Belastingrecht

Bijlage: ECLI:NL:PHR:2026:982 Douanerechten. Art. 534 UCDW; regeling voor gezamenlijke opslag; ook voor…

Parket bij de Hoge Raad, 25 september 2026

Zaakgegevens

Op 25 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25 september 2026
Datum publicatie
25 september 2026
Zaaknummers
25/01234, 25/01239
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:920
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bijlage: ECLI:NL:PHR:2026:982

Douanerechten. Art. 534 UCDW; regeling voor gezamenlijke opslag; ook voor opslag in verschillende tanks van hetzelfde douane-entrepot? Art. 204 CDW; onregelmatige toepassing van regeling voor gezamenlijke opslag? Art. 203 CDW; wetenschap of bewustheid van onttrekking van niet-communautaire biodiesel aan douanetoezicht? Verordening (EG) nr. 599/2009; geldige instelling van definitief antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de VS?

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummers 25/01234 en 25/01239

Datum 25 september 2026

Onderwerp/tijdvak Douanerechten 2013-2016

Nrs. Gerechtshof 23/1229 en 23/1232

Nrs. Rechtbank 19/724 en 19/727

CONCLUSIE

C.M. Ettema

In de zaken van

[X1] B.V. (de eigenaar), en

[X2] A.S. (de zuster; samen met de eigenaar: belanghebbenden)

tegen

staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris)

1 Inleiding

Clusters over biodiesel

1.1

Van juni 2013 tot en met april 2016 zijn vele zendingen van biodiesel uit de VS, Indonesië, Maleisië en Argentinië geplaatst in tanks van een entrepot in de haven van Rotterdam. De biodiesel is van de eigenaar; zij is belanghebbende in de zaak met nr. 25/01234. Op haar verzoek heeft een ander opdracht gegeven de zendingen in, op en uit te slaan. Deze ander is de zuster, die belanghebbende is in de zaak met nr. 25/01239. Die opdrachten zijn telkens verstrekt aan de derde van wie het entrepot is: de entrepothouder. Zij beschikt over een vergunning voor het beheer van een zogenoemd ‘douane-entrepot type E’ en heeft de zendingen geplaatst in haar entrepot. Zij is belanghebbende in de samenhangende zaak met nr. 25/01243.

1.2

Deze niet-communautaire biodiesel is fysiek gescheiden gehouden van communautaire biodiesel, die is opgeslagen in andere tanks van hetzelfde entrepot. Vervolgens is de niet-communautaire biodiesel uitgeslagen als communautair goed en verscheept naar afnemers in de Unie, terwijl de communautaire biodiesel is uitgeslagen als niet-communautair goed en verscheept naar afnemers buiten de Unie. De Inspecteur heeft uitnodigingen tot betaling van douanerechten, antidumpingrechten en compenserende rechten (utb’s) uitgereikt aan de eigenaar, de zuster en de entrepothouder want volgens hem is de niet-communautaire biodiesel in het vrije verkeer gebracht zonder aangifte voor dit verkeer.

1.3

De drie zaken van de eigenaar, de zuster en de entrepothouder vormen een cluster dat deel uitmaakt van nog twee clusters van telkens drie zaken van dezelfde belanghebbenden. Het tweede cluster gaat over een deel van een zending van biodiesel uit de VS en Indonesië, het derde cluster over een zending van biodiesel uit de VS. In al deze zaken neem ik conclusie. Bij die conclusies gaat een gemeenschappelijke bijlage (Bijlage). Voor een overzicht van de zaken verwijs ik naar onderdeel 1 van de Bijlage.

Samenhang tussen de Bijlage en deze conclusies

1.4

Alle zaken gaan dus over zendingen van biodiesel uit (onder meer) de VS. Er zijn definitieve antidumpingrechten en compenserende rechten ingesteld op biodiesel van oorsprong uit de VS. In alle zaken was bij de feitenrechters en is in cassatie in geschil of de verordening tot instelling van het definitieve antidumpingrecht geldig is: verordening (EG) nr. 599/2009 (de Definitieve AD-verordening). In de Bijlage onderzoek ik of deze verordening geldig is aan de hand van de klachten die daartegen worden aangevoerd in alle zaken (zie onderdeel 2 van de Bijlage).

1.5

Dit cluster van drie zaken gaat over niet-communautaire en communautaire biodiesels die zijn opgeslagen in hetzelfde entrepot maar in verschillende tanks daarvan. In dit cluster was bij de feitenrechters en is in cassatie in geschil of de faciliteit van gezamenlijke opslag als bedoeld in art. 534(2) UCDW (hierna: de regeling voor gezamenlijke opslag) toepassing vindt. Deze regeling staat toe – kort gezegd – gezamenlijk opgeslagen goederen naar keuze aan te geven als niet-communautaire of communautaire goederen voor een opvolgende douanebestemming. In de Bijlage onderzoek ik of die regeling zich uitstrekt tot een geval als dit, waarin de biodiesels fysiek gescheiden zijn gehouden (zie onderdeel 3 van de Bijlage).

1.6

In deze conclusie onderzoek ik de resterende klachten van de eigenaar en de zuster in hun twee zaken.

Bestreden oordelen, klachten en beoordeling

1.7

Naar het oordeel van het Hof is de Definitieve AD-verordening geldig. Het betoog van belanghebbenden dat zij ongeldig is, steunt op gronden die de Commissie heeft verworpen in de preambule van de verordening tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de VS. Daarom heeft het Hof dit betoog verworpen.

