel van de minister uit een oogpunt van privacybescherming ongewenst is dat deze permanent door middel van een zoekmachine kunnen worden gevonden, kunnen in afwijking van de eerste zin worden uitgegeven en beschikbaar gehouden in het bestandsformaat PDF/A, conformiteitsniveau b.
3. In afwijking van het tweede lid, kunnen onderdelen van publicaties worden uitgegeven en beschikbaar gehouden in het bestandsformaat GML-XML voor zover het geometrische of geografische informatie betreft, waaronder begrepen de geometrische begrenzing van gebieden.
4. Het systeem voor gegevensverwerking waarmee de publicaties worden uitgegeven en beschikbaar gehouden, voldoet aan hoge continuïteitseisen en is volgens algemeen aanvaarde nationale en internationale standaarden voor informatiebeveiliging ingericht.
5. Alle mutaties in het systeem, bedoeld in het vierde lid, worden geregistreerd en van elke publicatie wordt een elektronische kopie gemaakt. Deze registraties en kopieën worden buiten het systeem opgeslagen.
6. Indien het afkondigingsblad elektronisch wordt uitgegeven, is de zorgplicht, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing op het bestuurscollege.”
Voor publicaties met gebruikmaking van het bestandsformaat PDF/A is gekozen omdat het beantwoordt aan criteria die de regelgever van belang heeft geacht, zoals dat publicaties op identieke wijze worden afgebeeld ongeacht de software, het computerplatform of de printer die bij de raadpleging wordt gebruikt en dat het bestandsformaat een open standaard is, die die geschikt is voor duurzame archivering.
Bekendmaking op de voorschreven wijze is voorwaarde voor de inwerkingtreding (art. 8 Bekendmakingswet en art. 3:40 Awb)
Art. 8 Bekendmakingswet bepaalt dat een algemeen verbindend voorschrift niet in werking treedt voordat het op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt:
“Een algemeen verbindend voorschrift treedt niet in werking voordat het op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.”
Vóór de invoering van de Wet elektronische publicaties was het moment van de verbindendheid van algemeen verbindende voorschriften van gemeenten geregeld in (het inmiddels vervallen) art. 139 Gemeentewet. Wat betreft de wijze van bekendmaking voorzag het derde lid in een afwijking voor een bijlage. Ik citeer (tekst tot 1 juli 2021).
“1. Besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer zij zijn bekendgemaakt in het gemeenteblad.
2. De uitgifte van het gemeenteblad geschiedt elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze. (…).
3. In afwijking van het eerste lid kan een besluit als bedoeld in dat lid bepalen dat een bij het besluit behorende bijlage wordt bekendgemaakt door terinzagelegging.
(…)”
In verband met art. 8 Bekendmakingwet is in de memorie van toelichting onder meer opgemerkt dat “een andere wijze van bekendmaking dan de voorgeschreven wijze nietig is”:
“In het nieuwe artikel 8 van de Bekendmakingswet is de regel opgenomen dat een algemeen verbindend voorschrift niet bindt, voordat het in werking is getreden. Deze regel is thans opgenomen in artikel 139, eerste lid, Gemeentewet, artikel 136, eerste lid, Provinciewet en artikel 73, eerste lid, Waterschapswet. Voor het Rijk was deze regel nog niet in de Bekendmakingswet opgenomen, maar wel in de artikelen 88 en 89, derde en vierde lid, van de Grondwet. In artikel 8 is aangesloten bij de redactie van de Grondwet in plaats die uit de organieke wetten. Alternatief was geweest dat artikel 8 alleen de norm in de huidige redactie zou bevatten voor de decentrale overheden en dat voor het Rijk zou worden volstaan met de bepalingen uit de Grondwet. Dat zou weer voeding kunnen geven aan de onjuiste redenering dat artikel 8 dan niet voor het Rijk zou gelden, hetgeen het kabinet onwenselijk voorkomt. Het artikel is beperkt tot algemeen verbindende voorschriften, omdat voor andere besluiten artikel 3:40 Awb geldt, dat hetzelfde bepaalt. Dat artikel van de Awb is niet van toepassing op tot algemeen verbindende voorschriften.
Uit de regel volgt dat een andere wijze van bekendmaking dan de voorgeschreven wijze nietig is. Zo bleek een niet gepubliceerde belasting verordening onverbindend (Hof Amsterdam, 5 juli 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AE5494) en bleken niet overeenkomstig artikel 139 Gemeentewet gepubliceerde Nadere Regels inzake de Wet maatschappelijke ondersteuning eveneens onverbindend te zijn (Centrale Raad van Beroep, 10 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO7133). De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRvS) van 6 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2972) is verouderd, nu deze uitspraak betrekking had op de wijze van bekendmaken van een algemeen verbindend voorschrift door een gemeente die geen gemeenteblad uitgaf en de gemeente sinds 1 januari 2014 verplicht is tot de uitgave van een elektronisch gemeenteblad.”
Art. 8 Bekendmakingswet ziet op de inwerkingtreding van algemeen verbindende voorschriften. Voor de inwerkingtreding van andere overheidsbesluiten geldt inhoudelijk hetzelfde als wat is geregeld in art. 8 Bekendmakingswet. Dit volgt uit art. 3:40 Awb (“Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt”).
Beschikbaar houden van regelgeving in geconsolideerde vorm (art. 19 Bekendmakingswet)
Art. 19 Bekendmakingswet geeft voorschriften om te waarborgen dat regelgeving in geconsolideerde vorm beschikbaar is:
“1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de in artikel 6 bedoelde bestuursorganen houden de teksten van bekendgemaakte wetten, algemene maatregelen van bestuur en anders dan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde algemeen verbindende voorschriften, beleidsregels en gemeenschappelijke regelingen in geconsolideerde vorm voor eenieder kosteloos beschikbaar door middel van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen algemeen toegankelijk elektronisch medium. Hierbij kan worden volstaan met een elektronische verwijzing naar de in artikel 7, eerste lid, bedoelde informatie of de in artikel 7, tweede lid, bedoelde bijlage.
(…)
3. Een geconsolideerde tekst van een wet, een algemene maatregel van bestuur of een ander in het eerste lid genoemd besluit die op grond van het eerste lid beschikbaar is gesteld, blijft beschikbaar indien de wet, de algemene maatregel van bestuur of het andere in het eerste lid genoemd besluit na de beschikbaarstelling is gewijzigd of ingetrokken.
4. De teksten, bedoeld in het eerste lid, worden beschikbaar gesteld door middel van een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in stand gehouden digitale infrastructuur.
5. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan regels stellen over de wijze waarop de teksten, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar worden gesteld.”
De verplichting om regelgeving in geconsolideerde vorm beschikbaar te maken (en houden) is ingevoerd met de Wet elektronische bekendmaking op 1 juli 2009. Aanvankelijk had die verplichting alleen betrekking op algemeen verbindende voorschriften, maar met de Wet elektronische publicaties is in art. 19 Bekendmakingswet thans geregeld dat de consolidatieverplichting ook voor andere regelgeving geldt. Het doel van de consolidatieverplichting is het vergroten van het gebruiksgemak. Door regelgeving in geconsolideerde vorm ter beschikking te stellen “hoeft de gebruiker niet langer alle besluiten te lezen om hieruit de op enig moment geldende tekst te reconstrueren”.
Net zoals geldt voor de publicatie van algemene overheidsbesluiten, dient het beschikbaar houden van regelgeving in geconsolideerde vorm te geschieden door middel van het gebruik van het medium internet. Dat volgt uit art. 5.1(1) Besluit elektronische publicaties:
“1. De teksten van bekendgemaakte wetten, algemene maatregelen van bestuur en anders dan bij wet of algemene maatregel van bestuur vastgestelde algemeen verbindende voorschriften, beleidsregels en gemeenschappelijke regelingen zijn in geconsolideerde vorm voor eenieder beschikbaar door plaatsing op een bij ministeriële regeling te bepalen internetadres.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
(…)”
Deze bepaling heeft betrekking op regelgeving van zowel de centrale overheid als de decentrale overheden, hetgeen in overeenstemming is met art. 19(1) Bekendmakingswet. Wat ik niet goed kan plaatsen is dat art. 3.1 Regeling elektronische publicaties, dat de plaats van het beschikbaar houden van regelgeving in geconsolideerde vorm aanwijst, een website aanwijst waarop alleen regelgeving van de centrale overheid kan worden geraadpleegd:
“Teksten in geconsolideerde vorm als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van het besluit, worden beschikbaar gehouden op https://wetten.overheid.nl.”
Regelgeving van decentrale overheden in geconsolideerde vorm kan wel worden geraadpleegd op de website https://lokaleregelgeving.overheid.nl. Een bepaling die deze website aanwijst heb ik echter zo snel niet kunnen vinden. Ook in de voorganger van de Regeling elektronische publicatie, te weten de Regeling elektronische bekendmaking en beschikbaarstelling regelgeving decentrale overheden, heb ik zo’n aanwijzing niet kunnen vinden.
De uitvoering van de Bekendmakingswet in de praktijk
De Minister van BZK is verantwoordelijk voor de instandhouding van de digitale infrastructuur rondom de uitgifte van publicatiebladen (art. 2(8) Bekendmakingswet) en het beschikbaar houden van regelgeving in geconsolideerde vorm (art. 19 Bekendmakingswet). In de praktijk rust de verantwoordelijkheid op het – eerder in 4.25-4.26 genoemde – KOOP. Voor de uitgifte van publicaties moeten decentrale overheden gebruik maken van de applicatie Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties (DROP). DROP levert direct informatie aan naar een publicatieblad, zoals een gemeenteblad, en zorgt ervoor dat een publicatie in het publicatieblad te vinden is op de website https://www.officielebekendmakingen.nl. Gebruikers van DROP worden begeleid door wizards, zodat een stap in het publicatieproces niet vergeten kan worden.
Op de website van KOOP zijn handleidingen te vinden voor het gebruik van DROP en het voorwerk dat moet worden verricht voordat DROP kan worden gebruikt. Dat voorwerk houdt in dat een in te voeren document in DROP op de juiste manier moet worden aangemaakt en ingedeeld (import Word-sjabloon). Vermelding verdient wat in de Handleiding DROP staat bij de stap ‘4 Bijlage(n)’. Volgens de handleiding ziet deze stap op ‘informatieve bijlagen’ bij de publicatie. Deze stap mag niet worden gebruikt voor onderdelen die juridisch onderdeel zijn van de publicatie. Als dat wel wordt gedaan en een dergelijk onderdeel is niet (ook) in de tekst van de publicatie zelf opgenomen, is – aldus de toelichting – de publicatie niet rechtsgeldig. Ik citeer (met vetmaking overgenomen uit het origineel):
“Bij stap '4. Bijlage(n)' kunt u informatieve bijlagen toevoegen aan de publicatie. Deze bijlagen worden niet met de bekendmaking gepubliceerd op www.officielebekendmakingen.nl, maar pas later toegevoegd op zoek.officielebekendmakingen.nl. De bijlagen worden ook niet notarieel vastgelegd. Gebruik deze bijlagen dus niet voor onderdelen die juridisch onderdeel zijn van de publicatie. Wanneer deze onderdelen uitsluitend zijn opgenomen in de externe bijlage, en niet in de tekst van de publicatie zelf, is de publicatie niet rechtsgeldig.”
De Handleiding bevat het volgende screenshot van stap 4 van DROP:
[afbeelding niet beschikbaar]Vergelijkbare informatie over bijlagen bij een publicatie in het gemeenteblad is te vinden in het ‘publicatieoverzicht Wet elektronische publicaties’ (een Excel-bestand) van het KOOP en de VNG. In dat overzicht is vermeld dat bijlagen die deel uitmaken van een regeling als bijlage onder de tekst van de regeling opgenomen moeten worden:
“Alleen de tekst in het publicatieblad is bindend. (…)
Neem bijlagen (tarieventabellen, kaarten etc) die deel uitmaken van de regeling, als bijlage onder de tekst van de regeling op (als tabel of als afbeelding, niet als PDF). Voor niet-publiekrechtelijke normen (NEN) mag worden verwezen naar de vindplaats (artikel 14a Bekendmakingswet).”
Ik heb me afgevraagd waarom is vermeld dat bijlagen ‘niet als PDF’ mogen worden opgenomen. Ik begrijp het (echter) zo dat het gaat om de input (met Word-sjabloon), die daarna in DROP wordt omgezet in een pdf-bestand.
5 Uiteenlopende opvattingen over Bijlage 1
Rechtbank Den Haag heeft een andere opvatting dan het Hof over de juridische duiding van de publicatie van Bijlage 1. Ik geef in dit onderdeel de rechtspraak in chronologische volgorde weer, alsmede annotaties die zijn verschenen bij de verschillende uitspraken.
Rechtbank Den Haag 22 oktober 2025: rechtsgeldige publicatie
Op 22 oktober 2025 – dus vóórdat het Hof zijn uitspraak van 19 november 2025 heeft gedaan – heeft de rechtbank Den Haag in een tweetal uitspraken geoordeeld dat publicatie van Bijlage 1 op rechtsgeldige wijze is geschied. Na een omschrijving te hebben gegeven hoe Bijlage 1 kan worden geraadpleegd en de relevante bepalingen van de Bekendmakingswet te hebben geparafraseerd, heeft de rechtbank daartoe als volgt overwogen:
“24. De rechtbank stelt vast dat de bijlage via de website officielebekendmakingen.nl via een link raadpleegbaar is en opgenomen is in de bekendmaking van de Regeling in het gemeenteblad van gemeente Den Haag. Hetzelfde geldt voor latere versies van de Regeling en de bijlage. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de vereisten voor rechtsgeldige publicatie zoals bepaald in artikel 6 van de Bekendmakingswet. De toegankelijkheid en kenbaarheid van de Regeling en de bijlage zijn op deze wijze ook optimaal gewaarborgd. Deze beroepsgrond slaagt niet.”
Hof: niet aan de publicatievoorschriften voldaan
Het Hof heeft in de onderhavige zaken geoordeeld dat Bijlage 1 niet in werking is getreden, omdat niet aan de publicatievoorschriften is voldaan. De overwegingen daartoe heb ik samengevat in 2.10.
Saïdi geeft te kennen dat de benadering van het Hof beter (dan die van de rechtbank Den Haag) aansluit bij de tekst van de Bekendmakingswet:
“Het arrest onderscheidt zich van eerdere jurisprudentie van de rechtbank Den Haag, die hyperlinks naar externe bijlagen als voldoende beschouwde. Het hof hanteert een strenger normenkader en legt de nadruk op formele plaatsing in het gemeenteblad, niet alleen inhoudelijke bereikbaarheid. Deze benadering sluit beter aan bij de tekstuele uitleg van de Bekendmakingswet.”
Scherff bespreekt in een annotatie de uitspraken van het Hof zeer uitgebreid. De annotator acht de uitspraak van het Hof juist en ziet daarvoor steun in nog wat andere passages uit de wetsgeschiedenis dan die waarnaar het Hof heeft gewezen. Hoewel de gehele annotatie lezenswaardig is – ik heb er dankbaar uit geput voor het onderzoek van de wetsgeschiedenis – geef ik haar niet volledig weer, maar licht ik er enige punten uit, enerzijds om herhaling met onderdeel 4 te voorkomen en anderzijds omdat niet alle punten relevant zijn voor het geschil in cassatie:
“Onderscheid tussen ‘in’ het Gemeenteblad en ‘toegankelijk vanuit’
Het hof citeert in r.o. 5.2 uit de Memorie van Toelichting, maar op p. 16 van die toelichting staat ook nog:
“Een dergelijke bijlage die elektronisch beschikbaar wordt gesteld maakt geen onderdeel uit van het publicatieblad, maar is via een hyperlink wel vanuit het publicatieblad toegankelijk.” [hier geciteerd in 4.24; MP]
Het gestelde in die toelichting had het hof ook nog kunnen gebruiken bij r.o. 5.6. Daar overweegt het hof dat de bijlage niet is gepubliceerd in het Gemeenteblad, waaraan niet afdoet dat de bijlage vindbaar is als externe bijlage bij het Gemeenteblad. Het andersluidende standpunt van de heffingsambtenaar is in strijd met het gestelde in de Memorie van Toelichting.
Instemming door of namens de minister
(…)
Aard of omvang
(…)
Ik vraag mij af of in de onderhavige zaak sprake is van een bijlage die ‘wegens aard of omvang’ niet in het publicatieblad kan worden opgenomen. De parlementaire geschiedenis wijst immers op de mogelijkheid onderdelen als PDF in plaats van xml ‘in’ het publicatieblad op te nemen [Scherff refereert naar een passage die hier is geciteerd in 4.25; MP]. Het lijkt mij goed mogelijk om de door B&W vastgestelde PDF-bijlage als afbeeldingen ‘in’ het publicatieblad op te nemen. Het wordt wat lang met 67 pagina’s, maar er bestaan genoeg publicatiebladen die meer pagina’s omvatten. Overigens snap ik het probleem sowieso niet. Ambtelijk zal de bijlage zijn gemaakt in Word of Excel, in de kern zijn dat al xml-bestanden. Zo’n bestand converteren naar PDF en dan concluderen dat het niet kan worden opgenomen in het publicatieblad, lijkt mij het onnodig opzoeken van problemen.
(…)
Moment van instemming
(…)
B&W heeft niet besloten tot bekendmaking buiten het Gemeenteblad
Het hof citeert in r.o. 5.2 uit de Memorie van Toelichting, maar op p. 41 staat ook nog:
[volgt citaat, dat hier opgenomen is in 4.19; MP]
Art. 7 lid 2 Bekendmakingswet bepaalt dat een “besluit (…) [kan] bepalen dat een bij (…) dat besluit behorende bijlage (…) wordt bekendgemaakt door middel van een in (…) dat besluit aangewezen ander algemeen toegankelijk elektronisch medium”. In Gemeenteblad 2021, nr. 471695 staat in het slotformulier van de Regeling geen verwijzing naar de bijlage via een hyperlink. Ook elders in de Regeling lees ik geen besluit van B&W tot bekendmaking in een ander algemeen toegankelijk medium.
Ondertekening van de bijlage
Tot slot vraag ik mij af of B&W de bijlage apart heeft ondertekend. Over de gevolgen van het niet ondertekenen van regelgeving verwijs ik kortheidshalve naar mijn beschouwing ‘Belastingheffing op basis van een niet-(mede)ondertekende belastingverordening?’, Belastingblad 2024/20. Die beschouwing gaat voornamelijk over art. 32a Gemeentewet, maar art. 59a Gemeentewet is grotendeels gelijk.”
Rechtbank Den Haag 19 december 2025: wél op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt (maar toch vernietiging van de naheffingsaanslag)
In haar uitspraak van 19 december 2025 heeft rechtbank Den Haag uiteengezet een andere opvatting te hebben dan het Hof over de vraag of Bijlage 1 is gepubliceerd in het Gemeenteblad. Het College verwijst in de onderhavige zaken met instemming naar die uitspraak en (een deel van) de daarin gebezigde argumentatie. Nadat de rechtbank rov. 5.5-5.6 van het Hof heeft geciteerd, overweegt zij:
“15. De rechtbank leest, overeenkomstig het Hof, dat het uitgangspunt is dat zowel algemeen verbindende voorschriften als andere besluiten die niet gericht zijn tot een of meer belanghebbenden integraal in een officieel publicatieblad bekend moeten worden gemaakt. Uit de uitspraak van het Hof leidt de rechtbank af dat integraal bekendmaken door het Hof wordt uitgelegd als ‘onlosmakelijk’ en meer concreet dat de tekst van Bijlage 1 in zijn geheel opgenomen had moeten worden in, dan wel onder, de tekst van de Regeling. Een andere uitleg van het begrip integraal kan evenwel zijn dat een bijlage behorende bij dergelijke regelgeving wel volledig en met de desbetreffende regelgeving wordt gepubliceerd, maar daar niet geheel in hoeft te worden opgenomen. Deze laatste uitleg komt de rechtbank (eveneens) als reëel en doelmatig voor gelet op de wetsgeschiedenis bij artikel 2, achtste lid, van de Bekendmakingswet (…). Hieruit volgt namelijk dat de wetgever met name de toegankelijkheid en kenbaarheid van algemene besluiten bij burgers van belang acht. In het licht van het voorgaande onderzoekt de rechtbank of in onderhavige situatie ook bij deze uitleg geconcludeerd moet worden dat geen sprake is van bekendmaking op de voorgeschreven wijze.
16. De rechtbank constateert allereerst dat de Regeling en de hyperlink naar Bijlage 1 beide - bij elkaar - op één en dezelfde website (officielebekendmakingen.nl) staan vermeld. Bijlage 1 is immers direct raadpleegbaar via de hyperlink op de website: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2021-471695.html. Gelet op de opmaak van deze webpagina en de daarop zichtbare linker kolom met de kopjes ‘Inhoudsopgave’, ‘Extra informatie’, ‘Gerelateerd’ en ‘Geconsolideerde regelgeving’ en de zich daaronder bevindende hyperlinks waarop geklikt kan worden, moet het voor een belastingplichtige voldoende kenbaar zijn dat met (externe bijlage) ‘exb-2021-75079’ Bijlage 1 wordt bedoeld als genoemd in (onder meer) artikel 2.1.1 van de Regeling. Doordat de link alleen door een belastingplichtige hoeft te worden aangeklikt is Bijlage 1 ook voldoende toegankelijk. Ook merkt de rechtbank op dat als ‘Informatie over publicatie’ onder ‘Extra informatie’ wordt aangeklikt onder meer vermeld wordt dat ‘RIS311076 Bijlage|exb-2021-75079’ de bijlage bij de Regeling is. Het plaatsen van de integrale tekst in, dan wel onder, de Regeling brengt ten aanzien van deze wijze van bekendmaken geen toegevoegde waarde met zich. Dit alles in samenhang bezien maakt dat er geen twijfel kan bestaan over het feit dat Bijlage 1 behoort bij de Regeling en dat zij tezamen zijn gepubliceerd in het elektronische gemeenteblad. De rechtbank overweegt daarmee dat, met eerder bedoelde uitleg van integrale bekendmaking en in de gegeven omstandigheden, de Regeling en Bijlage 1 ook op de voorgeschreven wijze bekend konden worden gemaakt en daarmee op 1 januari 2022 in werking kunnen zijn getreden. Overigens merkt de rechtbank op dat sinds de gemeente de Regeling heeft gepubliceerd tot aan voornoemde hofuitspraak in de praktijk noch bij belastingplichtigen, noch bij (veel procederende) gemachtigden, enige onduidelijkheid heeft bestaan over (de publicatie van) Bijlage 1.”
