Belastingrecht
Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 25 september 2026 inzake: 25/01234 en 25/01239…
Parket bij de Hoge Raad, 25 september 2026
ECLI:NL:PHR:2026:982 · Parket bij de Hoge Raad · 25 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/ecli-nl-phr-2026-982
Zaakgegevens
Op 25 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 september 2026
- Datum publicatie
- 7 oktober 2026
- Zaaknummer
- Bijlage 25/01234 25/01237 25/01238 25/01239 25/01240 25/01243 25/01245 25/01246 en 25/01247
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:982
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 25 september 2026 inzake:
25/01234 en 25/01239 ECLI:NL:PHR:2026:920 , 25/01237 en 25/01240 ECLI:NL:PHR:2026:921 , 25/01243 ECLI:NL:PHR:2026:978 , 25/01245 en 25/01238 ECLI:NL:PHR:2026:979 , 25/01246 ECLI:NL:PHR:2026:980 , 25/01247 ECLI:NL:PHR:2026:981
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
C.M. Ettema
ADVOCAAT-GENERAAL
Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 25 september 2026 inzake:
Nrs. 25/01234, 25/01237-25/01240, 25/01243, 25/01245-25/01247
1 Overzicht
Biodiesel is een ester uit dierlijke of plantaardige olie, zoals palm-, soja- of raapzaadolie. De olie wordt veresterd met methanol of ethanol tot biodiesel: palmolie tot palm methyl ester (PME), sojaolie tot soy methyl ester (SME) en raapzaadolie tot rapeseed methyl ester (RME). Deze esters hebben een onderling verschillend troebelingspunt. Dit is het temperatuurpunt waarbij het brandstoffilter verstopt raakt doordat componenten van de brandstof beginnen te kristalliseren of vlokken. Het heet ook wel het cold filter plugging point (CFPP) en is circa +12° Celsius voor PME, -4° Celsius voor SME en -13° Celsius voor RME.
In 2008 heeft de Commissie twee procedures ingeleid naar de invoer van biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten (VS). De ene is een antidumpingprocedure. Deze heeft geleid tot instelling van een definitief antidumpingrecht en definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit de VS bij verordening (EG) nr. 599/2009 (Definitieve AD-verordening). De andere procedure is een antisubsidieprocedure. Die heeft geresulteerd in instelling van een definitief compenserend recht en definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van die oorsprong bij verordening (EG) nr. 598/2009 (Definitieve AS-verordening).
Deze gemeenschappelijke bijlage vergezelt de conclusies in negen zaken over uitnodigingen tot betaling (utb’s) die zijn uitgereikt ter heffing van douanerechten, antidumpingrechten op grond van de Definitieve AD-verordening en compenserende rechten op grond van de Definitieve AS-verordening. De negen zaken vallen uiteen in drie clusters van dezelfde belanghebbenden.
Drie zaken gaan over vele verschillende zendingen van biodiesel van oorsprong uit de VS, Indonesië, Maleisië en Argentinië (nrs. 25/01234, 25/01239 en 25/01243). Drie andere zaken gaan over een deel van een zending van oorsprong uit de VS en Indonesië (nrs. 25/01237, 25/01240 en 25/01246). De laatste drie zaken gaan over een zending van oorsprong uit de VS (nrs. 25/01238, 25/01245 en 25/01247). Al deze zendingen hebben plaatsgevonden in de periode van juni 2013 tot en met april 2016.
De eigenaar van de zendingen, een in Nederland gevestigde vennootschap, is één van de belanghebbenden (nrs. 25/01234, 25/01237 en 25/01245). Ook haar in Estland gevestigde zustervennootschap is één van hen (nrs. 25/01239, 25/01240 en 25/01238). De laatste belanghebbende is een in Nederland gevestigde vennootschap die over een vergunning voor het beheer van een zogenoemd douane-entrepot type E beschikt en de zendingen heeft geplaatst in haar entrepot (nrs. 25/01243, 25/01246 en 25/01247). Haar vergunning geldt zowel voor goederen die onder het stelsel van douane-entrepots worden opgeslagen als voor goederen die niet onder dat stelsel worden opgeslagen en staat toe dat gezamenlijke opslag van goederen met een verschillende douanestatus plaatsvindt. Kortheidshalve verwijs ik naar hen afzonderlijk als de eigenaar, de zuster respectievelijk de entrepothouder en naar hen gezamenlijk als belanghebbenden.
In cassatie is mede in geschil of de Definitieve AD-verordening geldig is. Dit punt speelt in alle negen zaken. Daarnaast is in geschil of de faciliteit van gezamenlijke opslag als bedoeld in art. 534(2) UCDW (hierna: de regeling voor gezamenlijke opslag) toepassing vindt. Dat punt speelt in zes zaken, waarin communautaire en niet-communautaire biodiesels zijn opgeslagen in de ruimten van het hetzelfde douane-entrepot maar in verschillende tanks. Het speelt niet in de zaken over een deel van een zending van oorsprong uit de VS en Indonesië. Vervolgens is in geschil op welk moment een zending is onttrokken aan het douanetoezicht als bedoeld in art. 203(1) van het Communautair Douanewetboek (CDW). Ook dat punt speelt in alle negen zaken, maar het verschilt tussen de clusters onderling naargelang van de betrokken zending(en). Voor het geval dat een douaneschuld is ontstaan door onttrekking, is nog in geschil of de eigenaar en de zuster terecht zijn aangemerkt als schuldenaar op de voet van art. 203(3) CDW. Dat speelt in zes zaken want het speelt niet in de zaken van de entrepothouder.
Deze gemeenschappelijke bijlage is opgebouwd als volgt. In onderdeel 2 begin ik met de vraag of de Definitieve AD-verordening geldig is. Deze vraag gaat namelijk vooraf aan de vragen of en, zo ja, wanneer een douaneschuld is ontstaan en ook wie aansprakelijk is voor zo’n schuld. Ik acht haar geldig: bij de beoordeling van de klachten tegen die verordening zijn mij geen feiten of omstandigheden gebleken die haar geldigheid kunnen aantasten. In onderdeel 3 vervolg ik met de vraag of goederen gezamenlijk zijn opgeslagen als ze zijn opgeslagen in hetzelfde entrepot maar in verschillende tanks daarvan. Ik meen van niet. Het tegendeel vindt geen steun in de wettelijke douanebepalingen. Het kan evenmin alsnog ingang vinden via een gedraging van de Nederlandse douaneautoriteiten die strijdig is met diezelfde duidelijke douanebepalingen.
In deze gemeenschappelijke bijlage ga ik niet in op de vraag wanneer een douaneschuld is ontstaan. Die vraag komt aan bod in de conclusies, evenals de vraag of de eigenaar en zuster terecht zijn aangemerkt als schuldenaar. Hetzelfde geldt voor resterende geschilpunten die slechts in een enkele zaak spelen.
2 Is de Definitieve AD-verordening (on)geldig?
Inleiding
Volgens belanghebbenden is de Definitieve AD-verordening primair in strijd met het verbod op cumulatie van antidumpingrechten en compenserende rechten. Dit verbod is te vinden in art. 14(1) van verordening (EG) nr. 384/96 (Basisverordening AD) en art. 24(1) van verordening (EG) nr. 2026/97 (Basisverordening AS). Daartoe betogen zij onder meer dat het verbod geldt voor eenzelfde situatie, ongeacht of ze is ontstaan door toekenning van een uitvoersubsidie of enig andere omstandigheid. Ik bespreek deze reden in 2.6-2.14.
Daarnaast voeren de eigenaar en de zuster nog een reden aan waarom de Definitieve AD-verordening in strijd is met dat verbod. Die reden is dat een subsidie die is betrokken in de antidumping- en antisubsidieprocedures, volgens hen wél een uitvoersubsidie is maar ten onrechte níet als zodanig is aangemerkt in die verordening. Dit is blijkbaar een alternatieve klacht, dus voor het geval dat het verbod slechts geldt voor eenzelfde situatie die is ontstaan door toekenning van een uitvoersubsidie. Die reden volgt in 2.15-2.20.