1.8

Het Hof acht buiten twijfel dat de regeling voor gezamenlijke opslag niet zo ver strekt dat zij het mogelijk maakt niet-communautaire biodiesel aan te merken als gezamenlijk te zijn opgeslagen met communautaire biodiesel wanneer beide biodiesels fysiek gescheiden zijn gehouden. Daarom mist deze regeling toepassing. Zij wordt niet alsnog van toepassing door het beroep van belanghebbenden op het Handboek Douane. Ook dit handboek voorziet niet erin dat die regeling van toepassing is wanneer biodiesels fysiek gescheiden zijn gehouden. Zelfs als het wel zou voorzien daarin, kunnen belanghebbenden zich niet met vrucht op dat handboek beroepen, gelet op Sony Supply Chain Solutions (Europe). Evenmin kunnen zij zich beroepen op een eventuele uitvoeringspraktijk van de douaneautoriteiten die stoelt op hetzelfde handboek, gelet op Baltic Container Terminal.

1.9

In het verlengde daarvan oordeelt het Hof dat een douaneschuld niet is ontstaan op de voet van art. 204 CDW. De regeling voor gezamenlijke opslag is niet onregelmatig toegepast. De eerste onregelmatigheid heeft zich voorgedaan toen niet-communautaire biodiesel in het vrije verkeer is gebracht zonder te zijn aangegeven voor dit verkeer.

1.10

Vervolgens heeft het Hof ieder van belanghebbenden aangemerkt als douaneschuldenaar. Zij zijn professionele marktdeelnemers en hebben als zodanig in redelijkheid niet ervan kunnen uitgaan dat hun handelwijze volgens het Unierecht níet maar volgens het Handboek Douane wél zou zijn toegestaan. Ieder van hen heeft dan ook redelijkerwijs moeten weten dat niet-communautaire biodiesel is onttrokken aan het douanetoezicht, zo ieder dit niet al heeft geweten.

1.11

Belanghebbenden komen tegen de uitspraak van het Hof op met vier middelen. Middel 1 betoogt dat de regeling voor gezamenlijke opslag zich uitstrekt tot een geval als dit, waarin de biodiesels zijn opgeslagen in hetzelfde entrepot maar in verschillende tanks. Middel 2 betoogt dat deze regeling onregelmatig is toegepast, zodat een douaneschuld is ontstaan op de voet van art. 204 CDW. Middel 3 betoogt dat belanghebbenden niet zijn aan te merken als douaneschuldenaar. Middel 4 betoogt dat de Definitieve AD-verordening niet geldig is, althans dat haar geldigheid niet buiten redelijke twijfel is.

1.12

Ik begin bij middel 4. Voor zover dit middel betoogt dat de Definitieve AD-verordening in strijd is met het verbod op cumulatie van antidumpingrechten en compenserende rechten, meen ik dat het faalt. Dat verbod geldt voor één en dezelfde situatie die is ontstaan door dumping of uitvoeringsubsidiëring. In navolging van de Commissie is het Hof ervan uitgegaan dat zo’n situatie zich hier niet voordoet. Gelet op de gronden waarop dit oordeel berust, acht ik het niet onbegrijpelijk. Voor het overige klaagt middel 4 dat de dumpingmarge ten onrechte is vastgesteld zonder correctie voor een zekere subsidie op biodiesel van oorsprong uit de VS. Deze klacht faalt want de desbetreffende subsidie heeft geen gevolg voor de dumpingmarge.

1.13

Ik vervolg met de overige middelen. Met het Hof ben ik van oordeel dat de regeling voor gezamenlijke opslag zich niet uitstrekt tot een geval als dit. Voor zover middel 1 uitgaat van het tegendeel, faalt het. Voor het overige behelst middel 1 een beroep op het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel. Ook dit beroep faalt, gelet op Sony Supply Chain Solutions (Europe). Aangezien de regeling voor gezamenlijke opslag toepassing mist, faalt middel 2. Dit middel gaat namelijk ervan uit dat deze regeling van toepassing is maar onregelmatig is toegepast. Middel 3 berust op de opvatting dat belanghebbenden hebben kunnen en mogen menen dat hun handelwijze wél in Nederland maar níet in enig andere lidstaat van de Unie zou zijn toegestaan. Deze opvatting is onjuist, gelet op Sony Supply Chain Solutions (Europe).

1.14

Ik geef de Hoge Raad in overweging de beroepen in cassatie ongegrond te verklaren.

2 De feiten en het geding in feitelijke instanties

De feiten

2.1

Deze zaken gaan over diverse zendingen van biodiesel uit de VS, Indonesië, Maleisië en Argentinië in de periode van juni 2013 tot en met april 2016. De zendingen zijn van de eigenaar. Ze zijn in-, op- en uitgeslagen in opdracht van de zuster. De eigenaar en de zuster behoren tot een concern dat handelt in energieproducten, waaronder biodiesel.

2.2

De entrepothouder behoort niet tot hetzelfde concern. Zij heeft in de haven van Rotterdam een tankopslagbedrijf voor vloeibare bulkgoederen, zoals biodiesel. Zij verzorgt opslag- en expeditiewerkzaamheden voor onder anderen de eigenaar, die een aantal van haar tanks huurt. Voor die werkzaamheden beschikt de entrepothouder over een aantal vergunningen, waaronder een vergunning voor het beheer van een type E douane-entrepot. Haar vergunning geldt zowel voor goederen die onder het stelsel van douane-entrepots worden opgeslagen als voor goederen die niet onder dat stelsel worden opgeslagen en staat toe dat gezamenlijke opslag van goederen met een verschillende douanestatus plaatsvindt.

2.3

De zendingen van niet-communautaire biodiesel van de eigenaar zijn geplaatst in tanks van dit entrepot. De entrepothouder heeft de biodiesel in-, op- en uitgeslagen op eigen naam en voor eigen rekening. Dit is dus gebeurd in opdracht van de zuster en na een daartoe strekkend verzoek van de eigenaar aan haar.

2.4

Daarnaast zijn zendingen van communautaire biodiesel opgeslagen in andere tanks van hetzelfde entrepot. Het Hof heeft – in beide zaken niet bestreden – vastgesteld dat de niet-communautaire biodiesel fysiek gescheiden is gehouden van de communautaire biodiesel. Vervolgens is – in beide zaken evenmin bestreden – vastgesteld dat de niet-communautaire biodiesel is uitgeslagen als communautair goed en verscheept naar afnemers in de Unie, terwijl de communautaire biodiesel is uitgeslagen als niet-communautair goed en verscheept naar afnemers buiten de Unie.

2.5

Op 10 oktober 2016 heeft de Inspecteur uitnodigingen tot betaling (utb’s) uitgereikt aan de eigenaar en de zuster. Volgens hem is de niet-communautaire biodiesel onttrokken aan het douanetoezicht want deze biodiesel is uit het douane-entrepot van de entrepothouder beland in de Unie zonder betaling van douane- en antidumpingrechten. Dit standpunt is gegrond op bevindingen van OLAF, die onderzoek heeft verricht naar onder meer de zendingen die zijn betrokken in de utb’s.

2.6

Belanghebbenden hebben bezwaar gemaakt tegen de utb’s. Hangende het bezwaar heeft de Inspecteur hen ambtshalve kwijtschelding verleend van € 13.766.940,71.Bij uitspraak op bezwaar van 21 december 2018 heeft hij beiden een verdere vermindering verleend van € 316.045,59. Er resteert een bedrag van € 25.806.534,84 voor ieder van hen. Dit bedrag is opgebouwd als volgt:

Douanerechten

€ 5.117.929,50

Definitieve antidumpingrechten

€ 8.706.201,95

Definitieve compenserende rechten

€ 11.982.403,39

Totaal

€ 25.806.534,84

Geschil

2.7

Voor zover in cassatie nog van belang, valt het geschil bij de feitenrechters uiteen in vier vragen. Ten eerste, strekt de regeling voor gezamenlijke opslag zich uit tot een geval als dit, waarin biodiesels zijn geplaatst in verschillende tanks van hetzelfde entrepot? Zo ja, dan is in het geheel geen douaneschuld ontstaan. Ten tweede, als deze regeling zich niet uitstrekt daartoe, ontstaat dan een douaneschuld op de voet van art. 204 van het Communautair Douanewetboek (CDW)? Zo ja, dan is ieder van belanghebbenden niet aan te merken als de douaneschuldenaar. Ten derde, als een douaneschuld ontstaat op de voet van art. 203 CDW (in plaats van art. 204 CDW), wisten zij of hadden zij redelijkerwijs moeten weten dat de niet-communautaire biodiesel is onttrokken aan het douanetoezicht? Zo niet, dan is ieder van evenmin aan te merken als de douaneschuldenaar. Ten vierde, is de Definitieve AD-verordening geldig?

Rechtbank Noord-Holland

2.8

Belanghebbenden hebben beroep ingesteld bij de rechtbank Noord-Holland (de Rechtbank). Bij uitspraken van 1 september 2023 heeft de Rechtbank de beroepen ongegrond verklaard.

2.9

Naar haar oordeel strekt de regeling voor gezamenlijke opslag zich niet uit tot een geval als dit. Volgens art. 534(2) van de verordening die strekt tot uitvoering van het CDW (UCDW) kunnen de douaneautoriteiten gezamenlijke opslag toestaan wanneer het niet mogelijk is de douanestatus van elke soort goederen te allen tijde vast te stellen. Dat vereist dat goederen daadwerkelijk – fysiek met elkaar – gezamenlijk zijn opgeslagen; het volstaat niet wanneer ze fysiek gescheiden van elkaar zijn opgeslagen, zoals in verschillende tanks. Dit wordt niet anders doordat de vergunning van de entrepothouder vereist dat de biodiesel administratief moet zijn te volgen. Het wordt evenmin anders doordat goederen in een type E douane-entrepot niet altijd hoeven te worden opgeslagen in een daartoe goedgekeurde plaats.

2.10

Voor de Rechtbank hebben belanghebbenden betoogd – onder verwijzing naar onderdeel 15.50.00 van het Handboek Douane – dat de regeling voor gezamenlijke opslag alsnog mag worden toegepast in een geval als dit. De Rechtbank heeft dit betoog verworpen want dat onderdeel van het handboek ziet volgens haar niet op biodiesel maar uitsluitend op minerale olie.