Deze afwijking van de opvatting van het Hof heeft niet ertoe geleid dat de rechtbank de heffingsambtenaar in het gelijk heeft gesteld. Onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof heeft de rechtbank de naheffingsaanslag parkeerbelasting vernietigd, met als motivering dat “het niet in het belang van belanghebbende is om de onderhavige zaak aan te houden totdat uitspraak is gedaan door de Hoge Raad (…) of anders te oordelen dan het Hof reeds heeft gedaan” (rov. 17).
Scherff is in zijn annotatie bij de uitspraak van de rechtbank zeer kritisch. Zie ik het goed dan zijn de belangrijkste kritiekpunten in de kern (i) dat de rechtbank miskent dat bekendmaking plaatsvindt door plaatsing ‘in’ het publicatieblad, (ii) dat zij het verschil tussen de html-website en de authentieke pdf-publicatie miskent, (iii) dat zij art. 7(2) Bekendmakingswet over het hoofd lijkt te zien (althans de voorwaarden voor de toepassing daarvan), en (iv) dat het van de monitorresolutie kan afhangen of de (link naar de) Bijlage zichtbaar is op de website.
“Ten eerste vraag ik mij af of de rechtbank bewust een onderscheid maakt tussen bekendgemaakt en gepubliceerd. De Bekendmakingswet heeft het namelijk voornamelijk over ‘bekendmaking’, ‘bekendgemaakt’, ‘publicatieblad’ of ‘publicaties’ (in de zin van een publicatieblad). Om het woordgebruik consequent te houden, ga ik in de noot ervan uit dat regelgeving wordt bekendgemaakt.
Hoe die bekendmaking wordt gedaan, staat duidelijk in de Bekendmakingswet. Art. 4 lid 1 Bekendmakingswet bepaalt dat bekendmaking van wetten geschiedt door plaatsing in het Staatsblad. Art. 5 Bekendmakingswet bepaalt dat bekendmaking van bepaalde besluiten geschiedt door plaatsing in de Staatscourant. Art. 6 Bekendmakingswet bepaalt, kort gezegd, dat algemeen verbindende voorschriften vastgesteld door B&W worden bekendgemaakt door plaatsing in het Gemeenteblad. Bekendmaking wordt dus gedaan via het publicatieblad. Meer specifiek: regelgeving wordt bekendgemaakt door plaatsing ‘in’ het publicatieblad.
Art. 7 lid 2 Bekendmakingswet bevat daarop één uitzondering. Bekendmaking van een bijlage kan op een andere wijze plaatsvinden dan ‘in’ het publicatieblad. Het lijkt erop dat de rechtbank die bepaling volledig over het hoofd heeft gezien. In plaats daarvan heeft de rechtbank het over de wetsgeschiedenis bij art. 2 lid 8 Bekendmakingswet (r.o. 13 en 15). Dat gaat echter over de uitgifte van de publicatiebladen. Die wetsgeschiedenis lijkt mij geen oplossing, aangezien duidelijk is dat de bijlage juist niet ‘in’ het Gemeenteblad staat.
In r.o. 16 springt de redenering van de rechtbank naar de uitvoeringsstructuur die bestaat in het kader van art. 7 lid 2 Bekendmakingswet. De rechtbank slaat daarbij alle voorwaarden over die gelden voor bekendmaking van een bijlage op een andere wijze dan ‘in’ het Gemeenteblad. Betreffende de daarvoor geldende voorwaarden verwijs ik kortheidshalve naar mijn annotatie in Belastingblad 2026/10.
Art. 3.1 lid 1 Besluit elektronische publicaties bepaalt dat publicatiebladen worden uitgegeven op een bij ministeriële regeling te bepalen internetadres. Art. 2.1 Regeling elektronische publicaties bepaalt dat de publicatiebladen worden uitgegeven op www.officielebekendmakingen.nl. Art. 2.2 lid 2 Regeling elektronische publicaties bepaalt vervolgens dat publicaties worden uitgegeven in het bestandsformaat PDF/A. Ik merk op dat bovenaan de schermprint in r.o. 7 een knop staat: ‘Authentieke versie (PDF)’. In die PDF staat de betreffende bijlage niet. In die PDF staat ook niet dat B&W heeft bepaald dat de bijlage wordt bekendgemaakt door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium. Onderaan elke webpagina op officielebekendmakingen.nl staat in een grijs kader als disclaimer: “De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet (…).” Wat de rechtbank ziet in de kantlijn van de website, is dus niet relevant aangezien het om de PDF gaat.
In r.o. 16 overweegt de rechtbank echter: “Dit alles in samenhang bezien maakt dat er geen twijfel kan bestaan over het feit dat Bijlage 1 behoort bij de Regeling en dat zij tezamen zijn gepubliceerd in het elektronische gemeenteblad.” Naar aanleiding daarvan merk ik ten eerste op dat de bijlage niet ‘in’ het elektronische gemeenteblad is bekendgemaakt. Ten tweede merk ik op dat de rechtbank miskent het verschil tussen de html-website en de authentieke PDF-publicatie.
(…)
De zitting in de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden na de hofuitspraak. De rechtbank is het daar duidelijk niet mee eens, gezien alle overwegingen van de rechtbank over de linkerkantlijn van de website. Die kantlijn ziet echter op een bijlage als bedoeld in art. 7 lid 2 Bekendmakingswet. In die redeneerlijn van de rechtbank past volgens mij de voorafgaande vraag: waar is de ‘voorafgaande instemming van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties’? Uit de uitspraak maak ik niet op dat de rechtbank die vraag heeft gesteld of dat de heffingsambtenaar uit eigen beweging die instemming heeft overgelegd. Dat zou wel voor de hand hebben gelegen in het licht van r.o. 5.7 van de hofuitspraak. Het lijkt er sterk op dat die instemming helemaal niet bestaat.
Tot slot, de redenering van de rechtbank is gebaseerd op de schermprint in r.o. 7. Daarbij vraag ik mij af of de rechtbank zich heeft gerealiseerd dat bij een min of meer gebruikelijke monitorresolutie van 1920 x 1080 pixels waarbij het scherm is verdeeld in twee vensters, de linkerkantlijn niet zichtbaar is. <volgt screenshot, dat hier is opgenomen in 3.4; MP> De website is namelijk zo gemaakt dat het linkermenu wordt verborgen als het venster of scherm minder dan 1040 pixels breed is.”
6 Beschouwing
In dit onderdeel geef ik mijn beschouwing over de vraag of Bijlage 1 op de juiste wijze is bekendgemaakt, en de vraag wat de gevolgen zijn indien dat niet het geval is.
Beantwoording voor de oorspronkelijke versie of een nieuwe versie van Bijlage 1?
Opvallend genoeg beantwoorden zowel het Hof als partijen in cassatie die vraag voor de oorspronkelijke Bijlage 1 zoals gepubliceerd op 23 december 2021 (hier genoemd in 2.6). Dat is opvallend omdat de Regeling na 23 december 2021 diverse keren is gewijzigd waarbij Bijlage 1 steeds is vervangen door een nieuwe versie (zie 3.6-3.7). Het is mijns inziens daarom zuiverder om de vraag te beantwoorden voor de versie van Bijlage 1 zoals vastgesteld ten tijde van het moment waarop ieder van belanghebbenden heeft geparkeerd. Gelet op de datums waarop belanghebbenden hebben geparkeerd (zie 2.1) zou het gaan om de versie van Bijlage 1 na de zesde wijziging (belanghebbende 1 en belanghebbende 3) onderscheidenlijk die na de zevende wijziging (belanghebbende 2) (vgl. 3.6).
