Civiel recht overig
Art. 80a lid 1 RO. Contractsoverneming. Feitelijk oordeel. Aan een cassatiemiddel te stellen eisen.
Parket bij de Hoge Raad, 6 september 2013
ECLI:NL:PHR:2013:977 · Parket bij de Hoge Raad · 6 september 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2013-977
Zaakgegevens
Op 6 september 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 september 2013
- Datum publicatie
- 17 oktober 2013
- Zaaknummer
- 13/02544
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:977
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. Contractsoverneming. Feitelijk oordeel. Aan een cassatiemiddel te stellen eisen.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 5 februari 2013
ECLI:NL:GHSHE:2013:557Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 6 september 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:977
Hoge Raad · 18 oktober 2013
ECLI:NL:HR:2013:980Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
Rolnr. 13/02544
Mr M.H. Wissink
Zitting van 6 september 2013
Conclusie inzake:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser tot cassatie,
tegen
[verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
verweerster
Het bij dagvaarding van 3 mei 2103 tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 5 februari 2013. Daarin heeft het hof geoordeeld dat een derde ([betrokkene]) met ingang van 1 augustus 2010 door contractsoverneming als bedoeld in art. 6:159 BW in de plaats is gesteld van [verweerster] als huurder, zodat deze laatste vanaf die datum niet meer jegens verhuurder [eiser] aansprakelijk is voor betaling van de nadien vervallen huurtermijnen.
De twee middelen rechtvaardigen naar mijn mening geen behandeling in cassatie omdat deze klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Het hof heeft in rov. 8.6.1 en 8.6.2 een uitleg gegeven aan artikel 14 van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst en in rov. 8.7.1 en 8.7.2, waartegen de middelen zich richten, geoordeeld dat sprake is van contractsoverneming. Een en ander berust op een waardering van de omstandigheden van het geval, welke als feitelijk van aard aan het hof is overgelaten. De middelen bepleiten in essentie een andere feitelijke beoordeling van de zaak waarvoor in cassatie echter geen plaats is. Het oordeel van het hof kan niet reeds onbegrijpelijk worden genoemd omdat [eiser] een andere beoordeling bepleit.
Ik wijs er verder op dat de middelen een aantal feitelijke standpunten innemen (bijvoorbeeld over het ontbreken van een akte) die niet voor het eerst in cassatie kunnen worden ingenomen. Voor zover de middelen (mede) zijn gebaseerd op in de feitelijke instanties aangevoerde stellingen, dienen zij de vindplaats(en) te vermelden van die stellingen in de stukken van het geding. De middelen voldoen niet aan deze eis. Het cassatieberoep kan naar mijn mening met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk verklaard worden.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G