Volgens de eigenaar en de zuster is de Definitieve AD-verordening subsidiair in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Zij menen dat het instellen van antidumpingrechten en compenserende rechten verder gaat dan nodig is – ik begrijp: ter bescherming van de interne markt; het zou daartoe hebben volstaan één van beide rechten in te stellen. Deze klacht komt aan bod in 2.21-2.31.
In 2.32-2.38 besluit ik met de laatste klacht die belanghebbenden inbrengen tegen de Definitieve AD-verordening. Deze klacht is dat de dumpingmarge ten onrechte is vastgesteld zonder correctie voor de in 2.2 bedoelde subsidie. Dit is volgens hen in strijd met art. 2(11) Basisverordening AD, dat verplicht tot een vergelijking tussen de normale waarde van een goed en de uitvoerprijs daarvan ter vaststelling van de dumpingmarge. Die klacht is blijkbaar subsidiair voor de entrepothouder en meer subsidiair voor de eigenaar en zuster.
Overigens beperk ik mij steeds tot de vraag of de Definitieve AD-verordening geldig is. In de zaken waarbij deze gemeenschappelijke bijlage gaat, is namelijk in cassatie niet langer in geschil dat de Definitieve AS-verordening geldig is.
Verbodssituaties?
Biodiesel van oorsprong uit de VS wordt betrokken in de heffing van zowel compenserende rechten als antidumpingrechten. Beide rechten worden geheven naar een vast bedrag per (netto) ton biodieselmengsel, welk bedrag verschilt naargelang van de onderneming die het mengsel heeft vervaardigd. Het compenserende recht varieert tussen € 211,20 en € 237,00 per (netto) ton en het antidumpingrecht tussen € 0 en € 198,00 per (netto) ton van hetzelfde mengsel.
De derde volzin van art. 14(1) Basisverordening AD is een verbod. Deze volzin verbiedt dat antidumpingrechten cumuleren met compenserende rechten voor een zelfde situatie die is ontstaan door dumping of toekenning van uitvoersubsidies:
“1. (…) Op geen enkel produkt kunnen zowel anti-dumpingrechten als compenserende rechten worden geheven ter verhelping van een zelfde situatie die door dumping of toekenning van uitvoersubsidies is ontstaan.”
Een vergelijkbaar verbod staat in de derde volzin van art. 24(1) Basisverordening AS. Die volzin verbiedt dat compenserende rechten cumuleren met antidumpingrechten voor één en dezelfde situatie die is ontstaan door dumping of subsidiëring bij uitvoer:
“1. (…) Van geen enkel product kunnen met het doel het hoofd te bieden aan een en dezelfde situatie die door dumping of door de subsidiëring bij uitvoer ontstaat, zowel antidumpingrechten als compenserende rechten worden geheven.”
Ik merk op dat beide bepalingen zich – in enigszins cryptische termen – beperken tot één en dezelfde situatie die ontstaat door dumping of uitvoersubsidiëring; alleen in deze situatie mogen niet zowel compenserende rechten als antidumpingrechten worden ingesteld. Daarbuiten mogen ze wel cumuleren want geen van beide bepalingen strekt zich uit tot andere situaties waarin zowel compenserende rechten als antidumpingrechten (kunnen) worden ingesteld. Gemakshalve spreek ik over het cumulatieverbod wanneer ik doel op (één van) beide bepalingen in het vervolg van dit onderdeel 2.
Het volgt eveneens uit andere taalversies van de Basisverordeningen AS en AD dat het cumulatieverbod is beperkt tot één en dezelfde situatie die ontstaat door dumping of uitvoersubsidiëring. Sterker nog, andere taalversies brengen in onderling gelijke termen tot uitdrukking dat het verbod geldt voor zo’n situatie. In de Duitse, Franse, Engelse, Spaanse, Italiaanse en Portugese taalversies geldt het voor:
|
art. 14(1) Basisverordening AD |
art. 24(1) Basisverordening AS |
|
|
DE |
“(…) ein und dieselbe Situation, die sich aus einem Dumping oder der Gewährung einer Ausfuhrsubvention ergibt (…)” |
“(…) ein und dieselbe Situation, die sich aus Dumping oder der Gewährung einer Ausfuhrsubvention ergibt (…)” |
|
FR |
“(…) une même situation résultant d'un dumping ou de l'octroi d'une subvention à l'exportation (…)” |
“(…) une même situation résultant d'un dumping ou de l'octroi d'une subvention à l'exportation (…)” |
|
EN |
“(…) one and the same situation arising from dumping or from export subsidization (…)” |
“(…) one and the same situation arising from dumping or from export subsidization (…)” |
|
ES |
“(…) una misma situación derivada de la existencia de dumping o de la concesión de subvenciones a la exportación (…)” |
“(…) una misma situación derivada de la existencia de dumping o de la concesión de subvenciones a la exportación (…)” |
|
IT |
“(…) una medesima situazione risultante da pratiche di dumping oppure dalla concessione di sovvenzioni all'esportazione (…)” |
“(…) una medesima situazione risultante da pratiche di dumping oppure dalla concessione di sovvenzioni all'esportazione (…)” |
|
PT |
“(…) uma mesma situação resultante de dumping ou da concessão de subvenções à exportação (…)” |
“(…) uma mesma situação resultante de dumping ou da concessão de subvenções à exportação (…)” |
Het cumulatieverbod strekt zich niet uit tot meer of zelfs alle gevallen waarin compenserende rechten en antidumpingrechten kunnen worden ingesteld maar beperkt zich tot één van deze gevallen, namelijk dezelfde situatie die ontstaat door dumping of uitvoersubsidiëring. Dit is omdat er maar één situatie is die kan leiden tot zowel het instellen van een compenserend recht als het instellen een antidumpingrecht: de situatie waarin een uitvoersubsidie wordt ontvangen. Uitvoersubsidies zijn subsidies die wél in mindering komen op de prijs van uitvoer van een goed (naar de Unie) maar níet op de normale waarde van het goed (buiten de Unie). Subsidies die worden toegekend voor de uitvoer, kunnen leiden tot instelling van een compenserend recht. Daarnaast kunnen uitvoersubsidies leiden tot instelling van een antidumpingrecht want de dumpingmarge is het bedrag waarmee de normale waarde van het goed de uitvoerprijs daarvan overschrijdt.
Het cumulatieverbod sluit deze ‘eendaadse’ cumulatie uit. Daarmee doel ik op de instelling van antidumpingrechten en compenserende rechten tegen één en dezelfde uitvoersubsidie. Dit is één en dezelfde situatie die ontstaat door uitvoersubsidiëring of dumping; zo’n situatie valt binnen het verbod. In mijn woorden, het verbod strekt ertoe eendaadse cumulatie te voorkomen. In de woorden van Vermulst, het strekt ertoe cumulatie van antidumpingrechten en compenserende rechten te beletten voor uitvoersubsidies:
“(…) The rationale of these provisions [het cumulatieverbod, CE] is that export subsidies only affect export prices and costs and therefore can be acted against either through imposition of an anti-dumping duty or through imposition of a countervailing duty [maar niet beide, CE].”
Voor de goede orde merk ik op dat deze passage ziet op verordening (EG) nr. 1225/2009, de opvolger van de Basisverordening AD. Desondanks acht ik die passage van belang want het cumulatieverbod staat in de – onderling gelijkluidende – derde volzin van art. 14(1) van beide verordeningen.
Productiesubsidies zijn de tegenhanger van uitvoersubsidies. In deze gemeenschappelijke bijlage versta ik – in navolging van de literatuur – onder productiesubsidies: subsidies die in gelijke mate in mindering komen op de prijs van uitvoer van een goed (naar de Unie) én op de normale waarde van het goed (buiten de Unie). Weliswaar kunnen productiesubsidies leiden tot instelling van een compenserend recht want ook elke subsidie die wordt toegekend voor de productie, kan daartoe aanleiding geven. Maar anders dan uitvoersubsidies, kunnen productiesubsidies niet op zichzelf leiden tot instelling van een antidumpingrecht. Immers, ze hebben niet tot gevolg dat de normale waarde van het goed verschilt van de uitvoerprijs daarvan. Dit neemt niet weg dat op zichzelf staande dumping, die dus plaatsvindt los van enige productiesubsidie, alsnog kan leiden tot instelling van een antidumpingrecht.