Ik zal me niettemin hierna in eerste instantie richten op (de wijze van publicatie van) de oorspronkelijke Bijlage 1. Dat doe ik om twee redenen. Ten eerste sluit dat aan bij uitspraak van het Hof en het debat tussen partijen in cassatie. Ten tweede is de analyse in de kern hetzelfde voor de twee zojuist bedoelde nieuwe versies, aangezien de feitelijke wijze van publicatie van die versies niet op relevante wijze afwijkt van de feitelijke wijze van publicatie van de oorspronkelijke Bijlage 1 (zie 3.8).
Uitgangspunt: Bijlage 1 behoort bij de Regeling
Het Hof heeft als uitgangspunt genomen dat Bijlage 1 behoort bij de Regeling. Dat uitgangspunt is in cassatie – terecht – niet bestreden. Het uitgangspunt impliceert dat Bijlage 1 niet een afzonderlijk overheidsbesluit is. Dit een en ander brengt mee dat de vraag of Bijlage 1 op de juiste wijze is bekendgemaakt, moet worden beantwoord in het kader van de regels die gelden voor bekendmaking van de Regeling.
Overigens heeft de Gemeente inmiddels de techniek van regelgeving aangepast. Wat in de Bijlage 1 is geregeld is thans niet meer geregeld in een bijlage bij de huidige regeling parkeerregulering, maar in een afzonderlijk (aanwijzings)besluit. Dat is gebeurd “[i]n het kader van heldere en duidelijke besluitvorming en communicatie”.
Voorvraag: is het van belang welk inwerkingtredingsregime van toepassing is en hoe de Regeling moet worden aangemerkt?
Het inwerkingtredingsregime verschilt formeel naar gelang de aard van het algemene overheidsbesluit. Art. 8 Bekendmakingswet is van belang voor algemeen verbindende voorschriften. Art. 3:40 Awb in verbinding met art. 3:42 Awb is van belang voor (andere) besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht. Het Hof lijkt ervan uit te gaan (zie vooral rov. 5.5) dat de Regeling niet is aan te merken als algemeen verbindend voorschrift maar als een besluit als bedoeld in art. 3:42 Awb. Het College lijkt op twee gedachten te hinken: het noemt zowel art. 3:42 Awb als art. 8 Bekendmakingswet als bepalingen die het Hof heeft geschonden of verkeerd heeft toegepast.
Ik laat verder rusten hoe de Regeling moet worden aangemerkt, omdat het niet van belang is voor het geschil in cassatie. Art. 8 Bekendmakingswet en art. 3:40 Awb hebben in de kern dezelfde inhoud wat betreft de inwerkingtreding van het overheidsbesluit dat onder zijn toepassingsbereik valt: het overheidsbesluit treedt niet in werking voordat het (op de voorgeschreven wijze) is bekendgemaakt. De kern van het geschil in cassatie spitst zich bovendien niet zozeer toe op de uitleg van art. 8 Bekendmakingswet of art. 3:40 Awb maar op de bekendmaking van de Regeling, in het bijzonder van de daarbij behorende Bijlage 1. Voor de vraag of de Regeling op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt voor zover het gaat om Bijlage 1, is niet relevant of de Regeling is aan te merken als algemeen verbindend voorschrift of als een besluit als bedoeld in art. 3:42 Awb. In beide gevallen is maatgevend of bekendmaking heeft plaatsgevonden op de wijze zoals voorschreven in art. 6 Bekendmakingswet. Dit volgt uit de tekst van het artikel. Voor besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, volgt dit bovendien – ten overvloede (zie 4.15) – uit art. 3:42 Awb, dat immers voorschrijft dat – voor zover hier van belang – bekendmaking van dergelijke besluiten geschiedt op de in art. 6 Bekendmakingswet bepaalde wijze, waaronder ook worden begrepen de uitzonderingen waarin de Bekendmakingswet voorziet (zie 4.16).
Hoe moet de Regeling worden bekendgemaakt?
Uit art. 6 Bekendmakingswet volgt dat de Regeling moet worden bekendgemaakt door plaatsing in het door de gemeente Den Haag uitgegeven publicatieblad. Uit art. 2 Bekendmakingswet volgt dat dit publicatieblad het gemeenteblad van gemeente Den Haag (het Gemeenteblad) is. De Regeling moet dus worden bekendgemaakt door plaatsing in het Gemeenteblad.
Hoe moet Bijlage 1 worden bekendgemaakt?
Een bijlage die behoort bij een regeling – zoals Bijlage 1 –, is onderdeel van die regeling. Als onderdeel van de regeling moet een dergelijke bijlage daarom als uitgangspunt worden bekendgemaakt tezamen met, en daarmee op dezelfde wijze als, die regeling. Dat is niet met zoveel woorden in de Bekendmakingswet voorgeschreven, maar dat hoeft mijns inziens ook niet omdat dit uitgangspunt vanzelfsprekend is voor onderdelen van een regeling.
Het uitgangspunt vindt bovendien bevestiging in art. 7(2) Bekendmakingswet (zie 4.17 voor de tekst). Dat artikellid voorziet namelijk in de mogelijkheid van een afwijkende wijze van bekendmaking van een bij een regeling behorende bijlage. In die mogelijkheid tot afwijking ligt besloten dat een dergelijke bijlage als uitgangspunt op dezelfde wijze wordt bekendgemaakt als de desbetreffende regeling. Illustratief is ook dat in de parlementaire geschiedenis in verband met de mogelijkheid van een afwijkende wijze van bekendmaking van een bijlage wordt gerept over een ‘uitzondering’.
Het uitgangspunt volgt verder uit de parlementaire geschiedenis van de Wet elektronische publicaties. Ik doel onder meer op de passage waarin is vermeld dat “het streven [is] dat zoveel mogelijk onderdelen van een algemeen verbindend voorschrift in het publicatieblad worden bekendgemaakt” (4.18), alsmede de in 4.23 geciteerde passage, waarin wordt gesproken over ‘integrale plaatsing’ of ‘integrale publicatie’.
Uit het voorgaande volgt dat Bijlage 1 als uitgangspunt moet worden bekendgemaakt tezamen met, en daarmee op dezelfde wijze als, de Regeling, dus door plaatsing in het Gemeenteblad. Dat is anders indien gebruik is gemaakt van de in art. 7(2) Bekendmakingswet voorziene mogelijkheid tot een afwijkende wijze van bekendmaking.
Is voor Bijlage 1 gebruikgemaakt van de in art. 7(2) Bekendmakingswet voorziene mogelijkheid tot een afwijkende wijze van bekendmaking?
De in art. 7(2) Bekendmakingswet voorziene mogelijkheid tot een afwijkende wijze van bekendmaking is naar mijn mening hier niet aan de orde. Dat zit niet zozeer in de – in cassatie niet bestreden – vaststelling door het Hof (in rov. 5.7) dat, kort gezegd, voorafgaande instemming door de Minister van BZK met een afwijkende wijze van bekendmaking ontbreekt. Het zit in de omstandigheid dat überhaupt geen gebruik is gemaakt van de in art. 7(2) Bekendmakingswet voorziene bevoegdheid tot afwijking. In de Regeling is immers niet bepaald dat Bijlage 1 wordt bekendgemaakt door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium (dan het Gemeenteblad), laat staan dat een ander medium is aangewezen in de Regeling althans (vgl. 4.19) dat een hyperlink is opgenomen. Een dergelijke bepaling is niet te vinden in het slotformulier en evenmin in bijvoorbeeld de artikelen in de Regeling die verwijzen naar Bijlage 1. Zie ook Scherff in 5.5.
Ook het College voert in cassatie niet aan dat wél gebruik is gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid van art. 7(2) Bekendmakingswet. Het verwijt het Hof zelfs ten onrechte te hebben onderzocht of de Minister van BZK toestemming heeft verleend. Nog duidelijker is het College in de conclusie van repliek, waarin het College, naar aanleiding van de verwijzing door de gemachtigde naar de in 5.8 vermelde annotatie van Scherff, opmerkt dat de annotator ten onrechte ervan uitgaat dat met de publicatie van Bijlage 1 sprake is van een bekendmaking als bedoeld in art. 7(2) Bekendmakingwet: “Deze wijze van bekendmaking is (…) niet beoogd, en niet aan de orde”.
Nu in dit geval geen gebruik is gemaakt van de in art. 7(2) Bekendmakingswet voorziene bevoegdheid tot afwijking, laat ik onbesproken kwesties zoals (i) wat de juridische gevolgen zijn indien wél van de bevoegdheid is gebruik gemaakt, maar zonder voorafgaande instemming van de Minister van BZK, (ii) of het “wegens aard of omvang”-bestanddeel aanwezig zou zijn bij Bijlage 1, en (iii) zo niet, wat de juridische gevolgen daarvan zouden zijn.
Is Bijlage 1 bekendgemaakt in het Gemeenteblad?
Uit het voorgaande volgt dat Bijlage 1 als onderdeel van de Regeling moet worden bekendgemaakt door plaatsing in het Gemeenteblad tezamen met de Regeling. Tot zover is er in cassatie in de kern ook geen geschil. De kern van het geschil is of Bijlage 1 is geplaatst in het Gemeenteblad. De vraag is dan wat precies het Gemeenteblad is.
Uit art. 2(8) Bekendmakingswet volgt dat de uitgifte van het Gemeenteblad elektronisch geschiedt op een algemeen toegankelijke wijze door middel van een door de Minister van BZK in stand gehouden digitale infrastructuur (zie 4.9 voor de tekst). Uit art. 3.1 Besluit elektronische publicaties in combinatie met art. 2.1 Regeling elektronische publicaties volgt dat het Gemeenteblad wordt uitgegeven op https://www.officielebekendmakingen.nl (zie 4.10-4.11 voor de teksten).
Over de in 2.6 vermelde feitelijke wijze waarop Bijlage 1 is gepubliceerd bestaat (ook) in cassatie geen discussie. Bijlage 1 is niet ‘achter’ de Regeling opgenomen op https://www.officielebekendmakingen.nl, niet in het pdf-bestand en evenmin in de html-weergave. Op de specifieke webpagina waarop het Gemeenteblad 2021 met nr. 471695 is gepubliceerd, kan Bijlage 1 worden geraadpleegd via een link. Ik wijs naar het screenshot opgenomen in 3.3, met daarbij de kanttekening dat afhankelijk van de schermresolutie een extra handeling nodig kan zijn om de link te zien en de Bijlage 1 te raadplegen (zie 3.4-3.5).
De bedoelde specifieke webpagina is https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2021-471695.html. Ik begrijp het College zo dat het van opvatting is dat Bijlage 1 is gepubliceerd in het Gemeenteblad door opname van de link op deze pagina. Dit impliceert dat het College van opvatting is dat niet (alleen) het pdf-bestand dat is gepubliceerd op die webpagina, het Gemeenteblad is maar dat de webpagina zelf het Gemeenteblad is. Het College is over dat laatste bovendien volstrekt duidelijk: “De webpagina die een belanghebbende bezoekt, is het digitale Gemeenteblad” (cursivering in het origineel). Het Hof is daarentegen impliciet van de opvatting uitgegaan dat het digitale Gemeenteblad het op die webpagina opgenomen pdf-bestand is. Dat leid ik af uit de inhoud van rov. 5.4 en 5.5 af in combinatie met het feit dat het Hof in rov. 2.2 en 2.6 spreekt over ‘de authentieke akte’, met welke term het pdf-bestand wordt aangeduid op https://www.officielebekendmakingen.nl (zie bijv. het screenshot opgenomen in 3.3).
Ik meen dat de opvatting van het Hof juist is. Een tekstueel aanknopingspunt daarvoor is al de term publicatieblad – de term ‘blad’ duidt mijns inziens eerder op een pdf-bestand dan op een webpagina als zodanig. Een daarmee samenhangend tekstueel aanknopingspunt is gelegen in de tekst van art. 3.1 Besluit elektronische publicaties, dat bepaalt dat de “publicatiebladen (…) worden uitgegeven op een bij ministeriële regeling te bepalen internetadres” (onderstreping MP). Belangrijker is evenwel nog hetgeen in art. 2.2(2) Regeling elektronische publicaties is voorgeschreven als hoofdregel, te weten dat publicaties worden uitgegeven en beschikbaar gehouden in het bestandsformaat PDF/A (zie 4.28). Daarin ligt naar mijn mening besloten dat als een publicatie wordt uitgegeven in het bestandsformaat PDF/A, het desbetreffende pdf-bestand dé publicatie is. Dit vindt naar mijn mening ook steun in de toelichting.
Ik merk ten overvloede op dat de website officielebekendmakingen.nl zelf geen enkel aanknopingspunt biedt voor de opvatting van het College. Integendeel, de informatie op de website geeft duidelijk steun aan de opvatting van het Hof. De disclaimer die onderin is te vinden is op die website duidt de pdf-bestanden aan als “de formele bekendmakingen”:
“De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.”
Ook in de in 4.39-4.43 vermelde gegevens over de uitvoeringspraktijk is geen enkel aanknopingspunt te vinden voor de opvatting van het College. Sterker nog, uit die gegevens volgt dat het College niet conform de handleiding van KOOP heeft gehandeld door Bijlage 1 als externe bijlage toe te voegen aan de publicatie, terwijl Bijlage 1 juridisch onderdeel is van de Regeling (vgl. vooral 4.40).
Het College lijkt in zijn conclusie van repliek een net wat ander betoog te hebben dan in zijn beroepschrift in cassatie. Omdat ik het lastig vind om het betoog samen te vatten zonder een innerlijke tegenstrijdigheid op te nemen, citeer ik:
“2.1 Het College heeft in beroep allereerst naar voren gebracht dat het feit dat de Bijlage op de website officielebekendmakingen.nl staat, waarop ook het digitale Gemeenteblad is geplaatst, en wel bij de tekst van de Regeling, maakt dat de (tekst van de) Bijlage in het Gemeenteblad is gepubliceerd, dan wel geacht moet worden te zijn gepubliceerd in het Gemeenteblad. De Bijlage is immers gepubliceerd en raadpleegbaar binnen de omgeving van officielebekendmakingen.nl, zoals voorgeschreven in artikel 6 van de Bekendmakingswet, artikel 3.1 Besluit elektronische publicaties en artikel 2.1 Regeling elektronische publicaties.
Deze regels schrijven voor dat het Gemeenteblad wordt uitgegeven op een internetadres, namelijk op officielebekendmakingen.nl. Dat is ook gebeurd. In deze regels is niet bepaald dat alleen de PDF-uitgave van het Gemeenteblad die via dit internetadres kan worden geraadpleegd, de officiële bekendmaking is, en alles daarbuiten - zij het wel raadpleegbaar via officiëlebekendmakingen.nl - niet. Dat volgt evenmin uit artikel 2.2 van de Regeling elektronische publicaties, waar belanghebbenden naar verwijzen.”