2.11

Naar het oordeel van de Rechtbank is een douaneschuld ontstaan op de voet van art. 203 CDW want de niet-communautaire biodiesel is uitgeslagen als communautair goed zonder dat deze biodiesel is aangegeven voor het vrije verkeer. Daardoor is die biodiesel onttrokken aan het douanetoezicht.

2.12

De Rechtbank heeft vastgesteld dat werknemers van de zuster hebben geweten welk schip welke biodiesel heeft vervoerd op welk tijdstip en dat zij bewuste keuzes hebben gemaakt in hun opdrachtverstrekking aan de entrepothouder. Zij hebben dus geweten welke biodiesel is uitgeslagen met welke bestemming. Deze wetenschap kan worden toegerekend aan de zuster en eveneens aan de eigenaar, in wier naam de zuster opdrachten heeft verstrekt aan de entrepothouder. Daarnaast heeft de Rechtbank het niet geloofwaardig geacht dat de entrepothouder zelf – dus zonder voorafgaande opdracht van de eigenaar of de zuster – de niet-communautaire biodiesel zou hebben uitgeslagen als communautair goed. Daarbij heeft de entrepothouder geen baat maar de eigenaar wel, evenals de zuster die heeft opgetreden namens haar. Daarom moeten zij hebben geweten dat de niet-communautaire biodiesel is uitgeslagen als communautair goed.

2.13

Voor de Rechtbank hebben belanghebbenden betoogd dat de Definitieve AD-verordening ongeldig is want antidumpingrechten en compenserende rechten op biodiesel van oorsprong uit de VS cumuleren ten onrechte voor één en dezelfde situatie die is ontstaan door dumping of uitvoersubsidiëring. Volgens hen zijn beide rechten ingesteld naar aanleiding van een blender’s credit, een subsidie op de uitvoer van biodiesel uit de VS. De Rechtbank heeft ook dit betoog verworpen. Zij heeft de blender’s credit niet aangemerkt als een uitvoersubsidie want de subsidie wordt verleend voor het mengen van biodiesel, niet voor de uitvoer ervan.

Gerechtshof Amsterdam

2.14

Belanghebbenden hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam (het Hof). Bij uitspraken van 25 februari 2025 heeft het Hof hun beroepen gegrond verklaard, maar slechts voor zover ze ertoe strekken dat de Rechtbank ten onrechte de immateriële schade niet heeft vergoed voor overschrijding van de redelijke termijn ter berechting van hun zaken. Voor het overige heeft het Hof hun beroepen ongegrond verklaard.

2.15

Het lijdt naar het oordeel van het Hof geen twijfel dat de regeling voor gezamenlijke opslag niet zover strekt dat zij het mogelijk maakt niet-communautaire biodiesel administratief aan te merken als gezamenlijk te zijn opgeslagen met communautaire biodiesel wanneer beide biodiesels fysiek gescheiden zijn gehouden. Daarom mist die regeling toepassing in deze zaken.

2.16

Het tegendeel volgt voor deze zaken niet uit het Handboek Douane. Daartoe wijst het Hof vooral erop dat de biodiesels fysiek gescheiden zijn gehouden. Zelfs als het tegendeel wel daaruit zou volgen, kunnen belanghebbenden zich niet met vrucht beroepen daarop, gelet op Sony Supply Chain Solutions (Europe). Evenmin kunnen zij zich met vrucht beroepen op een eventuele onjuiste uitvoeringspraktijk van de douaneautoriteiten die is gebaseerd op dit handboek, gelet op Baltic Container Terminal.

2.17

Naar het oordeel van het Hof is een douaneschuld niet ontstaan op de voet van art. 204 CDW want de regeling voor gezamenlijke opslag is niet onregelmatig toegepast. Het is niet in strijd met de vergunning van de entrepothouder dat de biodiesels fysiek gescheiden zijn gehouden. De eerste onregelmatigheid heeft zich voorgedaan toen niet-communautaire biodiesel in het vrije verkeer van de Unie is gebracht zonder te zijn aangegeven voor dit verkeer.

2.18

Ieder van belanghebbenden is terecht aangemerkt als de douaneschuldenaar, aldus het Hof. Zij zijn professionele marktdeelnemers en hebben als zodanig in redelijkheid niet ervan kunnen uitgaan dat hun handelwijze volgens het Unierecht níet maar volgens het Handboek Douane wél zou zijn toegestaan (uitsluitend in Nederland). Immers, uit Sony Supply Chain Solutions (Europe) volgt al dat dit handboek niet kan derogeren aan dat recht. Ieder van hen heeft dan ook redelijkerwijs moeten weten dat niet-communautaire biodiesel is onttrokken aan het douanetoezicht door haar handelwijze, zo ieder dit niet al heeft geweten.

2.19

Ook voor het Hof hebben belanghebbenden betoogd dat antidumpingrechten ten onrechte cumuleren met compenserende rechten op biodiesel van oorsprong uit de VS. Daaraan hebben zij opnieuw ten grondslag gelegd dat de blender’s credit een uitvoersubsidie is. Het Hof heeft dit betoog verworpen op de gronden waarop de blender’s credit niet is aangemerkt als een uitvoersubsidie in de preambule van de Definitieve AD-verordening.

