Civiel recht overig
Cassatie. Verzet tegen HR 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3123 niet-ontvankelijk.
ECLI:NL:PHR:2014:2963 · Parket bij de Hoge Raad · 23 december 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2014-2963
Zaakgegevens
Op 23 december 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 december 2014
- Datum publicatie
- 20 februari 2015
- Zaaknummer
- 14/04526
- Rechtsgebied
- Civiel recht Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:2963
Samenvatting
Cassatie. Verzet tegen HR 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3123 niet-ontvankelijk.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 23 december 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:2963
Hoge Raad · 20 februari 2015
ECLI:NL:HR:2015:419Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
14/04526 Mr. F.F. Langemeijer
23 december 2014 Conclusie inzake het verzetschrift van
[verzoeker]
1. Bij uitspraak van 10 december 2013 heeft het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam [verzoeker], thans opposant, niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoeken. Art. 515 lid 5 Sv, dat in art. 63 Wet BIG van overeenkomstige toepassing is verklaard, bepaalt dat tegen de beslissing op het wrakingsverzoek geen rechtsmiddel openstaat. Bij beschikking van 7 november 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3123) heeft de Hoge Raad hem dan ook niet-ontvankelijk verklaard in zijn tegen die uitspraak gericht cassatieberoep.
2. Bij verzetschrift d.d. 20 november 2014, niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, heeft opposant te kennen gegeven verzet te willen instellen tegen de beschikking van de Hoge Raad van 7 november 2014. In dit verzet kan opposant niet worden ontvangen, reeds omdat de wet daarvoor geen grondslag biedt. De verwijzing in de eerste alinea van het verzetschrift naar art. 143 Rv mist doel, omdat die bepaling niet van toepassing is. Zij heeft uitsluitend betrekking op de gedaagde in een civiele procedure die bij verstek is veroordeeld.
3. Om deze reden behoeven de verdere stellingen en klachten in het verzetschrift geen bespreking. Het standpunt (onder 9) dat de Hoge Raad in zijn beschikking van 7 november 2014 art. 515 lid 5 Sv buiten beschouwing had moeten laten wegens strijdigheid met art. 6 en/of art. 13 EVRM, leidt niet tot de gevolgtrekking dat nu tegen de uitspraak van de Hoge Raad het rechtsmiddel van verzet openstaat. Art. 6 en art. 13 EVRM geven een aanspraak op toegang tot de rechter in de gevallen waarop die verdragsbepalingen van toepassing zijn; niet zonder meer aanspraak op een rechtsmiddel indien de rechter eenmaal uitspraak heeft gedaan.
4. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzet.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. – g.