Belastingrecht
Bijlage: ECLI:NL:PHR:2026:982 Douanerechten. Bewijs van oorsprong? Bewijs van eerdere onttrekking aan…
Parket bij de Hoge Raad, 25 september 2026
ECLI:NL:PHR:2026:921 · Parket bij de Hoge Raad · 25 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/ecli-nl-phr-2026-921
Zaakgegevens
Op 25 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 september 2026
- Datum publicatie
- 25 september 2026
- Zaaknummers
- 25/01237, 25/01240
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:921
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bijlage: ECLI:NL:PHR:2026:982
Douanerechten. Bewijs van oorsprong? Bewijs van eerdere onttrekking aan douanetoezicht? Art. 203 CDW; wetenschap of bewustheid van onttrekking van niet-communautaire biodiesel aan douanetoezicht? Verordening (EG) nr. 599/2009; geldige instelling van definitief antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de VS?
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummers 25/01237 en 25/01240
Datum 25 september 2026
Onderwerp/tijdvak Douanerechten 2013
Nrs. Gerechtshof 23/1233 en 23/1234
Nrs. Rechtbank 19/1272 en 19/1273
CONCLUSIE
C.M. Ettema
In de zaak van
[X1] B.V. (de eigenaar), en
[X2] A.S. (de zuster; samen met de eigenaar: belanghebbenden)
tegen
staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris)
1 Inleiding
Clusters over biodiesel
In oktober 2013 is biodiesel aan boord van een schip vervoerd van de haven van Barcelona naar die van Rotterdam. Hier is een gedeelte van de lading ingeslagen als biodiesel van oorsprong uit de VS. Deze zaken gaan niet daarover maar over het resterende gedeelte van de lading (het relevante gedeelte). Dit gedeelte is aangegeven voor het vrije verkeer van de Unie als biodiesel van preferentiële oorsprong uit Indonesië.
Dat gedeelte is van de eigenaar; zij is belanghebbende in de zaak met nr. 25/01237. Op haar verzoek heeft een ander opdracht gegeven het gedeelte in, op en uit te slaan. Deze ander is de zuster, die belanghebbende is in de zaak met nr. 25/01240. Die opdrachten zijn telkens verstrekt aan de derde van wie het entrepot is: de entrepothouder. Zij beschikt over een vergunning voor het beheer van een zogenoemd douane-entrepot type E en is belanghebbende in de samenhangende zaak met nr. 25/01246.
De Inspecteur heeft uitnodigingen tot betaling van douanerechten, antidumpingrechten en compenserende rechten (utb’s) uitgereikt aan de eigenaar, de zuster en de entrepothouder want volgens hem is het relevante gedeelte van oorsprong uit de VS.
De drie zaken van de eigenaar, de zuster en de entrepothouder vormen een cluster dat deel uitmaakt van nog twee clusters van telkens drie zaken van dezelfde belanghebbenden. Het tweede cluster gaat over vele zendingen van biodiesel uit de VS, Indonesië, Maleisië en Argentinië, het derde cluster over een zending van biodiesel uit de VS. In al deze zaken neem ik conclusie. Bij die conclusies gaat een gemeenschappelijke bijlage (Bijlage). Voor een overzicht van de zaken verwijs ik naar onderdeel 1 van de Bijlage.
Samenhang tussen de Bijlage en deze conclusies
Alle zaken gaan dus over zendingen van biodiesel uit (onder meer) de VS. Er zijn definitieve antidumpingrechten en compenserende rechten ingesteld op biodiesel van oorsprong uit de VS. In alle zaken was bij de feitenrechters en is in cassatie in geschil of de verordening tot instelling van het definitieve antidumpingrecht geldig is: verordening (EG) nr. 599/2009 (de Definitieve AD-verordening). In de Bijlage onderzoek ik of deze verordening geldig is aan de hand van de klachten die daartegen worden aangevoerd in alle zaken (zie onderdeel 2 van de Bijlage).
In deze conclusie onderzoek ik de resterende klachten van de eigenaar en de zuster in hun twee zaken.
Bestreden oordelen, klachten en beoordeling
Naar het oordeel van het Hof is de Definitieve AD-verordening geldig. Het betoog van belanghebbenden dat zij ongeldig is, steunt op gronden die de Commissie heeft verworpen in de preambule van de verordening tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de VS. Daarom heeft het Hof dit betoog verworpen.
Het Hof acht aannemelijk dat het relevante gedeelte van oorsprong uit de VS is. Dit volgt uit overzichten van tankmutaties voor het laden van het schip in de haven van Barcelona. De biodiesel afkomstig uit de haventanks is onderling fysiek gescheiden gehouden, zowel aan boord van het schip als tijdens het lossen in de haven van Rotterdam.
Het Hof heeft de stelling van belanghebbenden verworpen dat het relevante gedeelte is onttrokken aan het toezicht van de Spaanse douaneautoriteiten. Belanghebbenden hebben dit niet aannemelijk gemaakt. Weliswaar vermeldt de summiere aangifte voor uitgang ten onrechte “Indonesia-España-Paies Bajos” als routebeschrijving, maar die vermelding leidt niet tot een onttrekking. Daarbij komt dat het toezicht van de Spaanse douaneautoriteiten is beëindigd bij het uitgaan van het schip, terwijl dat van de Nederlandse douaneautoriteiten pas is aangevangen met het binnenbrengen van het relevante gedeelte in Nederland.
Vervolgens heeft het Hof ieder van belanghebbenden aangemerkt als douaneschuldenaar. Zij hebben in hoger beroep niet bestreden dat de communicatie tussen de eigenaar en de entrepothouder over het relevante gedeelte plaatsvond door tussenkomst van de zuster en dat haar handelen moet worden toegerekend aan de eigenaar. Daarvan uitgaande, heeft het Hof geoordeeld dat zij hebben geweten of redelijkerwijs hebben moeten weten dat dit gedeelte van oorsprong uit de VS is. Het Hof heeft hun ontkenning daarvan ongeloofwaardig geacht.
Belanghebbenden komen tegen de uitspraak van het Hof op met vier middelen. Middel 1 betoogt dat het Hof ten onrechte, op onjuiste of ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat het relevante gedeelte van oorsprong uit de VS is. Middel 2 betoogt dat dit gedeelte wel is onttrokken aan het douanetoezicht door de onjuiste vermelding in de summiere aangifte voor uitgang. Middel 3 betoogt dat het Hof ten onrechte niet is ingegaan op twee stellingen bij de beoordeling of ieder van belanghebbenden is aan te merken als douaneschuldenaar. Middel 4 betoogt dat de Definitieve AD-verordening niet geldig is, althans dat haar geldigheid niet buiten redelijke twijfel is.
Ik begin bij middel 4. Voor zover dit middel betoogt dat de Definitieve AD-verordening in strijd is met het verbod op cumulatie van antidumpingrechten en compenserende rechten, meen ik dat het faalt. Dat verbod geldt voor één en dezelfde situatie die is ontstaan door dumping of uitvoeringsubsidiëring. In navolging van de Commissie is het Hof ervan uitgegaan dat zo’n situatie zich hier niet voordoet. Gelet op de gronden waarop dit oordeel berust, acht ik het niet onbegrijpelijk. Voor het overige klaagt middel 4 dat de dumpingmarge ten onrechte is vastgesteld zonder correctie voor een zekere subsidie op biodiesel van oorsprong uit de VS. Deze klacht faalt want de desbetreffende subsidie heeft geen gevolg voor de dumpingmarge.
Ik vervolg met de overige middelen. Middel 1 faalt want de toelichting is innerlijk tegenstrijdig. Volgens de toelichting vermelden de douanedocumenten die de lading hebben vergezeld toen het schip voer van Barcelona naar Rotterdam, zowel een juist land van oorsprong als een onjuist land van oorsprong. Middel 2 bestrijdt één van de gronden voor het oordeel van het Hof dat niet eerder een douaneschuld is ontstaan, maar ziet eraan voorbij dat dit oordeel berust op twee gronden. De andere grond kan dat oordeel zelfstandig dragen, zodat het middel faalt. Middel 3 faalt want het Hof is ingegaan op beide stellingen waarop het middel zich beroept.
Ik geef de Hoge Raad in overweging de beroepen in cassatie ongegrond te verklaren.
2 De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Deze zaken gaan over een gedeelte van de lading van het schip ‘[B]’ (het schip) die het heeft vervoerd in de periode van 3 oktober tot en met 10 oktober 2013. Het schip is geladen in de haven van Barcelona vanuit tanks [001] en [002] van een entrepot van [A] S.A. (de derde).
Volgens een overzicht van tankmutaties afkomstig van de derde zat 312 liter aan biodiesel in tank [001] op 1 oktober 2013. Op deze datum is 9.393.369 liter aan biodiesel van oorsprong uit de VS toegevoegd aan dezelfde tank. Twee dagen later, op 3 oktober 2013, is 7.979.901 liter aan biodiesel uit diezelfde tank geladen aan boord van het schip.
Volgens eenzelfde overzicht zat 1.400.835 liter aan biodiesel in tank [002] op 1 oktober 2013. Deze biodiesel is deels van oorsprong uit de VS en deels van oorsprong uit Indonesië. Op die datum is 1.550.496 liter aan biodiesel van oorsprong uit de VS toegevoegd aan dezelfde tank. Op 3 oktober 2013 is nog 800.000 liter aan biodiesel overgepompt uit tank [001] naar tank [002]. Op dezelfde dag is 3.890.875 liter aan biodiesel uit tank [002] geladen aan boord van het schip.
Op 10 oktober 2013 is het schip gelost in de haven van Rotterdam. Aan boord van het schip is de biodiesel afkomstig uit tanks [001] en [002] onderling fysiek gescheiden gehouden. Dit is ook gebeurd bij het lossen van het schip.
Een gedeelte van de lading is ingeslagen als biodiesel van oorsprong uit de VS. Deze zaken gaan niet over dit gedeelte. Op 22 oktober 2013 is het resterende gedeelte aangegeven voor het vrije verkeer van de Unie als biodiesel van preferentiële oorsprong uit Indonesië. Dat gedeelte is 7.983.409 liter. Deze zaken gaan over 7.149.750 liter daarvan (het relevante gedeelte).
Het relevante gedeelte is van de eigenaar. Het is in-, op- en uitgeslagen in opdracht van haar zustervennootschap, de zuster. De eigenaar en de zuster behoren tot een concern dat handelt in energieproducten, waaronder biodiesel.
De entrepothouder behoort niet tot hetzelfde concern. Zij heeft in de haven van Rotterdam een tankopslagbedrijf voor vloeibare bulkgoederen, zoals biodiesel. Zij verzorgt opslag- en expeditiewerkzaamheden voor onder anderen de eigenaar, die een aantal van haar tanks huurt. Voor die werkzaamheden beschikt de entrepothouder over een aantal vergunningen, waaronder een vergunning voor het beheer van een type E douane-entrepot.
Het relevante gedeelte is geplaatst in tanks van dit entrepot. De entrepothouder heeft het in-, op- en uitgeslagen op eigen naam en voor eigen rekening. Dit is dus gebeurd in opdracht van de zuster en na een daartoe strekkend verzoek van de eigenaar aan haar.
Op 13 oktober 2016 heeft de Inspecteur uitnodigingen tot betaling (utb’s) uitgereikt aan de eigenaar en de zuster. Volgens hem is de biodiesel die is aangegeven voor het vrije verkeer, niet geheel van oorsprong uit Indonesië. In plaats daarvan is deze biodiesel gedeeltelijk of zelfs geheel van oorsprong uit de VS. Dit standpunt is gegrond op bevindingen van OLAF, die onderzoek heeft verricht naar onder meer de lading die is betrokken in de utb’s.
Belanghebbenden hebben bezwaar gemaakt tegen de utb’s. Hangende het bezwaar heeft de Inspecteur hen ambtshalve kwijtschelding verleend van € 19.921,25. Bij uitspraak op bezwaar van 5 februari 2019 heeft hij hun bezwaren ongegrond verklaard.
Geschil
Voor zover in cassatie nog van belang, valt het geschil bij de feitenrechters uiteen in vier vragen. Ten eerste, heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat het relevante gedeelte niet van oorsprong uit Indonesië is maar van oorsprong uit de VS? Zo nee, dan is in het geheel geen douaneschuld ontstaan. Ten tweede, als dit aannemelijk is, is het relevante gedeelte onttrokken aan het douanetoezicht alleen al doordat een onjuiste oorsprong is vermeld in de summiere aangifte voor uitgang en de aangifte voor extern communautair douanevervoer? Zo ja, dan is een eerdere douaneschuld ontstaan. Ten derde, als een douaneschuld is ontstaan pas nadat het relevante gedeelte is aangegeven voor het vrije verkeer, wisten belanghebbenden of hadden zij redelijkerwijs moeten weten dat dit gedeelte van oorsprong uit de VS is? Ten vierde, is de Definitieve AD-verordening geldig?
Rechtbank Noord-Holland
Belanghebbenden hebben beroep ingesteld bij de rechtbank Noord-Holland (de Rechtbank). Bij uitspraken van 1 september 2023 heeft de Rechtbank de beroepen gegrond verklaard.
