Civiel recht overig

Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Civiel recht overig

Parket bij de Hoge Raad, 12 april 2002

Zaakgegevens

Op 12 april 2002 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12 april 2002
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
C00/215HR
ECLI
ECLI:NL:PHR:2002:AD9126
E-mail

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 12 april 2002

    ECLI:NL:HR:2002:AD9126
  2. Conclusie A-G · 12 april 2002deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2002:AD9126

Conclusie

Mr. Hartkamp

nr. C00/215HR

zitting 25 januari 2002

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

[Verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

Feiten en procesverloop

1) Deze zaak is de voortzetting van de procedure die heeft geleid tot HR 15 maart 1996, NJ 1997, 3 m.nt. E.J.H. Schrage. Ik verwijs voor de feiten en de achtergrond van de zaak naar dat arrest en de conclusie van A-G Koopmans. Het gaat thans om de vaststelling van de schadevergoeding uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking die de eiser tot cassatie, [eiser], aan de verweerder in cassatie, [verweerder], verschuldigd is.

2) Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft de schadevergoeding, na daaromtrent een deskundigenbericht te hebben gelast, vastgesteld in zijn arrest van 19 april 2000.

3) Tegen deze beslissing heeft [eiser] tijdig cassatieberoep ingesteld. Hij stelt daartoe een uit vier (motiverings)klachten opgebouwd middel van cassatie voor. [Verweerder] heeft tot verwerping geconcludeerd en de zaak schriftelijk toegelicht.

Bespreking van het cassatiemiddel

4) Onderdeel 1 komt op tegen r.o. 4, slot, van 's hofs arrest. Met "r.o. 4, slot" wordt kennelijk gedoeld op de laatste volzin van die rechtsoverweging.

Ik meen dat de klacht faalt omdat zij niet voldoet aan art. 407 lid 2 Rv.

Subsidiair meen ik dat de klacht faalt omdat 's hofs overweging niet onbegrijpelijk is.

Voorzover het onderdeel beoogt op te komen tegen het feit dat het hof de apotheek heeft gewaardeerd per 1 januari 1983 volgens de door het hof gehanteerde maatstaf (de waarde op basis van de toen geldende, binnen de kring van apotheekhoudende huisartsen aanvaarde waarderingsgrondslagen met betrekking tot doktersapotheken), stuit de klacht bovendien hierop af, dat die waardering voortbouwt op de eindbeslissing in het arrest van 25 mei 1994 (r.o. 3), waartegen [eiser] bij zijn eerdere cassatieberoep niet is opgekomen (zie HR 8 juni 2001, NJ 2001, 432).

5) De onderdelen 2 en 3 zijn gericht tegen r.o. 8 onderscheidenlijk r.o. 12 van het bestreden arrest. Deze klachten worden m.i. tevergeefs voorgesteld, omdat zij opkomen tegen beslissingen van feitelijke aard die niet onbegrijpelijk zijn en geen nadere motivering behoefden.

6) Onderdeel 4 faalt omdat het niet voldoet aan art. 407 lid 2 Rv. Het onderdeel beroept zich immers op een stelling van feitelijke aard (waarop het hof niet naar behoren zou hebben gerespondeerd), zonder aan te geven waar deze in de gedingstukken te vinden is.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden