Civiel recht overig
Cassatie. Verzoek van belanghebbende tot cassatie in belang der wet; niet-ontvankelijkheid. Geen rechtsmiddel…
ECLI:NL:PHR:2014:1818 · Parket bij de Hoge Raad · 26 september 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2014-1818
Zaakgegevens
Op 26 september 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 26 september 2014
- Datum publicatie
- 6 oktober 2014
- Zaaknummer
- 14/04526
- Rechtsgebied
- Civiel recht Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:1818
Samenvatting
Cassatie. Verzoek van belanghebbende tot cassatie in belang der wet; niet-ontvankelijkheid. Geen rechtsmiddel tegen beslissing Regionaal Tuchtcollege Gezondheidszorg op wrakingsverzoek; art. 63 Wet BIG, art. 515 Sv.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 26 september 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:1818
Hoge Raad · 7 november 2014
ECLI:NL:HR:2014:3123Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
Inhoudsopgave
14/04526
Mr. F.F. Langemeijer
26 september 2014
Conclusie inzake het cassatieverzoek van
[verzoeker]
1 De feiten en het procesverloop
De voorgeschiedenis kan worden samengevat als volgt:
a. Ten aanzien van verzoeker, die in loondienst werkzaam was, is de vraag gerezen of sprake was van arbeidsongeschiktheid door ziekte en, zo ja, in welke mate. Verzoeker heeft procedures voor de burgerlijke rechter gevoerd tegen zijn werkgeefster en tegen een keuringsarts.
b. Bij brief van 15 oktober 2013 heeft verzoeker bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam (RTG) een met deze vraag verband houdende klacht ingediend tegen twee bedrijfsartsen.
c. Nadat een plaatsvervangend secretaris van het RTG op 24 oktober 2013 aan verzoeker een formulier had toegezonden waarin onder meer aan verzoeker toestemming werd verzocht voor het ten behoeve van de klachtbehandeling opvragen van medische informatie, heeft verzoeker bij brief van 31 oktober 2013 de voorzitter en de plaatsvervangend secretaris van het RTG gewraakt. Bij brief van 28 november 2013 heeft verzoeker een tweede plaatsvervangend secretaris van het RTG gewraakt.
d. Bij beslissing van 10 december 2013 heeft het RTG verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in beide wrakingsverzoeken.
e. Bij brief van 30 december 2013 heeft verzoeker zich gewend tot de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) met het verzoek de onder d genoemde beslissing van het RTG in cassatie te vernietigen. Blijkens een schrijven van 6 januari 2014 namens de voorzitter van de Afdeling aan verzoeker, heeft de ABRvS zich onbevoegd geacht van dat verzoek kennis te nemen.
Bij brief van 5 maart 2014 heeft verzoeker zijn cassatieverzoek d.d. 30 december 2013 voorgelegd aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad. De procureur-generaal heeft hem te kennen gegeven geen beroep in cassatie in het belang der wet te zullen instellen. Overeenkomstig de wens van verzoeker is zijn verzoekschrift doorgezonden aan de (griffier van de) Hoge Raad. In de daarop gevolgde correspondentie heeft verzoeker aangedrongen op een uitspraak van de Hoge Raad.
2 Bespreking van het cassatieverzoek
Ingevolge het bepaalde in art. 63 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) kan een lid van het tuchtcollege, dat voor de behandeling van een zaak zitting heeft, worden gewraakt indien te zijnen aanzien feiten of omstandigheden bestaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De artikelen 512 - 524 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zijn van overeenkomstige toepassing. Art. 515 lid 5 Sv bepaalt dat tegen de beslissing op het wrakingsverzoek geen rechtsmiddel openstaat. Om deze reden kan verzoeker niet worden ontvangen in zijn verzoek tot cassatie.
Blijkens zijn brief van 1 april 2014 aan de procureur-generaal is verzoeker van mening dat hij, verzoeker, gelet op het bepaalde in art. 75 Wet BIG, beroep in cassatie in het belang der wet kan instellen. Die opvatting berust vermoedelijk op een misverstand: het betreft hier een uitspraak van het RTG. Volgens art. 78 van de Wet op de rechterlijke organisatie kan een beroep in cassatie ‘in het belang der wet’ uitsluitend worden ingesteld door de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Een cassatie ‘in het belang der wet’ brengt bovendien geen wijziging in de rechtstoestand van de betrokken partijen. De verwijzing in diezelfde brief naar het Wrakingsprotocol rechtbanken en gerechtshoven mist doel, reeds omdat dat protocol niet van toepassing is op de procedure bij een tuchtcollege in de gezondheidszorg. Al zou verzoeker op de voet van dat protocol worden aangemerkt als een ‘belanghebbende’, zoals hij betoogt, dan neemt dit niet weg dat volgens de wet tegen de beslissing op het wrakingsverzoek geen rechtsmiddel openstaat.
Indien het cassatieverzoek zou worden opgevat als een hoger beroep tegen de beslissing van het RTG van 10 december 2013, zou het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg de bevoegde appelrechter zijn. Doorzending van het verzoek aan dat college kan, gelet op het vorenstaande, achterwege blijven.
3 Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieverzoek aan de Hoge Raad.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.