Naar haar oordeel heeft de Inspecteur met het overleggen van onder meer de overzichten van tankmutaties voor tanks [001] en [002] aannemelijk gemaakt dat het relevante gedeelte niet van oorsprong uit Indonesië is maar van oorsprong uit de VS. Dit wordt niet anders doordat hij slechts deze overzichten heeft verstrekt en niet de onderliggende administratie van de derde zelf. Het wordt ook niet anders doordat de lading wordt aangeduid als transshipment in een e-mailbericht van de eigenaar aan de entrepothouder. Het Unierecht voorziet namelijk niet erin dat goederen van oorsprong uit de VS kunnen worden aangegeven voor het vrije verkeer als waren ze van oorsprong uit Indonesië. De regeling voor gezamenlijke opslag voorziet net zo min daarin.
De Rechtbank heeft de stelling van belanghebbenden verworpen dat de biodiesel uit tanks [001] en [002] is verwisseld vóór het laden van het schip, in die zin dat het relevante gedeelte wél van oorsprong uit Indonesië is. Zij acht deze stelling ongeloofwaardig.
Naar haar oordeel is het relevante gedeelte niet onttrokken aan het douanetoezicht alleen al doordat een onjuiste oorsprong is vermeld in de summiere aangifte voor uitgang. Die onjuiste vermelding vormt geen onttrekking in de zin van art. 203 CDW want het relevante gedeelte is vertrokken uit Spanje en binnengebracht in Nederland telkens als niet-communautair goed en heeft steeds onder toezicht gestaan van de douaneautoriteiten. Bovendien hoeft het land van oorsprong niet te worden vermeld in een summiere aangifte voor uitgang. Daarom is niet een eerdere douaneschuld ontstaan voor het relevante gedeelte.
De Rechtbank heeft vastgesteld dat twee werknemers van de zuster dagelijks overleg voeren met de entrepothouder, waarbij zij de weekoverzichten van inkomende en uitgaande schepen en ook de verdeling van biodiesel van de eigenaar over de tanks bespreken. Deze werknemers geven opdrachten aan de entrepothouder welke tanks dienen voor het lossen dan wel laden van welke schepen. Hun opdrachten kunnen worden toegerekend aan de zuster en eveneens de eigenaar, in wier naam de zuster opdrachten heeft verstrekt aan de entrepothouder. Dit betekent dat belanghebbenden opdracht hebben gegeven het relevante gedeelte aan te geven voor het vrije verkeer als van oorsprong uit Indonesië. Het betekent ook dat zij hebben geweten of redelijkerwijs hebben moeten weten dat dit gedeelte van oorsprong uit de VS is.
Voor de Rechtbank hebben belanghebbenden betoogd dat de Definitieve AD-verordening ongeldig is want antidumpingrechten en compenserende rechten op biodiesel van oorsprong uit de VS cumuleren ten onrechte voor één en dezelfde situatie die is ontstaan door dumping of uitvoersubsidiëring. Volgens hen zijn beide rechten ingesteld naar aanleiding van een blender’s credit, een subsidie op de uitvoer van biodiesel uit de VS. De Rechtbank heeft ook dit betoog verworpen. Zij heeft de blender’s credit niet aangemerkt als een uitvoersubsidie want de subsidie wordt verleend voor het mengen van biodiesel, niet voor de uitvoer ervan.
Niettemin heeft de Rechtbank de beroepen gegrond verklaard. Dit is gebeurd op voorspraak van de Inspecteur, die eerst ervan is uitgegaan dat een groter gedeelte dan het relevante gedeelte niet van oorsprong uit Indonesië is maar van oorsprong uit de VS. Hangende de beroepen heeft hij aanvaard dat het verschil van oorsprong uit Indonesië is. Dit verschil komt overeen met een bedrag van € 103.528,22 aan compenserende rechten, antidumping- en douanerechten. Daarom heeft de Rechtbank de utb’s verlaagd met hetzelfde bedrag.
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbenden hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam (het Hof). Bij uitspraken van 25 februari 2025 heeft het Hof hun beroepen gegrond verklaard, maar slechts voor zover ze ertoe strekken dat de Rechtbank ten onrechte de immateriële schade niet heeft vergoed voor overschrijding van de redelijke termijn ter berechting van hun zaken. Voor het overige heeft het Hof hun beroepen ongegrond verklaard.
Ook naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat het relevante gedeelte van oorsprong uit de VS is. Uit de overzichten van tankmutaties voor tanks [001] en [002], die kennelijk afkomstig zijn van de derde, volgt genoegzaam dat van de lading van het schip hoogstens 833.659 liter aan biodiesel van oorsprong uit Indonesië kan zijn. Daaruit blijkt eveneens dat de biodiesel afkomstig uit tanks [001] en [002] onderling fysiek gescheiden is gehouden. Dit geldt aan boord van het schip. Het geldt ook voor het lossen daarvan. Er is hoe dan ook geen gezamenlijke opslag geweest van communautaire en niet-communautaire biodiesels.
