Civiel recht overig

Onrechtmatige overheidsdaad. Geschil tussen varkenshouder en Staat over juistheid van registratie…

Zaakgegevens

Op 19 december 2008 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19 december 2008
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
C07/132HR
ECLI
ECLI:NL:PHR:2008:BG1237
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Onrechtmatige overheidsdaad. Geschil tussen varkenshouder en Staat over juistheid van registratie varkensrechten in kader van Wet herstructurering varkenshouderij (81 RO).

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Gravenhage · 21 december 2006

    ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ5772
  2. Hoge Raad · 19 december 2008

    ECLI:NL:HR:2008:BG1237

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Conclusie A-G · 19 december 2008deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2008:BG1237

Conclusie

C07/132HR

mr J. Spier

Zitting 17 oktober 2008

Conclusie Inzake

[Eiser 1],

[Eiser 2]

[Eiser 3]

(hierna afzonderlijk te noemen: [eiser 1] respectievelijk [eiser 2] en [eiser 3] en gezamenlijk: [eisers])

tegen

Staat der Nederlanden

1. Deze zaak leent zich voor een verkorte conclusie omdat [eisers] belang missen bij hun klacht in het tijdig ingestelde cassatieberoep. Bespreking daarvan levert evenmin een zinvolle bijdrage aan de rechtsontwikkeling of rechtseenheid omdat de (enige) door het middel aan de orde gestelde rechtsvraag betrekking heeft op een inmiddels ingetrokken wet (Wet herstructurering varkenshouderij).

2. Inzet van de procedure was in appèl nog slechts de vraag of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de Whv vast te stellen zonder in dat kader voor [eisers] te voorzien in voor hen integrale vergoeding van de schade (rov. 1.9 van 's Hofs arrest). Aan deze vordering is ten grondslag gelegd dat zij varkensrechten hadden althans dat hen deze rechten in strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM integraal zijn ontnomen (rov. 1.10).

3. Volgens het in cassatie bestreden arrest van het Hof 's-Gravenhage van 21 december 2006 heeft het Hof ten aanzien van [eiser 2] en [eiser 3] geoordeeld dat de Whv hun gebruiksmogelijkheden van grondgebonden mestproductierechten beperkt. Van een "excessive burden" is evenwel geen sprake (rov. 6.1). [Eiser 1] had op de peildatum nog geen mestproductierechten zodat van een regulering, laat staan ontneming geen sprake is (rov. 6.2).

4. 's Hofs hiervoor genoemde oordelen worden in cassatie niet bestreden. Zij kunnen de afwijzing van de vordering zelfstandig dragen, zoals ook de Staat in zijn s.t. - door mr Duysens terecht niet bestreden - opmerkt (s.t. mr Scheltema onder 2.20 e.v.). Het middel richt zijn pijlen immers slechts op rov. 5.1 waar de problematiek van ontneming van eigendom aan de orde wordt gesteld.

5. Evenmin wordt bestreden de afhandeling in rov. 7 van het beroep op gewekte verwachtingen of toezeggingen.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisers] wegens gebrek aan belang.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal