Civiel recht overig
Hoge Raad · Cassatie · Civiel recht overig
Hoge Raad, 8 februari 2002
ECLI:NL:HR:2002:AD7364 · Hoge Raad · 8 februari 2002
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2002-ad7364
Zaakgegevens
Op 8 februari 2002 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 februari 2002
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- C01/274HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. drs. R.A. van der Hansz
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2002:AD7364
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Procesgang
Hoge Raad · 8 februari 2002deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2002:AD7364
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 8 februari 2002
ECLI:NL:PHR:2002:AD7364
Uitspraak
8 februari 2002
Eerste Kamer
Nr. C01/274HR
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. drs. R.A. van der Hansz,
t e g e n
[Verweerder], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 15 juli 1998 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Breda en gevorderd [verweerder], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen aan [eiser] te betalen ƒ 12.471,14, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, alsmede een bedrag ter vergoeding van de door [eiser] geleden immateriële schade, door de Rechtbank ex aequo et bono vast te stellen op ƒ 5.000,-- of een zodanig bedrag als de Rechtbank juist zal achten.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 20 april 1999 - voor zover in cassatie van belang - [eiser] opgedragen te bewijzen:
- dat door of namens [betrokkene A] een schikkingsvoorstel is gedaan in de procedure tussen [eiser] en deze [betrokkene A], waarbij [betrokkene A] heeft aangeboden de zaak te regelen tegen betaling aan hem van ƒ 3.500,-- alsmede;
- dat [verweerder] de aanvaarding van dit aanbod van deze [betrokkene A] aan [eiser] heeft afgeraden;
- bepaald dat van dit vonnis geen hoger beroep kan worden ingesteld dan tegelijk met het eindvonnis.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 17 april 2001 heeft het Hof [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn appel tegen het tussenvonnis van de Rechtbank en de zaak ter verdere berechting teruggewezen naar de Rechtbank.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploit zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.
De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep met veroordeling van [eiser] in de kosten.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en D.H. Beukenhorst, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 8 februari 2002.