3 Het geding in cassatie

3.1

Belanghebbenden hebben op regelmatige wijze en ook tijdig beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Zij hebben een conclusie van repliek ingediend. De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

Beroepschrift in cassatie

3.2

Belanghebbenden stellen vier middelen voor. Middel 1 richt zich tegen het oordeel van het Hof over de regeling voor gezamenlijke opslag en valt uiteen in twee onderdelen. Onderdeel 1 betoogt dat dit oordeel berust op een onjuiste uitleg van die regeling. Het komt erop aan of communautaire en niet-communautaire goederen zich bevinden in een douane-entrepot als bedoeld in art. 98(2) CDW, zoals hier een type E entrepot. Dit entrepot is een terminal en strekt zich uit tot alle tanks die daartoe behoren. In dat entrepot zijn de biodiesels gezamenlijk opgeslagen geweest, ongeacht of ze zich hebben bevonden in dezelfde tank dan wel in verschillende tanks. Daarom is het andersluidende oordeel van het Hof onjuist dan wel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

3.3

Subsidiair betoogt onderdeel 2 met een beroep op het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel dat de regeling voor gezamenlijke opslag van toepassing is. Daartoe wijst het onderdeel op onderdeel 15.50.00 Handboek Douane, op een overgelegde notitie van de Nederlandse douaneautoriteiten en ook nog op het guidance document voor special procedures van de Commissie. Uit die documenten blijkt dat al decennia gezamenlijke opslag wordt toegestaan wanneer communautaire en niet-communautaire goederen zich bevinden in verschillende tanks. Dit beleid is niet overduidelijk in strijd met de wettelijke bepalingen die gezamenlijke opslag regelen. Daarom heeft het Hof ten onrechte dan wel zonder toereikende motivering het beroep op dit vertrouwensbeginsel afgewezen.

3.4

Middel 2 keert zich tegen het oordeel van het Hof dat een douaneschuld niet is ontstaan op de voet van art. 204 CDW. Voor het Hof hebben belanghebbenden betoogd dat uit de chronologische volgorde van gebeurtenissen volgt dat eerst de regeling voor gezamenlijke opslag onregelmatig is toegepast voordat biodiesel is onttrokken aan het douanetoezicht. Dit betekent dat een douaneschuld is ontstaan op de voet van art. 204 CDW. Het betekent ook dat zij niet zijn aan te merken als schuldenaar van deze schuld. Het andersluidende oordeel van het Hof is onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd.

3.5

Middel 3 bestrijdt het oordeel van het Hof dat zij redelijkerwijs hadden moeten weten dat biodiesel is onttrokken aan het douanetoezicht. Belanghebbenden mochten ervan uitgaan dat hun handelwijze juist is, aldus het middel, want dezelfde handelwijze is juist geacht in de branche, de Nederlandse douaneautoriteiten hebben niet eerder opgetreden tegen diezelfde handelwijze en ook de entrepothouder heeft niet erop gewezen dat hun handelwijze onjuist zou zijn. Het Hof heeft ten onrechte dan wel zonder toereikende motivering het tegendeel geoordeeld.

3.6

Middel 4 komt op tegen het oordeel van het Hof dat de Definitieve AD-verordening geldig is en valt uiteen in twee onderdelen. Onderdeel 1 betoogt dat deze verordening in strijd is met het verbod op cumulatie van antidumpingrechten en compenserende rechten. Dit verbod geldt voor eenzelfde situatie, aldus onderdeel 1, ongeacht of ze is ontstaan door dumping of uitvoersubsidiering. Vervolgens betoogt onderdeel 2 dat de dumpingmarge is vastgesteld zonder correctie voor de blender’s credit. Deze subsidie is ten onrechte niet in mindering gebracht op de uitvoerprijs, waarmee de normale waarde wordt vergeleken ter bepaling van de dumpingmarge.

Verweerschrift in cassatie

3.7

Volgens de Staatssecretaris faalt middel 1 in beide onderdelen. Onderdeel 1 faalt want het miskent de opbouw en doelstelling van art. 534 UCDW, dat een onderscheid maakt tussen identificeerbare goederen (in het eerste lid) en niet-identificeerbare goederen (in het tweede lid). Eerst staat het tweede lid gezamenlijke opslag toe. Vervolgens staat het derde lid toe goederen na gezamenlijke opslag aan te merken als communautaire of niet-communautaire goederen naar keuze van de aangever. Dit keuzerecht geldt dus niet voor identificeerbare goederen, behalve in buitengewone omstandigheden die hier niet zijn gesteld of gebleken. Er is ook geen reden dat keuzerecht te bieden voor zulke goederen. Daarom is het buiten redelijke twijfel dat identificeerbare goederen niet zijn aan te merken als communautaire goederen naar keuze van de aangever.

3.8

Onderdeel 2 faalt reeds omdat het Hof – in cassatie onbestreden – heeft geoordeeld dat belanghebbenden niet voldoen aan de voorwaarden die het Handboek Douane stelt voor gezamenlijke opslag doordat de communautaire en niet-communautaire biodiesels fysiek gescheiden zijn gehouden. Als zij desondanks zouden voldoen daaraan, gaat het Handboek regelrecht in tegen art. 534(2) UCDW. Ook dan kan het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen. Ook daarom faalt onderdeel 2.

3.9

De Staatssecretaris brengt tegen middel 2 in dat het berust op de premisse dat de regeling voor gezamenlijke opslag van toepassing is, evenals middel 1. Deze premisse is onjuist: het Hof heeft terecht geoordeeld dat die regeling toepassing mist. Dit oordeel is voldoende gemotiveerd. Daarom faalt middel 2.

3.10

Volgens de Staatssecretaris faalt middel 3 eveneens. Belanghebbenden zijn professionele marktdeelnemers want zij behoren tot een concern dat handelt in energieproducten, zoals biodiesel. Zij hebben telkens de entrepothouder opgedragen niet-communautaire biodiesel in het vrije verkeer te brengen zonder een aangifte voor dit verkeer. Gelet op hun rol, kunnen zij zich niet verschuilen achter de verantwoordelijkheid die de entrepothouder (ook) had. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat belanghebbenden redelijkerwijs hadden moeten weten dat niet-communautaire biodiesel is onttrokken aan het douanetoezicht door hun handelwijze. Dit oordeel behoeft geen nadere motivering.

3.11

De Staatssecretaris acht de Definitieve AD-verordening geldig. De dumpingmarge volgt uit een vergelijking tussen de normale waarde en uitvoerprijs van een goed. De Commissie heeft vastgesteld dat de blender’s credit beschikbaar is op dezelfde wijze en voor hetzelfde bedrag bij zowel binnenlandse verkoop als uitvoer. Daarom meent de Staatssecretaris dat deze subsidie geen gevolgen heeft voor de dumpingmarge: het prijsverschil verandert niet, ongeacht of die subsidie is betrokken in de vergelijking. Om dezelfde reden meent hij dat de antidumpingrechten en compenserende rechten niet zijn ingesteld voor eenzelfde situatie, waartegen het verbod op cumulatie van beide rechten zich richt. Het oordeel van het Hof is dus juist. Dit oordeel behoeft evenmin nadere motivering. Ook middel 4 faalt dus.

Conclusie van repliek

3.12

De repliek van belanghebbenden beperkt zich tot middelen 1 en 4. Bij middel 1 repliceren zij dat het niet ertoe doet of communautaire en niet-communautaire biodiesels zich bevinden in dezelfde tank of verschillende tanks. Immers, de Nederlandse douaneautoriteiten hebben als beleid gevoerd dat gezamenlijke opslag is toegestaan, ook wanneer de biodiesels zich bevinden in verschillende tanks. Anders dan het Hof heeft geoordeeld, vereist dit beleid niet dat de biodiesels niet fysiek gescheiden worden gehouden. Bovendien is dat beleid niet overduidelijk in strijd met art. 534(2) UCDW. Integendeel, het is een nadere uitwerking van de regeling voor gezamenlijke opslag.

3.13

Bij middel 4 herhalen belanghebbenden niet dat de blender’s credit in mindering had moeten worden gebracht op de uitvoerprijs van biodiesel. Integendeel, zij repliceren dat die subsidie wél in mindering is gebracht daarop maar níet op de normale waarde van biodiesel. Voorts voeren zij aan dat de blender’s credit een uitvoersubsidie is zodat antidumpingrechten niet mogen cumuleren met compenserende rechten. Daarnaast betogen zij dat het instellen van antidumpingrechten en compenserende rechten verder gaat dan nodig is ter bescherming van de interne markt; daartoe zou het instellen van één van beide rechten hebben volstaan.

Conclusie van dupliek

3.14

De dupliek van de Staatssecretaris beperkt zich tot middel 4. Het is hem onduidelijk waarop belanghebbenden baseren dat de blender’s credit in mindering is gebracht op de uitvoerprijs. Hij wijst op de preambule van verordening (EG) nr. 193/2009, waarin de Commissie verslag doet van de procedure die heeft geleid tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de VS. De Staatssecretaris leidt uit deze preambule af dat de blender’s credit niet in mindering is gebracht op de uitvoerprijs, net zo min als op de normale waarde.

4 Middel 4: is de Definitieve AD-verordening (on)geldig?

4.1

Ik begin ermee of de Definitieve AD-verordening geldig is. Deze vraag gaat namelijk vooraf aan de vragen: (a) of een douaneschuld is ontstaan en, zo ja, (b) of belanghebbenden zijn aan te merken als schuldenaar van de desbetreffende schuld. In onderdeel 2 van de Bijlage concludeer ik dat geen van de klachten die zij aanvoeren tegen deze verordening, terecht is voorgesteld. Dit betekent dat bij de beoordeling van die klachten mij geen omstandigheden of feiten zijn gebleken die haar geldigheid kunnen aantasten. Het betekent ook dat ik geen aanleiding zie een prejudiciële vraag over haar geldigheid voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie punt 2.40 Bijlage).

4.2

Meer specifiek concludeer ik dat antidumpingrechten en compenserende rechten uitsluitend niet mogen cumuleren voor één en dezelfde situatie die ontstaat door dumping of uitvoersubsidiëring en dus wél mogen cumuleren buiten zo’n situatie. Onderdeel 1, dat ervan uitgaat dat cumulatie is verboden ongeacht of de situatie is ontstaan door uitvoersubsidiëring of dumping, is dus onjuist (zie punten 2.14-2.15 Bijlage).

4.3

De vervolgvraag is of de blender’s credit al dan niet is aan te merken als een uitvoersubsidie. Deze vraag vergt uitleg van de vreemdrechtelijke regeling waarop die subsidie berust. Dit betekent dat de Hoge Raad slechts kan toetsen of het Hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven daaraan. Zijn uitleg lijkt mij niet onbegrijpelijk. Voor zover belanghebbenden het tegendeel aanvoeren, faalt hun klacht (zie punten 2.20-2.21 Bijlage).

4.4

Daarnaast concludeer ik dat definitieve antidumpingrechten en compenserende rechten zijn ingesteld op biodiesel van oorsprong uit de VS tot hoogstens één en dezelfde schademarge. Het gezamenlijke beloop van beide rechten gaat dus per definitie niet verder dan nodig is ter bescherming van ondernemingen in de Unie met soortgelijke biodiesel. De andersluidende klacht van belanghebbenden faalt (zie punten 2.31-2.32 Bijlage).

4.5

Evenmin heeft de blender’s credit gevolgen voor de uitvoerprijs van biodiesel (uit de VS) want deze subsidie is – op niet onbegrijpelijke gronden – niet aangemerkt als een uitvoersubsidie. Daarom faalt onderdeel 2 (zie punt 2.35 Bijlage). Voor zover belanghebbenden klagen dat die subsidie ten onrechte niet in mindering is gebracht op de normale waarde van biodiesel (in de VS), faalt de klacht om meerdere redenen (zie punten 2.37-2.39 Bijlage).

4.6

Daarmee strandt middel 4 geheel.

5 Middel 1: is (niet-)communautaire biodiesel gezamenlijk opgeslagen?

5.1

Ik vervolg met de vraag of communautaire en niet-communautaire biodiesel in aanmerking komen voor de regeling voor gezamenlijke opslag, ongeacht of ze zich bevinden in dezelfde tank dan wel in verschillende tanks. In onderdeel 3 van de Bijlage heb ik deze vraag onderzocht. Aangezien het Hof – in cassatie onbestreden – heeft vastgesteld dat de biodiesels fysiek gescheiden zijn gehouden, moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat hun douanestatus bepaalbaar is gebleven. Daarvan uitgaande, concludeer ik dat het Hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat ze niet in aanmerking komen voor gezamenlijke opslag (zie punten 3.18-3.20 Bijlage).

5.2

Voor zover belanghebbenden betogen dat de niet-communautaire biodiesel is vermengd met residu dat zich nog bevond in de tank toen de biodiesel werd opgeslagen, meen ik dat dit betoog hen niet kan baten. Zelfs als ik ervan uitga dat de biodiesel gezamenlijk is opgeslagen met communautair residu, hebben zij de biodiesel mogen aangeven als een communautair goed tot hoogstens het aantal druppels aan residu dat zich destijds bevond in de tank. Ook dan hebben zij niet méér druppels mogen aangeven als zodanig (zie punt 3.21 Bijlage).

5.3

Daarom faalt onderdeel 1.

5.4

Het beroep op het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel kan hen evenmin baten. Zelfs als ik ervan uitga dat het Handboek Douane voor gezamenlijke opslag niet vereist dat goederen een bepaalbare douanestatus missen, dan is dit Handboek in strijd met art. 534(2) UCDW. Dit artikellid maakt zowel op zichzelf als in samenhang met art. 534(3) UCDW duidelijk dat goederen alleen dan in aanmerking komen voor gezamenlijke opslag als ze een bepaalbare douanestatus missen (en dezelfde GN-code, handelskwaliteit en technische kenmerken delen). Gelet op Sony Supply Chain Solutions (Europe), heeft dat Handboek geen gewettigd vertrouwen kunnen wekken bij belanghebbenden. Dit wordt niet anders door de notitie van de Nederlandse douaneautoriteiten of het guidance document voor special procedures van de Commissie, waarop zij zich beroepen (zie punten 3.25-3.27 Bijlage). Onderdeel 2 faalt dus eveneens.

5.5

Daarmee strandt middel 1 in beide onderdelen.

6 Middel 2: leidt art. 204 CDW tot een douaneschuld?

Met de Staatssecretaris meen ik dat middel 2 voortbouwt op middel 1, in die zin dat middel 1 betoogt dat de regeling voor gezamenlijke opslag toepasselijk is en middel 2 betoogt dat deze toepasselijke regeling niet naar behoren is toegepast. Daarom deelt middel 2 in het lot van middel 1.

7 Middel 3: zijn belanghebbenden aan te merken als douaneschuldenaar?

7.1

Ik besluit met de vraag of belanghebbenden zijn aan te merken als schuldenaar volgens het tweede gedachtestreepje van art. 203(3) CDW. Voor het antwoord daarop ga ik ervan uit dat een douaneschuld is ontstaan op de voet van art. 203 CDW want ik meen dat middel 2 faalt.

7.2

Eerst heeft het Hof vastgesteld dat belanghebbenden professionele marktdeelnemers zijn die behoren tot een concern dat handelt in energieproducten, en ook dat zij ondanks deze hoedanigheid telkens de entrepothouder hebben opgedragen niet communautaire biodiesel in het vrije verkeer van de Unie te brengen zonder aangifte voor dit verkeer. In de toelichting op middel 3 lees ik niet dat belanghebbenden één van beide vaststellingen bestrijden in cassatie.

7.3

Vervolgens heeft het Hof op basis van die vaststellingen geconcludeerd dat zij als professionele marktdeelnemers redelijkerwijs niet ervan (hebben) kunnen uitgaan dat hun handelwijze volgens het Unierecht níet maar volgens het Handboek Douane wél zou zijn toegestaan. Dit gevolg komt erop neer dat zij niet hebben kunnen en mogen menen dat hun handelwijze wél zou zijn toegestaan in Nederland maar níet in enig andere lidstaat van de Unie. In dit verband heeft het Hof wederom verwezen naar Sony Supply Chain Solutions (Europe) waaruit volgt, aldus het Hof, dat het Handboek Douane niet kan derogeren aan het Unierecht.

7.4

Daartegen brengt middel 3 mijns inziens vergeefs in dat dezelfde handelwijze juist is geacht in de branche en dat belanghebbenden niet erop zijn gewezen door de entrepothouder of de Nederlandse douaneautoriteiten dat hun handelwijze onjuist is. Daarmee herhaalt middel 3 de opvatting dat belanghebbenden hebben kunnen en mogen menen dat hun handelwijze wel in Nederland maar niet in enig andere lidstaat van de Unie zou mogen, althans niet redelijkerwijs hadden hoeven weten dat diezelfde handelwijze ook niet in Nederland zou mogen. Gelet op Sony Supply Chain Solutions (Europe), meen ik dat het Hof deze opvatting terecht heeft verworpen (vgl. punt 3.26 Bijlage). Dit (rechts)oordeel van het Hof behoefde mijns inziens geen nadere motivering.

7.5

Belanghebbenden doen mijns inziens eveneens vergeefs een beroep op Ultra-Brag. Voor zover thans van belang, gaat dit arrest over de vraag of een werkgever is aan te merken als schuldenaar volgens het eerste gedachtestreepje van art. 202(3) CDW als het handelen van een werknemer ertoe heeft geleid dat goederen op onregelmatige wijze zijn binnengebracht in de Unie. Dit gedachtestreepje bestempelt degene die goederen op onregelmatige wijze heeft binnengebracht, tot schuldenaar. Het gaat in zoverre dus om de vraag wanneer het handelen van de werknemer is toe te rekenen aan de werkgever, zodat de werkgever zelf is aan te merken als diegene. Maar belanghebbenden zijn niet aangemerkt als schuldenaar volgens het eerste gedachtestreepje van art. 202(3) of zelfs art. 203(3) CDW, maar volgens het tweede gedachtestreepje van dat art. 203(3). Daarop strandt hun beroep op Ultra-Brag.

7.6

Daarom faalt middel 3.

8 Conclusie

Ik geef de Hoge Raad in overweging de beroepen in cassatie ongegrond te verklaren.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

Verordening (EG) nr. 599/2009 van de Raad van 7 juli 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, Pb 2009, L 179, p. 26. HvJ 7 april 2011, Sony Supply Chain Solutions (Europe), C-153/10, ECLI:EU:C:2011:224. HvJ 16 januari 2025, Baltic Container Terminal, C-376/23, ECLI:EU:C:2025:20. De vergunning noemt: (a) niet-communautaire goederen, zonder dat deze aan rechten bij invoer, belastingen en/of aan handelspolitieke maatregelen worden onderworpen en (b) communautaire goederen waarvoor specifieke communautaire wetgeving voorziet in maatregelen die aan de uitvoer zijn verbonden. De vergunning noemt onder meer: (a) niet-communautaire goederen die in afwachting van opslag onder het stelsel van douane-entrepots, tijdelijk worden opgeslagen in de ruimten van het douane-entrepot; (b) communautaire goederen die in afwachting van een nadere douanebestemming of vanwege het economisch gebruik, tijdelijk worden opgeslagen in de ruimten van het douane-entrepot. Tot deze bedragen strekken de utb’s tot heffing van een definitief antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië. Dit recht is ingesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 van de Raad van 19 november 2013, Pb 2013, L 315, p. 2. Het Gerecht van de Europese Unie (GvEU) heeft deze verordening nietig verklaard ten aanzien van een aantal producenten. Zie onder meer GvEU 15 september 2016, Unitec Bio / Raad, T-111/14, ECLI:EU:T:2016:505. Naar aanleiding daarvan is kwijtschelding verleend tot die bedragen. Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, Pb 1992, L 302, p. 1. Rechtbank Noord-Holland 1 september 2023, nr. 19/724 (voor de eigenaar), niet gepubliceerd, en nr. 19/727 (voor de zuster), ECLI:NL:RBNHO:2023:8715, NLF 2023/2166 m.nt. Van Slooten. Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, Pb 1993, L 253, p. 1. Gerechtshof Amsterdam 25 februari 2025, nr. 23/1229, ECLI:NL:GHAMS:2025:987, (voor de eigenaar), en nr. 23/1232, ECLI:NL:GHAMS:2025:990 (voor de zuster), DouaneUpdate 2025/0296 m.nt. redactie (voor beiden). HvJ 7 april 2011, Sony Supply Chain Solutions (Europe), C-153/10, ECLI:EU:C:2011:224. HvJ 16 januari 2025, Baltic Container Terminal, C-376/23, ECLI:EU:C:2025:20. Verordening (EG) nr. 193/2009 van de Commissie van 11 maart 2009 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, Pb 2009, L 67, p. 22. HvJ 25 januari 2017, Ultra-Brag, C-679/15, ECLI:EU:C:2017:40. Vgl. HR 29 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:659, r.o. 2.4.4.