Het cumulatieverbod sluit die ‘meerdaadse’ cumulatie niet uit. Daarmee heb ik het oog op de instelling van een compenserend recht tegen een productiesubsidie en instelling van een antidumpingrecht tegen op zichzelf staande dumping. Dat is niet één en dezelfde situatie die ontstaat door dumping of uitvoersubsidiering; zo’n situatie valt dus buiten het verbod. Zoals Müller, Khan en Scharf opmerken in hun artikelsgewijze commentaar op de Basisverordening AD, het verbod belet niet cumulatie van antidumpingrechten en compenserende rechten voor productiesubsidies (zonder de voetnoot):
“(…) Countervailing duties [compenserende rechten, CE] against production subsidies, i.e. subsidies reducing both domestic and export prices, do not preclude the imposition of anti-dumping duties because the reduction in production costs resulting from such subsidy allows an equal drop in domestic prices and export prices. Such subsidies are therefore neutral in their effect on the dumping margin because the latter represents the difference between normal value and export price. (…)”
Dit brengt mij bij de beoordeling van het standpunt van belanghebbenden. Volgens hen geldt het cumulatieverbod voor eenzelfde situatie, ongeacht of de situatie is ontstaan door uitvoersubsidiëring dan wel een andere omstandigheid. Dit is mijns inziens onjuist om twee redenen. Ten eerste, de tekst van art. 14(1) Basisverordening AD en art. 24(1) Basisverordening AS beperkt het verbod expliciet tot een situatie die is ontstaan door dumping of uitvoersubsidiëring. Dit is zo in de Nederlandse taalversie van beide bepalingen (zie 2.7-2.8). Het is ook zo in andere taalversies ervan (zie 2.9). Ten tweede, deze beperking volgt uit de strekking van het verbod. De strekking is niet meerdaadse cumulatie te beletten, dus instelling van een compenserend recht tegen een productiesubsidie en van een antidumpingrecht tegen op zichzelf staande dumping (zie 2.12-2.13). Het verbod strekt slechts ertoe eendaadse cumulatie te voorkomen, dus instelling van beide rechten tegen één en dezelfde uitvoersubsidie (zie 2.10-2.11).
Kortom, in de derde volzin van art. 14(1) Basisverordening AD en art. 24(1) Basisverordening AS staat mijns inziens wat er staat. Deze volzin houdt in dat antidumpingrechten en compenserende rechten niet mogen cumuleren voor één en dezelfde situatie die ontstaat door dumping of uitvoersubsidiëring. Daarbuiten mogen beide rechten dus wél cumuleren.
Uitvoersubsidiëring?
De vervolgvraag is of ongeoorloofde cumulatie zich voordoet bij belanghebbenden. De eigenaar en de zuster menen van wel. Daartoe wijzen zij op een zogeheten blender’s credit, die is betrokken in de antisubsidieprocedure. Het gaat – kort en goed – om een accijnskorting voor het vermengen van zuivere biodiesel met (minstens) 0,1% minerale diesel. De korting is overdraagbaar tussen ondernemingen in de biodieselindustrie in de VS. Zij bedraagt $ 1 per gallon zuivere biodiesel die is toegevoegd aan het dieselmengsel. Volgens de eigenaar en de zuster is de blender’s credit aan te merken als een uitvoersubsidie, zodat het cumulatieverbod geldt.
In navolging van de Commissie heeft de Raad de blender’s credit evenwel aangemerkt als een productiesubsidie in de Definitieve AD- en AS-verordening. In de antisubsidieprocedure heeft de Commissie namelijk bevonden dat de accijnskorting wordt toegekend, ongeacht of het biodieselmengsel is bestemd voor binnenlandse verkoop (in de VS) dan wel voor uitvoer (uit de VS). In de antidumpingprocedure heeft de Commissie het standpunt ingenomen dat de blender’s credit daarom geen uitvoersubsidie is. De Raad heeft zich verenigd met dit standpunt nadat die bevinding was gedeeld met de National Biodiesel Board (NBB), die haar niet aanvocht. In de Definitieve AD-verordening staat namelijk:
“(47) (…) Deze omstandigheden [waaronder het cumulatieverbod geldt, CE] doen zich in dit geval niet voor. De blender's credit is een subsidie die op dezelfde wijze en voor hetzelfde bedrag zowel bij binnenlandse verkoop als bij uitvoer beschikbaar is, zodat het niet gaat om een subsidiëring bij uitvoer in de zin van artikel 24, lid 1 [Basisverordening AS, CE]. Dit werd niet aangevochten door de NBB. Daarom werd het argument dat bij de dumpingberekeningen voor de blender’s credit „gecorrigeerd” moet worden ongegrond geacht en verworpen.”
Terzijde merk ik op dat de NBB een groot aantal ondernemingen in de biodieselindustrie in de VS vertegenwoordigt en één van de belanghebbenden is geweest in de antisubsidie- en antidumpingprocedures.
Het standpunt van de Commissie en de Raad berust op de opvatting dat het cumulatieverbod zich niet uitstrekt tot een productiesubsidie. Zoals gezegd (zie 2.14), deze opvatting lijkt mij juist. Zo’n subsidie kan niet leiden tot één en dezelfde situatie die ontstaat door dumping of uitvoersubsidiëring, waarop het verbod zich richt. Het richt zich op een uitvoersubsidie, die wel daartoe kan leiden.
Dezelfde opvatting is te vinden bij Vermulst, die haar illustreert met verwijzing naar – nota bene – verordening (EG) nr. 193/2009. Deze verordening strekt tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de VS. Die verordening is dus voorafgegaan aan de Definitieve AD-verordening. Ik citeer (met cursivering in het origineel maar zonder de voetnoot):
“Domestic subsidies, on the other hand, equally affect domestic and export prices and costs and therefore are neutral in a dumping margin calculation. In other words, a countervailing duty can then be imposed against the domestic subsidy [de productiesubsidie, CE] while any price difference may result in the imposition of an anti-dumping duty. In Biodiesel, for example, the Commission determined that:
“(…)
It should be noted that … no product shall be subject to both anti-dumping and countervailing duties for the purpose of dealing with one and the same situation arising from dumping or export subsidization. However, the AS proceeding showed that the blender’s credit is a subsidy available both to export and to domestic sales exactly in the same way and for the same amounts and is therefore not an export subsidy. (…)”
Volgens de eigenaar en de zuster is de blender’s credit aan te merken als een uitvoersubsidie. In de zaken waarbij deze gemeenschappelijke bijlage gaat, heeft het Hof zich verenigd met de uitleg die de Commissie en de Raad hebben gegeven aan de vreemdrechtelijke regeling van de accijnskorting. Hun uitleg is dat de korting gelijkelijk geldt voor de verkoop van biodiesel (in de VS) als de uitvoer daarvan (uit de VS). Ik merk op dat de cassatierechter slechts kan toetsen of deze uitleg onbegrijpelijk is, en niet of zij onjuist is. Zij lijkt mij niet onbegrijpelijk, gegeven het onderzoek dat in de antisubsidieprocedure is verricht naar de desbetreffende regeling. Ten overvloede acht ik die uitleg te minder onbegrijpelijk nu de NBB haar in dezelfde procedure niet heeft aangevochten (zie 2.17).
Daarom faalt mijns inziens het andersluidende standpunt van belanghebbenden.
Onevenredige cumulatie?
Als het cumulatieverbod zich niet verzet tegen instelling van zowel antidumpingrechten als compenserende rechten op biodiesel van oorsprong uit de VS, menen de eigenaar en de zuster dat het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel zich daartegen verzet. Zij betogen dat cumulatie onevenredig is want instelling van één van beide rechten zou hebben volstaan – ik begrijp – ter bescherming van de interne markt. Dit betoog brengt mij bij de regel van het laagste recht.
Die regel staat onder meer in de laatste volzin van art. 9(4) Basisverordening AD. Deze volzin houdt in wezen in dat een definitief antidumpingrecht gelijk is aan de laagste van de dumpingmarge of schademarge:
“4. (…) Het anti-dumpingrecht mag niet hoger zijn dan de vastgestelde dumpingmarge en dient lager te zijn dan deze marge indien dit lagere recht toereikend is om de schade aan de bedrijfstak van de Gemeenschap weg te nemen.”
Dezelfde regel staat in de laatste volzin van art. 15(1) Basisverordening AS. Ook die volzin komt erop neer dat een definitief compenserend recht gelijk is aan de laagste van de subsidiemarge of schademarge:
“1. (…) Het compenserende recht mag niet hoger zijn dan de vastgestelde, tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies en moet lager dan de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, als dat toereikend is om een einde te maken aan de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap lijdt.”
Zoals gezegd (zie 2.10), de dumpingmarge is het bedrag waarmee de normale waarde van een goed (buiten de Unie) de prijs van uitvoer van het goed (naar de Unie) overtreft. De subsidiemarge wordt berekend als het voordeel dat de ontvanger heeft van een subsidie die aanleiding geeft tot instelling van een compenserend recht. Doorgaans worden dumping- en subsidiemarges uitgedrukt als een percentage van de prijs van het desbetreffende goed aan de grens van de Unie (vóór inklaring daarvan), zodat een ad valorem antidumpingrecht of compenserend recht is in te stellen.
In tegenstelling tot beide marges, gaat de schademarge niet over de oorzaak; dus: zodanige dumping door of subsidiëring van ondernemingen buiten de Unie dat zij aanleiding geeft tot beschermende maatregelen. Deze marge gaat over het gevolg; dus: het nadeel van die dumping of subsidiëring voor ondernemingen in de Unie. Dit nadeel wordt op dezelfde wijze bepaald voor het instellen van antidumpingrechten en compenserende rechten. Daartoe wordt onder meer nagegaan of de invoer van goederen met dumping of subsidiëring is toegenomen en, zo ja, of zo’n toename heeft geleid tot prijsdruk voor soortgelijke goederen van ondernemingen in de Unie. Tevens wordt nagegaan welke nadelige gevolgen de prijsdruk heeft gehad voor ondernemingen in de Unie met soortgelijke goederen, zoals daling van afzet, winst, omzet, marktaandeel, productiviteit, rentabiliteit of bezettingsgraad. Ook de schademarge wordt veelal uitgedrukt als een percentage van de prijs van het desbetreffende goed aan de grens van de Unie (vóór inklaring daarvan), zodat deze marge is te vergelijken met de dumping- en subsidiemarges.
De Definitieve AD- en AS-verordeningen illustreren hoe de regel van het laagste recht toepassing vindt in gevallen waarin antidumpingrechten en compenserende rechten cumuleren. Geïnspireerd door Vermulst, noem ik twee ondernemingen in de VS die zijn betrokken in de antidumping- en antisubsidieprocedures, de marges die zijn vastgesteld voor de van hen afkomstige biodiesel en de rechten die gelden daarvoor:
|
Archer Daniel Midlands Company (ADM) |
Green Earth Fuels of Houston (GEF) |
|
|
Schademarge |
54,5% |
51,3% |
|
Subsidiemarge |
35,1% |
39,0% |
|
Dumpingmarge |
10,1% |
88,4% |
|
Compenserend recht |
35,1% |
39,0% |
|
Antidumpingrecht |
10,1% |
12,3% |
Ik begin met ADM. Eerst is een compenserend recht ingesteld van 35,1% op biodiesel afkomstig van ADM. Dit voldoet aan art. 15(1) Basisverordening AS want het is gelijk aan de subsidiemarge (35,1%), die lager is dan de schademarge (54,5%). Vervolgens is een antidumpingrecht ingesteld van 10,1% op dezelfde biodiesel. Dat voldoet aan art. 9(4) Basisverordening AD want het is gelijk aan de dumpingmarge (10,1%), die weer lager is dan de schademarge (54,5%). Ik merk op dat ook de cumulatie van antidumpingrechten en compenserende rechten op diezelfde biodiesel voldoet aan de regel van het laagste recht: hun cumulatie is gelijk aan de som van subsidie- en dumpingmarges (45,2%), die eveneens lager is dan de schademarge (54,5%).
Ik vervolg met GEF. In overeenstemming met art. 15(1) Basisverordening AS is eerst een compenserend recht ingesteld van 39,0% op biodiesel afkomstig van GEF: dit tarief is gelijk aan de subsidiemarge (39,0%), die lager is dan de schademarge (51,3%). Daarna is een antidumpingrecht ingesteld van 12,3% op dezelfde biodiesel. Dat tarief is gelijk aan het meerdere van de schademarge boven de subsidiemarge (51,3% -/- 39,0%). Een hoger antidumpingrecht zou namelijk niet voldoen aan art. 9(4) Basisverordening AD want zo’n hoger recht zou ertoe leiden dat de cumulatie van dit recht en het compenserende recht op diezelfde biodiesel de schademarge zou overtreffen, die lager is dan de dumpingmarge (88,4%).
Dit laatste geldt niet alleen voor het antidumpingrecht op biodiesel afkomstig van GEF; het geldt voor alle antidumpingrechten op biodiesel van oorsprong uit de VS. Zoals is opgemerkt in de Definitieve AD-verordening, is elk van deze antidumpingrechten zodanig vastgesteld dat de cumulatie met het desbetreffende compenserende recht niet de schademarge zou overtreffen:
“(188) In de tegelijkertijd uitgevoerde AS-procedure worden evenwel ook compenserende rechten op de invoer van biodiesel van oorsprong uit de VS ingesteld. De subsidies die in die procedure werden vastgesteld, zijn geen uitvoersubsidies en worden daarom niet geacht van invloed te zijn geweest op de uitvoerprijs en de in verband daarmee vastgestelde dumpingmarge. Omdat de onderzochte invoer in zijn totaliteit in beide procedures gelijk is, kunnen de antidumpingrechten samen met de compenserende rechten worden ingesteld voor zover beide rechten samen de schademarge niet overschrijden (regel van het laagste recht).”
Ook Müller, Khan en Scharf gaan ervan uit dat het in overeenstemming is met de regel van het laagste recht wanneer antidumpingrechten en compenserende rechten cumuleren tot (hoogstens) de schademarge. Onmiddellijk na de in 2.13 aangehaalde passage merken zij namelijk op:
“(…) However, the cumulative effect of an anti-dumping duty and a countervailing duty must not exceed that [which is, CE] necessary to eliminate the injury caused to the Community industry which will be the result of both dumping and subsidies.”
Dat brengt mij terug bij de eigenaar en de zuster. Volgens hen gaat de cumulatie verder dan nodig is ter bescherming van de interne markt. Dat is niet zo, aangezien beide rechten cumuleren tot (hoogstens) één en dezelfde schademarge, gaat hun gezamenlijke beloop per definitie niet verder dan nodig is ter bescherming van ondernemingen in de Unie met soortgelijke biodiesel. Daartoe zou een lager antidumpingrecht of compenserend recht op biodiesel van oorsprong uit de VS niet hebben volstaan. Slechts één van beide rechten zou dus te minder hebben volstaan.
Daarom beroepen de eigenaar en de zuster zich mijns inziens vergeefs op het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.
Correctie voor blender’s credit?
In hun beroepschriften in cassatie klagen belanghebbenden dat bij de vaststelling van de dumpingmarge de uitvoerprijs van biodiesel (uit de VS) ten onrechte niet is verminderd met het voordeel van de blender’s credit. Die marge is te hoog vastgesteld, zodat ook te hoge antidumpingrechten zijn ingesteld.
De ondernemingen die zijn betrokken in de antidumping- en antisubsidieprocedures, hebben eenzelfde klacht aangevoerd bij de Commissie. De Commissie heeft deze klacht verworpen op de grond dat de blender’s credit een productiesubsidie is, die niet leidt tot een correctie van de normale waarde van biodiesel of de uitvoerprijs daarvan. Op dezelfde grond heeft de Raad die klacht verworpen. Ik citeer de overweging van de Commissie:
“(37) Alle producenten/exporteurs in de steekproef voerden aan dat voor de vaststelling van hun dumpingmarge een correctie had moeten worden aangebracht voor hun uitvoer en binnenlandse verkoop van biodieselmengsels, hetzij door hun verkoopprijs naar boven te corrigeren met het bedrag van de accijnsverlaging [de blender’s credit, CE] of door dit bedrag van de productiekosten van de desbetreffende verkopen af te trekken.
(38) (…) Bij de AS-procedure werd evenwel vastgesteld dat de accijnsverlaging een subsidie is die op dezelfde wijze en voor hetzelfde bedrag zowel voor de uitvoer als voor de binnenlandse verkoop beschikbaar is, zodat er geen sprake is van een uitvoersubsidie. Daarom luidt de voorlopige conclusie dat de argumenten voor een correctie van de hand moeten worden gewezen.”
Zoals gezegd (zie 2.20), ik acht het niet onbegrijpelijk dat de Commissie en de Raad de vreemdrechtelijke regeling waarop de blender’s credit berust, aldus hebben uitgelegd dat de accijnskorting gelijkelijk geldt voor de verkoop van biodiesel (in de VS) als de uitvoer daarvan (uit de VS). Daarvan uitgaande, acht ik het evenmin onjuist dat het kortingsvoordeel niet is gecorrigeerd in de uitvoerprijs van biodiesel. Immers, hun uitleg impliceert dat de blender’s credit een productiesubsidie is, die geen gevolg heeft voor de dumpingmarge. Daartoe wijs ik op Müller, Khan en Scharf (zie 2.13). Ook wijs ik op Vermulst, die zijn opvatting illustreert met verwijzing naar – let wel – dezelfde overweging van de Commissie (zie 2.19).
In hun conclusies van repliek klagen de eigenaar en de zuster niet langer dat de uitvoerprijs van biodiesel moet worden verminderd met het voordeel van de blender’s credit. Integendeel, zij beweren nu – in weerwil van diezelfde overweging (en hun beroepschriften in cassatie) – dat de uitvoerprijs wél is verminderd daarmee. Thans klagen zij dat de normale waarde van biodiesel van oorsprong uit de VS ten onrechte niet is verminderd met dit voordeel.
Deze klacht faalt mijns inziens om drie afzonderlijke redenen. Ten eerste, de klacht is tardief. Uit (de motivering van) hun beroepschriften in cassatie volgt niet dat de eigenaar en de zuster klagen over de normale waarde; daaruit volgt dat zij slechts klagen over de uitvoerprijs. Ten tweede, de klacht mist doel. De klacht berust op de premisse dat het kortingsvoordeel niet is gecorrigeerd aan de rechterzijde van de vergelijking ter vaststelling van de dumpingmarge (de normale waarde). Dit voordeel is evenmin gecorrigeerd aan de linkerzijde van dezelfde vergelijking (de uitvoerprijs; zie 2.34). Dit lijkt mij juist: de blender’s credit heeft geen gevolg voor één van beide zijden want in cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de korting een productiesubsidie is (zie 2.35).
Ten derde, de klacht mist grondslag. Volgens de eigenaar en de zuster heeft de Commissie de normale waarde niet ontleend aan de prijs van binnenlandse verkoop van biodiesel (in de VS) maar aan productiekosten en winstmarges van ondernemingen in de biodieselindustrie in de VS. Het is juist omgekeerd. In de antidumpingprocedure heeft de Commissie eerst zes ondernemingen in de biodieselindustrie in de VS geselecteerd ter bepaling van de normale waarde. Vervolgens heeft zij bij vijf van hen de normale waarde ontleend aan de prijzen van alle binnenlandse verkopen van biodiesel. Bij één van hen ontbraken representatieve binnenlandse verkopen. Daarom heeft de Commissie bij haar de normale waarde gesteld op de som van dier productiekosten, een opslag voor verkoop-, administratie- en algemene kosten en ook een winstmarge. De Commissie heeft de opslag en winstmarge weer ontleend aan eenzelfde opslag en marge bij de andere vijf ondernemingen. Daarmee is de normale waarde ontleend – direct bij vijf ondernemingen en indirect bij één van hen – aan de prijzen van binnenlandse verkoop van biodiesel (in de VS). De klacht, die uitgaat van het tegendeel, faalt daarom.
Overigens ontgaat mij het belang bij de vraag of de dumpingmarge is vastgesteld met of zonder correctie voor de blender’s credit. Immers, de antidumpingrechten zijn ingesteld tot de schademarge, die lager is dan de dumpingmarge (de regel van het laagste recht; zie 2.29). Een correctie voor het kortingsvoordeel doet dus slechts ertoe als de correctie ertoe zou leiden dat de dumpingmarge alsnog lager is dan de schademarge. Ik mis evenwel een daartoe strekkend betoog van belanghebbenden bij de feitenrechters.
Slotsom
Geen van de klachten van belanghebbenden tegen de Definitieve AD-verordening is terecht voorgesteld. Dit betekent dat bij de beoordeling van die klachten mij geen omstandigheden of feiten zijn gebleken die haar geldigheid kunnen aantasten. Het betekent ook dat ik geen aanleiding zie een prejudiciële vraag over haar geldigheid voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ).
3 Zijn communautaire en niet-communautaire biodiesel gezamenlijk opgeslagen?
Inleiding
In zes zaken is in geschil of de regeling voor gezamenlijke opslag al dan niet van toepassing is. Dit zijn drie zaken over diverse zendingen van biodiesel van oorsprong uit de VS, Indonesië, Maleisië en Argentinië (nrs. 25/01234, 25/01239 en 25/01243). Het zijn ook drie zaken over een zending van oorsprong uit de VS (nrs. 25/01238, 25/01245 en 25/01247).
Voor zover van belang voor dat geschilpunt, vat ik de – in cassatie onbestreden – feitelijke vaststellingen van het Hof in die zaken samen als volgt. De entrepothouder beschikt over een vergunning voor het beheer van een douane-entrepot type E en heeft de zendingen biodiesel geplaatst in haar entrepot. Haar vergunning staat toe dat gezamenlijke opslag van in de vergunning omschreven communautaire en niet-communautaire goederen plaatsvindt (zie 1.5). De zendingen van niet-communautaire biodiesel zijn opgeslagen in tanks op de terminal van de entrepothouder. Andere zendingen van communautaire biodiesel zijn opgeslagen in andere tanks op dezelfde terminal. Daarna is de niet-communautaire biodiesel uitgeslagen als communautaire biodiesel en verscheept naar afnemers in de Unie. Daarentegen is de communautaire biodiesel uitgeslagen als niet-communautaire biodiesel en verscheept naar afnemers buiten de Unie. Gemakshalve noem ik dit cluster van zes zaken het tankcluster, gelet op deze handelwijze.
Naar het oordeel van het Hof strekt de regeling voor gezamenlijke opslag zich niet uit tot die handelwijze. Het heeft in elk van de zes zaken namelijk vastgesteld dat de communautaire en niet-communautaire biodiesel onderling fysiek gescheiden zijn gehouden en louter administratief zijn aangemerkt als gezamenlijk opgeslagen. Vervolgens heeft het Hof diezelfde handelwijze opgevat als ertoe te strekken om biodiesel van oorsprong uit derde landen in het vrije verkeer van de Unie te brengen zonder betaling van de douanerechten, antidumpingrechten en compenserende rechten die zijn verschuldigd voor zulke landen. Ter compensatie is biodiesel van oorsprong uit de Unie uitgevoerd naar (andere) derde landen, wat administratief en in de douaneaangiften is aangemerkt als wederuitvoer van biodiesel van oorsprong uit derde landen. Daarom kan geen sprake zijn geweest van gezamenlijke opslag, aldus het Hof.
Voor dat geval hebben belanghebbenden bij het Hof een beroep gedaan op het Handboek Douane, waaruit zij afleiden dat de regeling voor gezamenlijke opslag zich wel uitstrekt tot hun handelwijze. Het Hof heeft dit beroep verworpen. Het heeft uit het Handboek Douane niet afgeleid dat deze regeling zich daartoe uitstrekt. Zelfs als dit anders zou zijn, kunnen belanghebbenden niet met vrucht een beroep daarop doen, ook niet via het Unierechtelijke rechtszekerheids- of legaliteitsbeginsel. Zij kunnen evenmin gewettigd vertrouwen ontlenen aan een eventuele uitvoeringspraktijk die is gebaseerd op dat handboek, aldus ook het Hof.
In dit onderdeel 3 behandel ik beide geschilpunten. Ik begin bij de vraag wanneer de regeling voor gezamenlijke opslag kan worden toegepast (zie 3.6-3.22). Ik vervolg met de vraag of deze regeling toepassing kan vinden op grond van het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel (zie 3.23-3.27).
Gezamenlijke opslag?
In het tankcluster hebben de zendingen van biodiesel plaatsgevonden in de periode van juni 2013 tot en met april 2016 (zie 1.4). In die periode gold de verordening die strekt tot uitvoering van het Communautair Douanewetboek (UCDW).
De regeling voor gezamenlijke opslag staat in het tweede en derde lid van art. 534 UCDW. Het tweede lid formuleert de voorwaarden waaronder de douaneautoriteiten gezamenlijke opslag kunnen toestaan, en valt uiteen in drie alinea’s in de Nederlandse taalversie (maar niet in andere taalversies; zie 3.9). Volgens de tweede alinea mogen de douaneautoriteiten gezamenlijke opslag nimmer toestaan voor goederen met voorfinanciering. Dit zijn – kort gezegd – communautaire goederen die bestemd zijn voor uitvoer tegen vooruitbetaling van de uitvoerrestitutie. Deze alinea speelt niet in het tankcluster, zodat ik haar laat rusten.
Volgens de eerste alinea van art. 534(2) UCDW kunnen de douaneautoriteiten gezamenlijke opslag toestaan voor andere goederen wanneer het niet mogelijk is de douanestatus van elke soort goederen te allen tijde vast te stellen. Daarnaast vereist de laatste alinea van dit artikellid dat gezamenlijk opgeslagen goederen dezelfde GN-code, handelskwaliteit en technische kenmerken hebben:
“2. De douaneautoriteiten kunnen gezamenlijke opslag toestaan wanneer het niet mogelijk is de douanestatus van elke soort goederen te allen tijde vast te stellen.
Goederen met voorfinanciering zijn van een dergelijke toestemming uitgesloten.
Gezamenlijk opgeslagen goederen moeten onder dezelfde GN-code zijn ingedeeld en dezelfde handelskwaliteit en technische kenmerken hebben.”
Andere taalversies van art. 534(2) UCDW formuleren dezelfde voorwaarden waaronder de douaneautoriteiten gezamenlijke opslag kunnen toestaan. Ik wijs bijvoorbeeld op de Duitse, Franse, Engelse, Spaanse, Italiaanse en Portugese taalversies, waarin dit artikellid in twee (niet drie) alinea’s vereist dat de soorten goederen dezelfde GN-code, handelskwaliteit en technische kenmerken hebben, en ook dat hun douanestatus niet steeds bepaalbaar is:
|
art. 534(2) UCDW |
|
|
DE |
“Die Zollbehörden können gemeinsame Lagerung zulassen, sofern es nicht möglich ist, jederzeit den zollrechtlichen Status jeder Warenart festzustellen. Waren mit Vorfinanzierung sind von der Möglichkeit einer solchen Zulassung ausgeschlossen. Waren in gemeinsamer Lagerung müssen zum selben achtstelligen KN-Code gehören sowie dieselbe Handelsqualität und dieselben technischen Merkmale besitzen.” |
|
FR |
“Les autorités douanières peuvent permettre le stockage commun lorsqu'il est impossible d'identifier le statut des marchandises à tout moment. Cette facilité ne s'applique pas aux marchandises avec préfinancement. Les marchandises en stockage commun relèvent du même code NC à huit chiffres, présentent la même qualité commerciale et possèdent les mêmes caractéristiques techniques.” |
|
EN |
“The customs authorities may permit common storage where it is impossible to identify at all times the customs status of each type of goods. Prefinanced goods shall be excluded from such permission. Goods in common storage shall share the same eight-digit CN-code, the same commercial quality and the same technical characteristics.” |
|
ES |
“Las autoridades aduaneras podrán permitir el almacenamiento conjunto cuando sea imposible identificar en cualquier momento el estatuto aduanero de cada mercancía. Esta facilidad no podrá concederse a las mercancías con financiación anticipada. Las mercancías almacenadas conjuntamente estarán incluidas en el mismo código de ocho cifras de la nomenclatura combinada, presentarán la misma calidad comercial y poseerán las mismas características técnicas.” |
|
IT |
“Le autorità doganali possono autorizzare l'immagazzinamento comune quando risulti impossibile accertare in qualsiasi momento la posizione doganale di ciascuna merce. Tale facoltà non si estende alle merci con prefinanziamento. Le merci oggetto di immagazzinamento comune rientrano nello stesso codice a otto cifre della nomenclatura combinata e presentano le stesse qualità commerciali e le stesse caratteristiche tecniche.” |
|
PT |
“As autoridades aduaneiras podem permitir a armazenagem comum sempre que seja impossível identificar o estatuto das mercadorias a qualquer momento. Esta facilidade não se aplica às mercadorias com pré-financiamento. As mercadorias armazenadas em comum devem ser classificadas no mesmo Código NC de oito algarismos, apresentar a mesma qualidade comercial e ter as mesmas características técnicas.” |
In zijn artikelsgewijze commentaar op het CDW merkt Witte op dat goederen in aanmerking komen voor gezamenlijke opslag, niet alleen wanneer ze worden vermengd (“vermischt oder vermengt”) maar ook wanneer ze amper zijn te onderscheiden (“nur mit hohem Aufwand unterscheidbar”). Ook dan moet hun douanestatus uiterst moeilijk – of zelfs niet – bepaalbaar zijn (en moeten ze dezelfde GN-code, handelskwaliteit en technische kenmerken hebben). Ik citeer:
“Selbst wenn die gemeinsam gelagerten Waren zwar nicht im Sinne dieser Begriffe [van art. 534(2) UCDW, CE] vermischt oder vermengt werden aber dennoch nur mit hohem Aufwand unterscheidbar sind, können Ausnahmen vom Nämlichkeitsgrundsatz unter den selben Bedingen der Äquivalenz zugelassen werden [dezelfde GN-code, handelskwaliteit en technische kenmerken, CE], so z.B. wenn große Mengen technischer Ersatzteile mit gleichen Artikelnummern als Nichtgemeinschafts- und Gemeinschaftswaren am gleichen Lagerplatz gelagert werden und die jederzeitige Feststellung des zollrechtlichen Status aufgrund der Warenstruktur (Kleinteile) und ihrer Menge – wenn überhaupt – nur mit erheblichem logistischem Aufwand sichergestellt werden kann (…).”
In beide gevallen ziet Witte de regeling voor gezamenlijke opslag als een uitzondering op het identiteitsbeginsel dat ten grondslag ligt aan andere douaneregelingen:
“(…) Denn hat die gemeinsame Lagerung, z.B. bei Schüttgütern oder in Tanks bzw. Silos, zur Folge, dass der zollrechtlichen Status jeder einzelnen Ware etwa wegen deren Vermischung oder Vermengung nicht jederzeit festgestellt werden kann, darf die Zulassung nur für gleichartige Waren erteilt werden. Hintergrund ist die hier zu Tage tretende Ausnahme vom ansonsten mit dem Zolllagerverfahren grds. Verknüpften Nämlichkeitsprinzip. (…)”
Daarnaast geeft Witte een mijns inziens treffend voorbeeld van goederen die in aanmerking komen voor gezamenlijke opslag. Ik citeer (en cursiveer):
“Beispiel: 15 000L Mineralöl – im Verfahren befindliche Nichtgemeinschafsware – und 15 000L Mineralöl – nicht im Verfahren befindliche Gemeinschaftsware – könnten “gemeinsam” in einem Tank gelagert werden. Beide Warenarten besitzen den selben achtstelligen KN-Code, die gleiche Handelsqualität und die gleichen technischen Merkmale. Werden 15 000L Mineralöl zur Wiederausfuhr (von Nichtgemeinschaftswaren) angemeldet, ist das Verfahren beendet.”
Vervolgens formuleert het derde lid van art. 534 UCDW het gevolg dat toepassing van de regeling voor gezamenlijke opslag heeft. Dit gevolg is een keuzerecht. Degene die deze regeling toepast, kan ervoor kiezen gezamenlijk opgeslagen goederen aan te merken als communautaire dan wel niet-communautaire goederen wanneer diegene ze aangeeft voor een douanebestemming. Het keuzerecht staat in de eerste alinea van art. 534(3) UCDW. De tweede alinea daarvan beperkt dit recht. Diegene mag niet een grotere hoeveelheid goederen aangeven als (niet-)communautaire goederen dan wat met dezelfde status is opgeslagen ten tijde van uitslag:
“3. Gezamenlijk opgeslagen goederen alsmede, in buitengewone omstandigheden, te identificeren goederen die aan de voorwaarden van lid 2, tweede alinea, voldoen, kunnen, wanneer zij voor een douanebestemming worden aangegeven, als communautaire of niet-communautaire goederen worden beschouwd.
De toepassing van de eerste alinea mag er evenwel niet toe leiden dat een douanestatus wordt toegekend aan een hoeveelheid goederen die groter is dan de hoeveelheid goederen met die status die in het douane-entrepot of de opslagruimte is opgeslagen wanneer de voor een douanebestemming aangegeven goederen worden uitgeslagen.”
De eerste alinea van art. 534(3) UCDW biedt het keuzerecht voor gezamenlijk opgeslagen goederen en – in buitengewone omstandigheden – voor andere goederen. Hoewel die alinea verwijst naar goederen met voorfinanciering in de Nederlandse taalversie van art. 534(2) UCDW (zie 3.8), meen ik deze verwijzing aldus te moeten verstaan dat zij het oog heeft op goederen met dezelfde GN-code, handelskwaliteit en technische kenmerken. Dit strookt met andere taalversies van art. 534(2) UCDW, waarin het gaat om zulke goederen (zie 3.9). Het gaat dus om goederen die onderling dezelfde GN-code, handelskwaliteit en technische kenmerken hebben, evenals gezamenlijk opgeslagen goederen. Maar anders dan gezamenlijk opgeslagen goederen, is hun douanestatus wél steeds bepaalbaar. Zou hun status níet steeds bepaalbaar zijn, dan is diezelfde alinea namelijk zinledig voor zover zij het keuzerecht uitbreidt van gezamenlijk opgeslagen goederen tot andere goederen.
Uit andere taalversies van de eerste alinea van art. 534(3) UCDW volgt nog duidelijker dat het keuzerecht zich uitstrekt tot goederen met een bepaalbare douanestatus (en dezelfde GN-code, handelskwaliteit en technische kenmerken). Ik wijs weer op de Franse, Engelse, Spaanse, Italiaanse en Portugese taalversies, die spreken over “marchandises qui sont identifiables”, “identifiable goods”, “mercancías que son identificables”, “merci identificabili” en “mercadorias que são identificáveis”. De Duitse taalversie specificeert zelfs “auch wenn ihr zollrechtlicher Status feststellbar ist”:
|
eerste alinea van art. 534(3) UCDW |
|
|
DE |
“Waren in gemeinsamer Lagerung sowie, unter besonderen Umständen, Waren, die den Voraussetzungen von Absatz 2 Unterabsatz 2 genügen, auch wenn ihr zollrechtlicher Status feststellbar ist, können im Hinblick auf ihre Zollanmeldung zu einer zollrechtlichen Bestimmung als Gemeinschaftswaren oder als Nichtgemeinschaftswaren betrachtet werden.” |
|
FR |
“Pour être déclarées pour une destination douanière, les marchandises qui font l'objet d'un stockage commun ainsi que, dans des circonstances particulières, les marchandises qui sont identifiables et qui satisfont aux conditions du paragraphe 2, deuxième alinéa, peuvent être considérées soit comme des marchandises communautaires, soit comme des marchandises non communautaires.” |
|
EN |
“For the purpose of being declared for a customs-approved treatment or use the goods in common storage, as well as, in particular circumstances, identifiable goods which fulfill the conditions of the second subparagraph of paragraph 2, may be deemed to be either Community goods or non-Community goods.” |
|
ES |
“A los efectos de su declaración para un destino aduanero, las mercancías almacenadas conjuntamente, así como, en circunstancias particulares, las mercancías que son identificables y que satisfacen las condiciones del segundo párrafo del apartado 2, podrán ser consideradas bien como mercancías comunitarias o bien como mercancías no comunitarias.” |
|
IT |
“Per la dichiarazione a un'utilizzazione o destinazione doganale autorizzata, le merci oggetto di un immagazzinamento comune, nonché, in circostanze particolari, le merci identificabili conformi al paragrafo 2, secondo comma, possono essere considerate sia comunitarie che non comunitarie.” |
|
PT |
“Para serem declaradas para um destino aduaneiro, as mercadorias objecto de armazenagem comum, bem como, em circunstâncias especiais, as mercadorias que são identificáveis e que satisfaçam as condições do segundo parágrafo do n.o 2, podem ser consideradas mercadorias comunitárias ou mercadorias não comunitárias.” |
Ook in zijn artikelsgewijze commentaar op het CDW gaat Witte ervan uit dat het keuzerecht zich uitstrekt tot goederen met een bepaalbare douanestatus. Het gaat volgens hem namelijk om goederen die wél dezelfde GN-code, handelskwaliteit en technische kenmerken hebben maar zich níet bevinden in gezamenlijke opslag. Hun douanestatus is dus niet onbepaalbaar of uiterst moeilijk bepaalbaar (vgl. 3.10). Ik citeer:
“Dasselbe Wahlrecht besteht, wenn zwar kein Fall der gemeinsamen Lagerung sondern lediglich Zusammenlagerung vorliegt (…), jedoch die Äquivalenzkriterien des art. 534(2) DVO erfüllt werden, (…).”
Ik kom nu toe aan bespreking van de opvatting van belanghebbenden. Volgens hen is het enig rechtens relevante criterium of communautaire en niet-communautaire goederen zich bevinden in een douane-entrepot als bedoeld in art. 98(2) CDW, zoals hier een zogeheten type E entrepot. Dit entrepot is een terminal en strekt zich uit tot alle tanks die daartoe behoren. De biodiesel was dus gezamenlijk opgeslagen, ongeacht of de communautaire en niet-communautaire biodiesels zich bevonden in dezelfde tank dan wel in verschillende tanks.
Hun opvatting lijkt mij onjuist om twee redenen. Ten eerste, zij miskent art. 534(2) UCDW, dat gezamenlijke opslag beperkt tot goederen met dezelfde GN-code, handelskwaliteit en technische kenmerken, maar zonder bepaalbare douanestatus. Dit is expliciet vermeld in zowel de Nederlandse taalversie van het UCDW (zie 3.8) als andere taalversies daarvan (zie 3.9). Ten tweede, hun opvatting miskent art. 534(3) UCDW, dat onderscheid maakt tussen goederen zónder bepaalbare douanestatus en goederen mét een bepaalbare douanestatus (en steeds dezelfde GN-code, handelskwaliteit en technische kenmerken). Dit onderscheid zou zinledig zijn als het niet ertoe doet of goederen al dan niet een bepaalbare douanestatus hebben (zie 3.13-3.14). Maar dat onderscheid is niet zinledig, zoals andere taalversies laten zien (zie 3.15).
In het tankcluster heeft het Hof vastgesteld dat de biodiesels zijn opgeslagen in tanks op een zodanige wijze dat de niet-communautaire biodiesel fysiek gescheiden is gehouden van de communautaire biodiesel. Deze vaststelling wordt bestreden in noch de twee zaken van de eigenaar (nrs. 25/01234 en 25/01245) noch de twee zaken van de zuster (nrs. 25/01238 en 25/01239). Die vaststelling wordt wel bestreden in één van de zaken van de entrepothouder (nrs. 25/01243 en 25/01247), zij het mijns inziens vergeefs. Gemakshalve verwijs ik daartoe naar mijn conclusie van heden in die zaak (nr. 25/01243). Daarom moet in alle zes zaken in cassatie ervan worden uitgegaan dat beide biodiesels fysiek gescheiden zijn gehouden.
Daarvan uitgaande, meen ik dat het Hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de biodiesels niet in aanmerking komen voor gezamenlijke opslag. Ze zijn niet vermengd of amper te onderscheiden geweest (vgl. 3.10). Ook is hun douanestatus niet uiterst moeilijk bepaalbaar geworden, laat staan onbepaalbaar (vgl. 3.16). Integendeel, hun douanestatus is juist eenvoudig bepaalbaar gebleven.
In hun beroepschriften in cassatie betogen de eigenaar en de zuster dat wél vermenging heeft plaatsgevonden, namelijk met residu dat zich nog bevond in de tank toen de biodiesel werd opgeslagen. Daardoor kan volgens hen niet meer worden bepaald welke douanestatus elke druppel biodiesel heeft. Dit betoog kan hen niet baten. Zelfs als ik ervan zou uitgaan dat niet-communautaire biodiesel gezamenlijk opgeslagen is geweest met communautair residu, hebben de eigenaar en de zuster de biodiesel mogen aangeven als een communautair goed tot hoogstens het aantal druppels aan residu dat zich destijds in de tank bevond (zie 3.13). Ook dan hebben zij niet méér druppels aan biodiesel mogen aangeven als zodanig. Dit laat nog daar de vraag of biodiesel en residu dezelfde GN-code, handelskwaliteit en technische kenmerken hebben.
Kortom, fysiek gescheiden opslag is geen gezamenlijke opslag als bedoeld in art. 534(2) UCDW. Het bestreden oordeel van het Hof geeft mijns inziens dus niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Vertrouwensbeginsel?
Voor dat geval begrijp ik dat belanghebbenden nog met een beroep op het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel betogen dat de regeling voor gezamenlijke opslag van toepassing is. Daartoe wijzen zij op onderdeel 15.50.00 Handboek Douane. Daarnaast wijzen de eigenaar en de zuster (maar niet de entrepothouder) op een overgelegde notitie van de Nederlandse douaneautoriteiten en het guidance document voor special procedures van de Commissie.
In onderdeel 15.50.00 Handboek Douane, dat gold tot 30 april 2016, staat onder meer:
“De opslag van deze goederen vindt plaats in opslagtanks. Meestal zijn de tanks onderling met elkaar verbonden. Bij deze goederensoorten is voor de vaststelling van de douanestatus de begrenzing van de tanklocatie bepalend. Bij deze opslag is het mogelijk om gelijkwaardige partijen uit de diverse tanks met elkaar te verwisselen onder voorwaarde dat het gaat om goederen van dezelfde eigenaar, die zich bevinden op dezelfde locatie. De belanghebbende moet de douanestatus kunnen aantonen. Er kan voor deze verwisseling dus niet vooruitgelopen worden op de komst van goederen die elders zijn of nog onderweg zijn.”
Als ik het goed begrijp, lezen belanghebbenden deze passage aldus dat de Nederlandse douaneautoriteiten voor toepassing van de regeling voor gezamenlijke opslag niet méér vereisen dan dat goederen van dezelfde eigenaar zich bevinden op dezelfde locatie, ook al bevinden ze zich in verschillende tanks op de locatie. Zelfs als ik – veronderstellenderwijs – ervan uitga dat hun lezing juist is, kan hun beroep op het vertrouwensbeginsel mijns inziens niet slagen. Immers, dan zijn de Nederlandse douaneautoriteiten uitgegaan van dezelfde opvatting als belanghebbenden. Deze opvatting is dat goederen in aanmerking komen voor de regeling voor gezamenlijke opslag ongeacht of ze een bepaalbare douanestatus hebben (of niet). Zij is in strijd met art. 534(2) UCDW, dat op zichzelf en in samenhang met art. 534(3) UCDW duidelijk maakt dat goederen alleen dan daarvoor in aanmerking komen als ze dezelfde GN-code, handelskwaliteit en technische kenmerken hebben maar een bepaalbare douanestatus missen (zie 3.18). Daarom heeft die opvatting geen gewettigd vertrouwen kunnen wekken bij belanghebbenden.
Daartoe wijs ik op Sony Supply Chain Solutions (Europe). Voor zover thans van belang, heeft het HvJ overwogen dat een gedraging van de Nederlandse douaneautoriteiten geen gewettigd vertrouwen kan wekken als, zoals hier, de opvatting weliswaar strookt met het Handboek Douane maar in strijd is met een duidelijke bepaling van het (U)CDW. Het ging in dat arrest om een opvatting over degene die zich kan beroepen op een bindende tariefinlichting (bti):
“46 Blijkens de verwijzingsbeslissing bepaalde het Nederlandse Handboek Douane ten tijde van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde importen dat „[a]lleen een rechthebbende [...] een beroep [kan] doen op een bti [en dat] [i]n alle gevallen geldt, dat de aangeboden goederen in alle opzichten moeten overeenstemmen met de goederenomschrijving in de bti. Als een importeur verwijst naar een geldige bti waarvan hij niet rechthebbende is, maar hij doet aangifte voor precies dezelfde goederen als die in de bti omschreven, dan moet de indeling toch overeenstemmen met die in de bti”.
47 In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat het vertrouwensbeginsel niet kan worden aangevoerd tegen een duidelijke bepaling van het recht van de Unie, en dat een daarmee strijdige gedraging van een met de toepassing van het recht van de Unie belaste nationale instantie voor een marktdeelnemer geen grond kan opleveren om erop te vertrouwen dat hij een behandeling kan genieten die strijdig is met het recht van de Unie (…).
48 Artikel 12 van het douanewetboek regelt tot in bijzonderheden de voorwaarden voor de verstrekking, de juridische waarde en de geldigheidsduur van bti’s. Verder bepaalt artikel 10, lid 1, van de uitvoeringsverordening duidelijk dat op de bti slechts door de rechthebbende of de voor rekening van deze rechthebbende handelende vertegenwoordiger een beroep mag worden gedaan.
49 Gebleken is dat de met de toepassing van het recht van de Unie belaste Nederlandse douaneautoriteiten aan een bti dezelfde juridische waarde toekenden ongeacht of daarop door een derde dan wel door de rechthebbende een beroep werd gedaan. Bij de toepassing van het Handboek Douane hebben die autoriteiten dus in strijd gehandeld met het recht van de Unie en deze gedraging heeft bij de marktdeelnemers geen gewettigd vertrouwen kunnen wekken.”
Om deze reden kan onderdeel 15.50.00 Handboek Douane belanghebbenden mijns inziens niet baten. Ook de notitie van de Nederlandse douaneautoriteiten kan hen niet baten want ook die notitie vereist slechts dat goederen van dezelfde eigenaar zich bevinden op dezelfde locatie. Het guidance document voor special procedures van de Commissie kan hen net zo min baten, omdat dit document niet ziet op het CDW maar op het DWU en dat document niet per se enig beleid hoeft weer te geven dat heeft gegolden in de jaren 2013-2016, waarin het tankcluster speelt.
Slotsom
Goederen zijn niet gezamenlijk opgeslagen reeds wanneer ze zich wel bevinden in dezelfde terminal maar in verschillende tanks. Een andersluidende opvatting vindt geen steun in de wettelijke douanebepalingen. Zij kan evenmin alsnog ingang vinden via een gedraging van de Nederlandse douaneautoriteiten die strijdig is met diezelfde douanebepalingen.