Het kan belanghebbenden worden toegegeven dat in tank [002] biodiesel van oorsprong uit de VS is vermengd met biodiesel van oorsprong uit Indonesië (want op 1 oktober 2013 zat een gezamenlijke hoeveelheid van 1.400.835 liter aan beide biodiesels in deze tank; zie 2.3). Maar de Inspecteur heeft deze vermenging ondervangen door alle biodiesel waarvan bewijs van oorsprong uit de VS mist, aan te merken als van oorsprong uit Indonesië. Hetzelfde geldt voor het residu van 312 liter dat zat in tank [001] op 1 oktober 2013 (zie 2.2). Vervolgens heeft hij al die biodiesel toegerekend aan dat wat is geladen uit tank [002] aan boord van het schip. Daarmee heeft hij ruimhartig rekening gehouden met diezelfde vermenging.
Het Hof heeft het beroep van belanghebbenden op Indonesische oorsprongscertificaten verworpen. Zij kunnen zich niet daarop beroepen voor het in het vrije verkeer brengen van biodiesel van oorsprong uit de VS.
Naar het oordeel van het Hof hebben belanghebbenden niet aannemelijk gemaakt dat een handelen of nalaten heeft plaatsgevonden waardoor de douaneautoriteiten geen toegang hebben tot het relevante gedeelte ter uitvoering van controles. Dit vindt niet plaats alleen al doordat de summiere aangifte voor uitgang ten onrechte vermeldt “Indonesia-España-Paies Bajos” als routebeschrijving want die vermelding beperkt de Spaanse douaneautoriteiten niet in de uitoefening van hun toezicht. Daarbij komt dat hun toezicht is beëindigd bij het uitgaan van het schip, terwijl het toezicht van de Nederlandse douaneautoriteiten is aangevangen pas nadat het relevante gedeelte is binnengebracht in Nederland.
Voor het Hof hebben belanghebbenden niet de vaststellingen van de Rechtbank bestreden dat de communicatie tussen de eigenaar en de entrepothouder over het relevante gedeelte plaatsvond door tussenkomst van de zuster en dat haar handelen moet worden toegerekend aan de eigenaar. Daarvan uitgaande, heeft het Hof zich verenigd met het oordeel van de Rechtbank en de gronden waarop het berust dat belanghebbenden hebben geweten of redelijkerwijs hebben moeten weten dat het relevante gedeelte van oorsprong uit de VS is. Het Hof acht de stelling ongeloofwaardig dat zij dit niet hebben geweten; uit de communicatie met de entrepothouder blijkt juist dat zij het wél hebben geweten.
Ook voor het Hof hebben belanghebbenden betoogd dat antidumpingrechten ten onrechte cumuleren met compenserende rechten op biodiesel van oorsprong uit de VS. Daaraan hebben zij opnieuw ten grondslag gelegd dat de blender’s credit een uitvoersubsidie is. Het Hof heeft dit betoog verworpen op de gronden waarop de blender’s credit niet is aangemerkt als een uitvoersubsidie in de preambule van de Definitieve AD-verordening.
3 Het geding in cassatie
Belanghebbenden hebben op regelmatige wijze en ook tijdig beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Zij hebben een conclusie van repliek ingediend. De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
Beroepschrift in cassatie
Belanghebbenden stellen vier middelen voor. Middel 1 richt zich tegen het oordeel van het Hof over het bewijs van oorsprong van het relevante gedeelte. Het middel verwijt het Hof dit oordeel ten onrechte, op onjuiste gronden althans zonder toereikende motivering te hebben gegeven. Ter staving van dat verwijt betoogt het middel niet méér dan als volgt:
“3.1.3 [De eigenaar / zuster, CE] heeft in beide instanties gemotiveerd aangegeven (…) dat de Inspecteur niet dan wel onvoldoende heeft bewezen dat de oorsprong van de biodiesel Verenigde Staten is. Ten eerste is sprake van een partijwissel bij [de derde, CE], als gevolg waarvan de douanedocumenten, die de scheepszending van het [schip, CE] vergezelden, een juist land van oorsprong weergeven. Vervolgens heeft [de eigenaar / zuster, CE] aangegeven dat de douanedocumenten, die de scheepszending van het [schip, CE] vergezelden, een onjuist land van oorsprong weergeven.”