Ik merk over dit betoog het volgende op:
- Zo het betoog zou inhouden dat voldoende is dat de Bijlage 1 “is (…) gepubliceerd en raadpleegbaar binnen de omgeving van officielebekendmakingen.nl”, is het betoog onjuist. Bekendmaking van de Bijlage moet geschieden door plaatsing in het Gemeenteblad (zie 6.12). Dat het Gemeenteblad wordt uitgegeven op https://www.officielebekendmakingen.nl, betekent vanzelfsprekend niet dat – omgekeerd – al hetgeen wordt gepubliceerd en raadpleegbaar is binnen de omgeving van die website als een bekendmaking op de voorgeschreven wijze heeft te gelden.
- Overigens is Bijlage 1 niet gepubliceerd op https://www.officielebekendmakingen.nl, maar op een andere website, te weten repository.officiele-overheidspublicaties.nl (zie 2.6). Dat dit een domein is binnen de infrastructuur van KOOP, zoals het College elders in de conclusie van repliek (punt 2.9) betoogt, maakt dat niet anders.
- Zo het betoog inhoudt dat een Gemeenteblad bestaat uit (i) de pdf-uitgave van het Gemeenteblad en (ii) eventuele andere publicaties op de webpagina van de website https://www.officielebekendmakingen.nl waarop de uitgave is gepubliceerd, meen ik dat het betoog niet juist is. Afgezien van een geval waarin onderdelen van publicaties worden uitgegeven in een afwijkend bestandsformaat als bedoeld in art. 2.2(3) Regeling elektronische publicaties, kent de bekendmakingsregelgeving slechts twee opties (en is daarmee in zoverre een gesloten systeem): (i) integrale opname van alle onderdelen van een regeling in de pdf-uitgave van het publicatieblad, dan wel (ii) gebruik maken van de bevoegdheid van art. 7(2) Bekendmakingswet.
- Ik zie geen enkele aanleiding om een fictie (“geacht moet worden te zijn gepubliceerd in het Gemeenteblad”) te aanvaarden. Gegeven het grote belang dat toekomt aan een juiste bekendmaking van regelgeving, is het in het algemeen belang dat strak wordt vastgehouden aan de regels voor een juiste bekendmaking. Ik zie bovendien niet in voor welk (algemeen) probleem de voorgestelde fictie een oplossing is, afgezien van het onderhavige probleem dat specifiek bij gemeente Den Haag is ontstaan doordat zij kennelijk niet heeft gehandeld conform de in 4.40 vermelde instructies in de DROP-handleiding wat betreft bijlagen die juridisch onderdeel zijn van de publicatie. Gegeven dat de Gemeente razendsnel in staat was de Bijlage alsnog in het Gemeenteblad bekend te maken (zie 3.10), is er denkelijk ook geen probleem.
De rechtbank Den Haag heeft een andersluidende opvatting over de juridische status van de publicatie van Bijlage 1 (zie 5.2 en vooral 5.6). Uit het voorgaande volgt waarom ik het niet eens ben met die opvatting. Ik plaats nog twee kanttekeningen bij de motivering van de rechtbank. De rechtbank heeft bij haar motivering betrokken de toegankelijkheid en kenbaarheid van Bijlage 1 en overweegt daarop aansluitend dat “[h]et plaatsen van de integrale tekst in, dan wel onder, de Regeling (…) ten aanzien van deze wijze van bekendmaken geen toegevoegde waarde met zich [brengt]” (zie 5.6). Ik meen dat dit te stellig is. Ten eerste wijs ik – in navolging van Scherff (5.8) – wat betreft de kenbaarheid erop dat de link naar Bijlage 1 niet steeds goed zichtbaar is op https://www.officielebekendmakingen.nl; dat hangt van de resolutie van het scherm waarmee de website wordt bekeken (zie 3.3-3.5).
Ten tweede, belangrijker, de (afwijkende) wijze van publicatie van Bijlage 1 heeft negatieve gevolgen voor de toegankelijkheid en kenbaarheid van Bijlage 1 indien de Regeling in geconsolideerde vorm wordt geraadpleegd op de website https://lokaleregelgeving.overheid.nl. Ik wijs daarvoor naar 3.11-3.14, waaruit onder meer volgt dat Bijlage 1 geen onderdeel is van de Regeling in geconsolideerde vorm (tot 20 november 2025). Dit staat op gespannen voet met het gebruiksgemak dat wordt nagestreefd met de in art. 19 Bekendmakingswet voorgeschreven consolidatieverplichting (zie 4.35). Dit is ook daadwerkelijk praktisch van belang. Mijn eigen ervaring is dat indien een regeling via een zoekmachine op internet wordt opgezocht, veelal het eerste zoekresultaat een link naar wetten.overheid.nl (in het geval van centrale regelgeving) of lokaleregelgeving.overheid.nl (in het geval van decentrale regelgeving) is, en niet een link naar het publicatieblad op officielebekendmakingen.nl.
Conclusie is dat Bijlage 1 niet is bekendgemaakt in het Gemeenteblad. Dat is een conclusie die geldt voor de oorspronkelijke Bijlage 1 die behoort bij de Regeling ten tijde van de bekendmaking van de Regeling in het Gemeenteblad, aangezien de analyse hiervoor betrekking heeft op de feitelijke wijze van publicatie van die oorspronkelijke Bijlage 1.
De hier relevante nieuwe versies van Bijlage 1 zijn evenmin bekendgemaakt in het Gemeenteblad
Dezelfde conclusie geldt voor nieuwe versies van Bijlage 1 die nadien zijn vastgesteld en gepubliceerd, waaronder de twee in 6.2 genoemde versies die relevant zijn voor de onderhavige zaken. De analyse hiervoor geldt namelijk dienovereenkomstig voor die versies, aangezien de feitelijke wijze van publicatie van die versies niet op relevante wijze afwijkt van de feitelijke wijze van publicatie van de oorspronkelijke Bijlage 1 (zie 3.8).
Het is voor het eerst anders voor de versie van Bijlage 1 zoals vastgesteld bij de Regeling tot negentiende wijziging van de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022. Weliswaar is ook deze versie aanvankelijk niet in het Gemeenteblad bekengemaakt (zie 3.9), maar op 20 november 2025 is dat alsnog gebeurd (zie 3.10). Voor de onderhavige zaken is dat evenwel niet van betekenis, nu die bekendmaking heeft plaatsgevonden na de onderhavige tijdstippen waarop is geparkeerd.
Gevolg niet-bekendmaking Bijlage 1 in het Gemeenteblad
De niet-bekendmaking van Bijlage 1 in het Gemeenteblad (tot 20 november 2025) betekent dat de Regeling (tot 20 november 2025) niet op de in art. 6 Bekendmakingswet voorgeschreven wijze is bekendgemaakt voor zover het gaat om Bijlage 1.
Dit heeft naar mijn mening op grond van art. 8 Bekendmakingswet tot gevolg dat de Regeling (tot 20 november 2025) niet in werking is getreden voor zover het gaat om Bijlage 1. Dat komt in de kern overeen met het oordeel van het Hof in rov. 5.8.
Het College betoogt, onder verwijzing naar HR BNB 2019/149 en HR BNB 2024/71, dat een afwijking van de voorgeschreven wijze van bekendmaking niet per definitie in de weg staat aan verbindendheid, en dat het Hof daarom had moeten onderzoeken of Bijlage 1 zodanig is gepubliceerd dat zij voor eenieder voldoende toegankelijk is zodat aan de kenbaarheidsvereisten is voldaan.
Naar mijn mening slaagt dit betoog niet. Hetgeen is overwogen in de genoemde arresten moet naar mijn mening worden geplaatst in de context van de vraag die in die arresten voorligt. Dat is, kort gezegd, de vraag onder welke omstandigheden een belastingverordening onverbindend is, indien daarin wordt verwezen naar zogenoemde NEN-normen en die normen niet in die verordening zijn opgenomen. Het gaat daarbij dus niet om de bekendmaking en inwerkingtreding van de verordening. In de onderhavige zaken gaat het daarentegen juist niet om de kenbaarheid van een in een regeling gebruikte norm, maar om de vraag of een onderdeel van een regeling is bekendgemaakt. Samenhangend, in de genoemde arresten is aan de orde dat de NEN-normen op zichzelf wel zijn bekendgemaakt in een publicatieblad, te weten de Staatscourant (maar is de vraag of de NEN-normen voldoende kenbaar zijn in de context van een belastingverordening indien in die verordening naar de normen wordt verwezen zonder – kort gezegd – een correcte vermelding van de vindplaats). In de onderhavige zaken is juist het probleem dat Bijlage 1 (tot 20 november 2025) niet is bekendgemaakt in een publicatieblad. Korter gezegd: in de genoemde arresten gaat het om de kenbaarheid van wél in een publicatieblad bekendgemaakte normen, terwijl het hier gaat om de bekendmaking van normen (althans normbestanddelen).
Gevolg van de niet-inwerkingtreding van de Regeling voor zover het gaat om Bijlage 1
Aangezien de Regeling (tot 20 november 2025) niet in werking is getreden voor zover het gaat om Bijlage 1, zijn (tot 20 november 2025) geen gebieden aangewezen waar geparkeerd mag worden tegen de betaling van parkeerbelasting. Dat brengt mee dat in elk van de onderhavige zaken niet kan worden geoordeeld dat het parkeren op de desbetreffende plaats een belastbaar feit voor de parkeerbelasting is. Het Hof heeft de naheffingsaanslagen daarom terecht vernietigd.
Daarbij verdient nog het volgende opmerking. Zowel in de sfeer van een partiële onverbindendverklaring van een belastingverordening als in de sfeer van een partiële buitentoepassinglating van een belastingverordening is er rechtspraak waaruit volgt dat in voorkomende gevallen de belastingheffing kan steunen op een eerdere belastingverordening. De vraag kan rijzen of deze rechtspraak zou moeten worden doorgetrokken naar een geval als dit waarin sprake is van een partiële niet-inwerkingtreding. Ik acht een bevestigend antwoord niet zonder meer vanzelfsprekend omdat deze niet-inwerkingtreding als reden heeft dat het desbetreffende onderdeel van de regeling niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, en de bekendmakingsvoorschriften ertoe dienen de kenbaarheid van een regeling te verzekeren. Het ligt in het opzicht van kenbaarheid niet zonder meer in de rede om als een deel van een regeling niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, terug te vallen op een eerdere regeling.
De vraag hoeft evenwel voor de onderhavige zaken geen beantwoording. Het Hof heeft namelijk in rov. 5.9 in cassatie onbestreden geoordeeld dat met betrekking tot (de inhoud van) Bijlage 1 niet kan worden teruggevallen op een voorafgaande regeling. Ik merk daarbij op dat ik uit art. 6.2 Regeling afleid dat de voorafgaande regeling het Aanwijzingsbesluit betaald parkeren en toepassing wielklem Den Haag per 1 oktober 2021 is. Nog ervan afgezien dat de intrekking van dat aanwijzingsbesluit is geschied in een onderdeel van de Regeling (te weten in art. 6.2 Regeling) dat wél in werking is getreden, zou de onderhavige heffing ook niet op dat aanwijzingsbesluit kunnen steunen. Bij dat aanwijzingsbesluit doet zich namelijk hetzelfde euvel voor als bij de Regeling: bij dat besluit behoort een vergelijkbare bijlage, die op een vergelijkbare wijze is gepubliceerd als Bijlage 1 en dus evenmin op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
7 Beoordeling
Principale beroep in cassatie
Klacht I faalt, omdat zij uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting over wat als bekendmaking door plaatsing in het Gemeenteblad als bedoeld in art. 6 Bekendmakingswet heeft te gelden. Anders dan waarvan de klacht uitgaat, heeft in een geval als dit enkel de uitgave van het Gemeenteblad op de wijze als vermeld in art. 2.2(2) Regeling elektronische publicaties als het Gemeenteblad te gelden. Anders dan de klacht betoogt, behoort tot het Gemeenteblad niet hetgeen naast die uitgave is opgenomen op de desbetreffende webpagina van de website https://www.officielebekendmakingen.nl. (vgl. 6.16-6.27)
Ook klacht II faalt. Zie 6.32-6.33.
Incidenteel beroep in cassatie
Het middel slaagt. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet voor elke fase afzonderlijk worden beoordeeld of bij de in die fase behandelde zaken sprake is van samenhang in de zin van art. 3(2) Bpb. Indien het Hof van een andere rechtsopvatting is uitgegaan, dan getuigt het oordeel van het Hof van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, dan is het oordeel van het Hof om ook voor de bezwaar- en beroepsfase samenhang aan te nemen zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat belanghebbenden pas in hoger beroep het standpunt hebben ingenomen dat Bijlage 1 niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
In zijn zienswijze laat het College in het midden of samenhang kan worden aangenomen voor de bezwaar- en beroepsfase. Het verweer van het College is dat het middel niet tot cassatie kan leiden omdat het Hof “ook om andere redenen [had] kunnen afwijken van de forfaitaire bedragen uit het Bpb”. Ik meen dat dit verweer niet opgaat. Het Hof heeft nu eenmaal geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om op grond van art. 2(3) Bpb af te wijken van art. 2(1) Bpb.
Afdoening na cassatie
Mijns inziens kan de Hoge Raad de zaken zelf afdoen door de (proces)kostenvergoeding voor de bezwaar en beroepsfase zelf vast te stellen. Ik meen dat er geen grond is om samenhang in de zin van art. 3(2) Bpb aan te nemen voor de bezwaar- en beroepsfase. Zoals zojuist vermeld, is pas in hoger beroep het standpunt ingenomen dat Bijlage 1 niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Uit de stukken van het geding leid ik af dat in elk van de zaken in de bezwaar- en beroepsfase de naheffingsaanslag niet alleen met een vergelijkbare formele grond is bestreden (te weten of de verhaalbare-kostenlimiet is overschreden), althans wat betreft belanghebbende 2 alleen in beroep, maar ook met van elkaar verschillende materiële gronden, althans wat betreft belanghebbende 1 alleen in bezwaar. Daarmee kan niet worden gezegd dat in de bezwaarfase onderscheidenlijk de beroepsfase de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Overigens wijs ik erop – in navolging van het College in zijn zienswijze – dat belanghebbende 2 in de bezwaarfase niet is bijgestaan door een gemachtigde. Verder zie ik geen aanleiding – ook niet in wat het College heeft aangevoerd in zijn zienswijze – om gebruik te maken van de in art. 2(3) Bpb neergelegde bevoegdheid. Voor belanghebbende 1 en belanghebbende 3 zou dit een en ander betekenen dat de volledige forfaitaire vergoeding voor zowel de bezwaar- als beroepsfase wordt toegekend. Voor belanghebbende 2 zou het betekenen dat de volledige forfaitaire vergoeding voor de beroepsfase wordt toegekend en dat het door het Hof vastgestelde bedrag voor de bezwaarfase ongemoeid wordt gelaten.
8 Conclusie
Ik geef de Hoge Raad in overweging om (i) de beroepen in cassatie van het College ongegrond te verklaren en (ii) de incidentele beroepen in cassatie van belanghebbenden gegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal