Civiel recht overig
Cassatie; art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de…
Parket bij de Hoge Raad, 13 november 2015
ECLI:NL:PHR:2015:2686 · Parket bij de Hoge Raad · 13 november 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2015-2686
Zaakgegevens
Op 13 november 2015 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 november 2015
- Datum publicatie
- 18 februari 2016
- Zaaknummer
- 15/05080
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2015:2686
Samenvatting
Cassatie; art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad.
Procesgang
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 21 juli 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:5537Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 13 november 2015deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2015:2686
Hoge Raad · 19 februari 2016
ECLI:NL:HR:2016:285Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
15/05080
Mr. F.F. Langemeijer
13 november 2015
Conclusie inzake:
[verzoeker 1] en [verzoekster 2]
tegen
Liander Infra Oost N.V.
1. Op 21 juli 2015 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden arrest gewezen op het hoger beroep van [verzoeker 1] en [verzoekster 2] (hierna: verzoekers) tegen vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland (sector kanton, locatie Leeuwarden) van 20 augustus 2013 en 7 januari 2014.
2. Bij brief van 14 oktober 2015 hebben verzoekers zich gewend tot de Hoge Raad met het verzoek genoemd arrest van 21 juli 2015 te vernietigen, met verdere beslissingen als in die brief vermeld. Het verzoekschrift is niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad.
3. De griffier van de Hoge Raad heeft bij brief van 23 oktober 2015 verzoekers gewezen op de noodzaak van procesvertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad en hen in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen 14 dagen te herstellen. Van deze gelegenheid hebben verzoekers geen gebruik gemaakt. Bij brief van 29 oktober 2015 hebben zij de griffier laten weten dat zij geen advocaat bij de Hoge Raad bereid hebben gevonden voor hen cassatieberoep in te stellen. Zij verzoeken de Hoge Raad niettemin te worden toegelaten tot het geding in cassatie.
4. Aan dit laatste verzoek kan geen gevolg worden gegeven. De wet, art. 426a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, schrijft ondertekening van het cassatieverzoekschrift door een advocaat bij de Hoge Raad voor. Het argument dat verzoekers geen advocaat bereid hebben gevonden kan de wettelijke bepalingen over verplichte procesvertegenwoordiging niet opzij zetten. Bovendien kan de Deken van de Orde van Advocaten op grond van art. 13 Advocatenwet een advocaat aanwijzen, tenzij er gegronde redenen zijn om dit niet te doen.
Opmerking verdient nog dat het beroep in cassatie tegen een beslissing zoals het onderhavige arrest van het hof bij dagvaarding moet worden ingesteld.
5. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a - g