Middel 2 keert zich tegen het oordeel van het Hof dat niet een eerdere douaneschuld is ontstaan. Het middel betoogt dat het relevante gedeelte is onttrokken aan het douanetoezicht door de onjuiste vermelding in de summiere aangifte voor uitgang. Immers, daardoor hebben de douaneautoriteiten niet de juiste hoedanigheid van de lading kunnen vaststellen en dus evenmin het bedrag aan douanerechten dat is verschuldigd bij invoer daarvan.
Middel 3 bestrijdt het oordeel van het Hof dat belanghebbenden hebben geweten dan wel redelijkerwijs hebben moeten weten dat het relevante gedeelte van oorsprong uit de VS is. Volgens het middel is het Hof ten onrechte niet ingegaan op twee stellingen die zij hebben aangevoerd daarover. De eerste is dat geen douaneschuld is ontstaan in Nederland, de tweede is hun ontkenning te hebben geweten of redelijkerwijs te hebben moeten weten dat het relevante gedeelte niet van oorsprong uit Indonesië is.
Middel 4 komt op tegen het oordeel van het Hof dat de Definitieve AD-verordening geldig is en valt uiteen in twee onderdelen. Onderdeel 1 betoogt dat deze verordening in strijd is met het verbod op cumulatie van antidumpingrechten en compenserende rechten. Dit verbod geldt voor eenzelfde situatie, aldus onderdeel 1, ongeacht of ze is ontstaan door dumping of uitvoersubsidiering. Vervolgens betoogt onderdeel 2 dat de dumpingmarge is vastgesteld zonder correctie voor de blender’s credit. Deze subsidie is ten onrechte niet in mindering gebracht op de uitvoerprijs, waarmee de normale waarde wordt vergeleken ter bepaling van de dumpingmarge.
Verweerschrift in cassatie
Volgens de Staatssecretaris faalt middel 1, al moet hij bekennen de toelichting op het middel niet te kunnen volgen. Daarom gaat hij in zijn verweer uit van wat belanghebbenden hebben aangevoerd voor het Hof over het bewijs van oorsprong. Het gaat om hun stelling dat het relevante gedeelte wél van oorsprong uit Indonesië is doordat de biodiesel uit tanks [001] en [002] is verwisseld vóór het laden van het schip. De stukken van het geding bieden geen enkele aanwijzing voor de juistheid van die stelling, zodat het bestreden oordeel van het Hof in stand kan blijven.
De Staatssecretaris brengt tegen middel 2 in dat belanghebbenden geen omstandigheden hebben aangevoerd voor hun stelling dat het relevante gedeelte is onttrokken aan het douanetoezicht, behalve de onjuiste vermelding in de summiere aangifte. Die vermelding is daartoe onvoldoende want het douanetoezicht in Spanje is beëindigd met het uitgaan van het schip en dat in Nederland is niet eerder aangevangen dan met het binnenbrengen van de goederen. Daarom faalt het middel.
Volgens de Staatssecretaris faalt middel 3 eveneens. Uit de bestreden uitspraak volgt dat het Hof is ingegaan op beide stellingen waarop het middel zich beroept.
De Staatssecretaris acht de Definitieve AD-verordening geldig. De dumpingmarge volgt uit een vergelijking tussen de normale waarde en uitvoerprijs van een goed. De Commissie heeft vastgesteld dat de blender’s credit beschikbaar is op dezelfde wijze en voor hetzelfde bedrag bij zowel binnenlandse verkoop als uitvoer. Daarom meent de Staatssecretaris dat deze subsidie geen gevolgen heeft voor de dumpingmarge: het prijsverschil verandert niet, ongeacht of die subsidie is betrokken in de vergelijking. Om dezelfde reden meent hij dat de antidumpingrechten en compenserende rechten niet zijn ingesteld voor eenzelfde situatie, waartegen het verbod op cumulatie van beide rechten zich richt. Het oordeel van het Hof is dus juist. Dit oordeel behoeft evenmin nadere motivering. Ook middel 4 faalt dus.
Conclusie van repliek
De repliek van belanghebbenden beperkt zich tot middelen 2 en 4. Bij middel 2 repliceren zij dat het relevante gedeelte is onttrokken aan het douanetoezicht doordat biodiesel van oorsprong uit de VS is verscheept als van oorsprong uit Indonesië. Daardoor is een andere identiteit gegeven aan de lading. Dit is niet betrokken in de oordeelsvorming van het Hof. Dat is ten onrechte want het heeft de Spaanse douaneautoriteiten belet in de uitoefening van hun toezicht.
