Civiel recht overig
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging, schending informatieplicht. Feitelijke grondslag…
Parket bij de Hoge Raad, 14 november 2014
ECLI:NL:PHR:2014:2191 · Parket bij de Hoge Raad · 14 november 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2014-2191
Zaakgegevens
Op 14 november 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 november 2014
- Datum publicatie
- 28 november 2014
- Zaaknummer
- 14/05206
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:2191
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging, schending informatieplicht. Feitelijke grondslag. Ontoelaatbaar feitelijk novum.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 14 november 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:2191
Uitspraak · 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:7800Hoge Raad · 23 januari 2015
ECLI:NL:HR:2015:117Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
|
14/05206 |
Mr. L. Timmerman |
|
Zitting 14 november 2014 |
|
|
Conclusie inzake: |
|
|
[verzoeker], verzoeker tot cassatie, |
|
|
(hierna: [verzoeker]). |
|
1. De rechtbank Midden-Nederland (locatie Lelystad) heeft bij vonnis van 5 september 2014 de schuldsaneringsregeling, die op 14 augustus 2012 ten aanzien van [verzoeker] van toepassing was verklaard, op voordracht van de rechter-commissaris tussentijds beëindigd. Dit vonnis werd bekrachtigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) bij arrest van 9 oktober 2014. Het hof overwoog kort gezegd dat [verzoeker], hoewel hij herhaaldelijk daartoe in de gelegenheid is gesteld door de bewindvoerder, de rechter-commissaris en de rechtbank, tardieve en/of gebrekkige informatie heeft verstrekt, onder meer over de waarde van zijn auto, een door hem betaald bedrag aan de ziektekostenverzekering, gemaakte telefoonkosten en over een tweede bankrekening. [verzoeker] is hiermee toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieverplichtingen, welke tekortkomingen voldoende ernstig zijn om beëindiging van de schuldsaneringsregeling te rechtvaardigen, aldus het hof (rov. 3.5 t/m 3.7).
2 In het door [verzoeker] op 16 oktober 2014 – derhalve tijdig – ingediende cassatieverzoekschrift wordt betoogd dat het oordeel van het hof onjuist en/of onbegrijpelijk is omdat het berust op indrukken en verwachtingen in plaats van op feiten (onderdeel 1), [verzoeker] geen verwijt kan worden gemaakt, mede vanwege zijn medische problematiek (onderdeel 2), en het hof ten onrechte voorbij zou zijn gegaan aan een grief (onderdeel 3).
3 Deze in cassatie geponeerde klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden omdat zij feitelijke grondslag missen. Onderdeel 1 miskent dat het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op concrete tekortkomingen in de nakoming van [verzoeker]’s informatieverplichtingen. Het hof heeft deze feiten in rov. 3.5 van zijn arrest vastgesteld. Onderdeel 2 gaat ten onrechte uit van de veronderstelling dat [verzoeker] niet is tekortgeschoten in de nakoming van enige informatieverplichting. Zo betoogt het onderdeel dat [verzoeker] niet kan worden verweten dat zijn email aan de bewindvoerder van 4 september 2014 met 86 bijlagen niet door de servers van de bewindvoerder is geaccepteerd (cassatieverzoekschrift, p. 7), waarmee over het hoofd wordt gezien dat [verzoeker] deze email na het verstrijken van de daartoe gestelde termijn heeft verzonden. Voor het overige berust het onderdeel op een ontoelaatbaar novum aangezien in feitelijke instanties niet de stelling is betrokken dat de medische situatie van [verzoeker] de verwijtbaarheid van de geconstateerde tekortkomingen wegneemt. Onderdeel 3 refereert aan een grief die betrekking heeft op het nakomen van de informatieverplichtingen en de gronden voor tussentijdse beëindiging, welke onderwerpen wel degelijk door het hof zijn beoordeeld.
Ik concludeer daarom tot toepassing van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G