Civiel recht overig

Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Civiel recht overig

Parket bij de Hoge Raad, 8 februari 2002

Zaakgegevens

Op 8 februari 2002 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
8 februari 2002
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
C01/274HR
ECLI
ECLI:NL:PHR:2002:AD7364
E-mail

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 8 februari 2002

    ECLI:NL:HR:2002:AD7364
  2. Conclusie A-G · 8 februari 2002deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2002:AD7364

Conclusie

Nr. C 01/274

Mr. M.R. Mok

Zitting 30 november 2001

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

[Verweerder] (niet verschenen)

1. Het onderhavige cassatieberoep richt zich tegen het arrest van het gerechtshof te 's Hertogenbosch van 17 april 2001 waarin eiser van cassatie niet-ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van de rechtbank te Breda van 20 april 1999.

Eiser van cassatie is tijdig van deze uitspraak in cassatie gekomen(1).

2. Het genoemde tussenvonnis van de rechtbank te Breda heeft een getuigenverhoor ingeleid en is dus een interlocutoir vonnis(2).

Uit art. 337, leden 1 en 2, Rv. volgt dat tegen zo'n vonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen, tenzij de rechter tussentijds hoger beroep heeft uitgesloten. In dat geval moet de partij die appel wil instellen wachten tot na het eindvonnis.

3. Het is anders als de rechter in het dictum van het tussenvonnis aan enig deel van het gevorderde een einde heeft gemaakt en dus ten dele sprake is van een eindvonnis.

Niettegenstaande de uitsluiting van hoger beroep moet dan binnen de gewone appeltermijn van art. 339, lid 1, Rv. hoger beroep worden ingesteld tegen het vonnis voor zover dat een eindvonnis is. In dat geval kan tegelijkertijd hoger beroep worden ingesteld tegen het interlocutoire gedeelte van het vonnis(3).

4. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank tussentijds hoger beroep uitgesloten. Het dictum bevat géén beslissing waardoor het vonnis ten dele zou kunnen worden aangemerkt als eindvonnis. Daarom is er geen reden het verbod te doorbreken.

Dat de rechtsoverwegingen van het vonnis eindbeslissingen bevatten, maakt zulks niet anders(4). Omdat het middel daartoe enige aanleiding geeft, merk ik op dat de beslissing tot uitsluiting van het hoger beroep preparatoir van aard is, zodat daartegen slechts tegelijk met het eindvonnis hoger beroep kan worden ingesteld(5).

5. Het hof heeft eiser van cassatie dan ook op juiste gronden niet-ontvankelijk verklaard in zijn appel.

6. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met veroordeling van eiser van cassatie in de kosten.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1. Er was gedagvaard tegen 14 september 2001. De dagvaarding is niet tijdig ter rolle ingeschreven. Het ­ binnen 14 dagen na de gemiste rechtsdag ­ op 17 september 2001 uitgebrachte herstelexploit, waarin is gedagvaard tegen 28 september 2001, is dat wel. Daarmee is dit gebrek hersteld (vgl. o.m. HR 21 oktober 1988, NJ 1989, 241, m.nt. W.H. Heemskerk).

2. Zie Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen, (1998), nr. 88, p. 95-96 en nr. 129, p. 155-156.

3. Zie voor het laatste HR 7 december 1990, NJ 1992, 85, m.nt. H.J. Snijders en (m.b.t. beroep in cassatie) HR 13 januari 1995, NJ 1995, 482. Vgl. voor het hoger beroep van tussenvonnissen Hugenholtz/Heemskerk a.w., nr. 177, p. 206-208 en Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., aant. 1-4 op art. 337 (Wedeven/Mollema).

4. Als vorige noot (BRv , losbl. aant. 3).

5. HR 25 maart 1988, NJ 1988, 727.