Bij middel 4 herhalen belanghebbenden niet dat de blender’s credit in mindering had moeten worden gebracht op de uitvoerprijs van biodiesel. Integendeel, zij repliceren dat die subsidie wél in mindering is gebracht daarop maar níet op de normale waarde van biodiesel. Voorts voeren zij aan dat de blender’s credit een uitvoersubsidie is zodat antidumpingrechten niet mogen cumuleren met compenserende rechten. Daarnaast betogen zij dat het instellen van antidumpingrechten en compenserende rechten verder gaat dan nodig is ter bescherming van de interne markt; daartoe zou het instellen van één van beide rechten hebben volstaan.
Conclusie van dupliek
De dupliek van de Staatssecretaris beperkt zich tot middel 4. Het is hem onduidelijk waarop belanghebbenden baseren dat de blender’s credit in mindering is gebracht op de uitvoerprijs. Hij wijst op de preambule van verordening (EG) nr. 193/2009, waarin de Commissie verslag doet van de procedure die heeft geleid tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de VS. De Staatssecretaris leidt uit deze preambule af dat de blender’s credit niet in mindering is gebracht op de uitvoerprijs, net zo min als op de normale waarde.
4 Middel 4: is de Definitieve AD-verordening (on)geldig?
Ik begin ermee of de Definitieve AD-verordening geldig is. Deze vraag gaat namelijk vooraf aan de vragen: (a) of een douaneschuld is ontstaan en, zo ja, (b) of belanghebbenden zijn aan te merken als schuldenaar van de desbetreffende schuld. In onderdeel 2 van de Bijlage concludeer ik dat geen van de klachten die zij aanvoeren tegen deze verordening, terecht is voorgesteld. Dit betekent dat bij de beoordeling van die klachten mij geen omstandigheden of feiten zijn gebleken die haar geldigheid kunnen aantasten. Het betekent ook dat ik geen aanleiding zie een prejudiciële vraag over haar geldigheid voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie punt 2.40 Bijlage).
Meer specifiek concludeer ik dat antidumpingrechten en compenserende rechten uitsluitend niet mogen cumuleren voor één en dezelfde situatie die ontstaat door dumping of uitvoersubsidiëring en dus wél mogen cumuleren buiten zo’n situatie. Onderdeel 1, dat ervan uitgaat dat cumulatie is verboden ongeacht of de situatie is ontstaan door uitvoersubsidiëring of dumping, is dus onjuist (zie punten 2.14-2.15 Bijlage).
De vervolgvraag is of de blender’s credit al dan niet is aan te merken als een uitvoersubsidie. Deze vraag vergt uitleg van de vreemdrechtelijke regeling waarop die subsidie berust. Dit betekent dat de Hoge Raad slechts kan toetsen of het Hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven daaraan. Zijn uitleg lijkt mij niet onbegrijpelijk. Voor zover belanghebbenden het tegendeel aanvoeren, faalt hun klacht (zie punten 2.20-2.21 Bijlage).
Daarnaast concludeer ik dat definitieve antidumpingrechten en compenserende rechten zijn ingesteld op biodiesel van oorsprong uit de VS tot hoogstens één en dezelfde schademarge. Het gezamenlijke beloop van beide rechten gaat dus per definitie niet verder dan nodig is ter bescherming van ondernemingen in de Unie met soortgelijke biodiesel. De andersluidende klacht van belanghebbenden faalt (zie punten 2.31-2.32 Bijlage).
Evenmin heeft de blender’s credit gevolgen voor de uitvoerprijs van biodiesel (uit de VS) want deze subsidie is – op niet onbegrijpelijke gronden – niet aangemerkt als een uitvoersubsidie. Daarom faalt onderdeel 2 (zie punt 2.35 Bijlage). Voor zover belanghebbenden klagen dat die subsidie ten onrechte niet in mindering is gebracht op de normale waarde van biodiesel (in de VS), faalt de klacht om meerdere redenen (zie punten 2.37-2.39 Bijlage).
Daarmee strandt middel 4 geheel.
5 Middel 1: (on)begrijpelijk bewijs van oorsprong?
Middel 1 stelt mij voor een raadsel. Het middel bestrijdt het bewijs(waarderings)oordeel van het Hof dat aannemelijk is dat het relevante gedeelte van oorsprong uit de VS is, en doet daartoe een beroep op de douanedocumenten die de lading hebben vergezeld toen het schip voer vanuit de haven van Barcelona naar die van Rotterdam. Volgens de toelichting op het middel geven deze documenten zowel een juist land van oorsprong als een onjuist land van oorsprong weer (zie het citaat in 3.2). Die toelichting is dus innerlijk tegenstrijdig.
Gelet op dit raadsel, ga ik in op elk van beide alternatieven – een juist land van oorsprong dan wel een onjuist land van oorsprong – ter beoordeling van het middel. Voor zover het middel zich erop beroept dat de douanedocumenten een juist land van oorsprong vermelden, meen ik dat het faalt. In zoverre licht het niet toe op welke grond(en) het bestreden oordeel van het Hof onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is.
Ook voor zover het middel zich erop beroept dat de douanedocumenten een onjuist land van oorsprong vermelden, meen ik dat het faalt. Het ontgaat mij in zoverre waarom het middel zich verzet tegen het daarmee overeenkomende oordeel van het Hof.
Overigens kan de Hoge Raad slechts toetsen of het bewijs(waarderings)oordeel van het Hof onbegrijpelijk is. Dit oordeel lijkt mij niet onbegrijpelijk want het berust op overzichten van tankmutaties voor tanks [001] en [002] die afkomstig zijn van de derde, terwijl het Hof – in cassatie onbestreden – heeft vastgesteld dat het schip is geladen vanuit deze tanks voordat het voer van de haven van Barcelona naar die van Rotterdam.
Daarom faalt middel 1.
6 Middel 2: is eerder (g)een douaneschuld ontstaan?
Middel 2 herhaalt in wezen de stelling, die het Hof heeft verworpen, dat het relevante gedeelte is onttrokken aan het toezicht van de Spaanse douaneautoriteiten alleen al doordat de summiere aangifte voor uitgang ten onrechte “Indonesia-España-Paies Bajos” vermeldt als routebeschrijving. Daarmee ziet het middel eraan voorbij dat deze verwerping niet de enige grond is voor het oordeel van het Hof dat niet eerder een douaneschuld is ontstaan.
De andere grond is dat het toezicht van de Spaanse douaneautoriteiten is beëindigd bij het uitgaan van het schip, terwijl het toezicht van de Nederlandse douaneautoriteiten niet eerder is aangevangen dan nadat het relevante gedeelte is binnengebracht in Nederland (zie r.o. 4.12 van de bestreden uitspraak). Dit berust blijkbaar op de opvatting van het Hof dat een goed niet is te onttrekken aan douanetoezicht dat (nog) niet plaatsvindt.
Het middel bestrijdt niet deze opvatting van het Hof, die mij overigens juist voorkomt. Net zo min bestrijdt het middel de feitelijke vaststelling van het Hof dat het vervoer van het relevante gedeelte vanuit de haven van Barcelona naar die van Rotterdam niet heeft plaatsgevonden met toepassing van de regeling voor extern douanevervoer (zie r.o. 4.12 van de bestreden uitspraak).
Daarmee kan die andere grond zelfstandig het oordeel van het Hof dragen dat niet eerder een douaneschuld is ontstaan voor het relevante gedeelte, wat er ook zij van de stelling die het middel herhaalt.
Daarop stuit middel 2 af.
7 Middel 3: zijn belanghebbenden aan te merken als douaneschuldenaar?
Evenals middel 1, stelt middel 3 mij voor een raadsel. Het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat ieder van belanghebbenden is aan te merken als schuldenaar op de voet van art. 201(3) CDW. Het middel doet daartoe een beroep op twee stellingen. De eerste is dat überhaupt geen douaneschuld is ontstaan in Nederland, de tweede dat ieder van hen niet wist en ook niet had moeten weten dat biodiesel van oorsprong uit Indonesië in het vrije verkeer is gebracht. Het middel klaagt dat het Hof is voorbijgegaan aan beide stellingen. De klacht is dus dat het Hof ten onrechte niet is ingegaan daarop.
Voor zover het middel zich beroept op de stelling dat geen douaneschuld is ontstaan in Nederland, mist het feitelijke grondslag. Het Hof is op die stelling ingegaan want middel 2 bestrijdt dat het Hof deze stelling heeft verworpen.
Het is niet anders voor zover het middel zich beroept op de stelling dat belanghebbenden niet wisten of hadden moeten weten dat biodiesel van oorsprong uit Indonesië in het vrije verkeer is gebracht. Ook in zoverre mist het middel feitelijke grondslag want – nota bene – ditzelfde middel bestrijdt dat het Hof die stelling heeft verworpen.
Middel 3 faalt dus.
8 Conclusie
Ik geef de Hoge Raad in overweging de beroepen in cassatie ongegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal