Insolventierecht
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging. Schending EVRM?
Parket bij de Hoge Raad, 29 januari 2016
ECLI:NL:PHR:2016:203 · Parket bij de Hoge Raad · 29 januari 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/insolventierecht/ecli-nl-phr-2016-203
Zaakgegevens
Op 29 januari 2016 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 29 januari 2016
- Datum publicatie
- 8 april 2016
- Zaaknummer
- 15/05603
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2016:203
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging. Schending EVRM?
Procesgang
Uitspraak · 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:4864Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 29 januari 2016deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2016:203
Hoge Raad · 8 april 2016
ECLI:NL:HR:2016:611Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 15/005603 |
Mr. L. Timmerman |
|
Parket 29 januari 2016 |
|
|
Conclusie inzake |
|
|
[verzoekster] |
|
|
(hierna: [verzoekster] ) |
|
1. Ten aanzien van [verzoekster] is bij vonnis van 12 november 2012 van de rechtbank Zeeland-West Brabant de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Bij vonnis van 8 oktober 2015 heeft diezelfde rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder tussentijds beëindigd. In het tegen dat vonnis door [verzoekster] ingestelde hoger beroep heeft het hof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 26 november 2015 het bestreden vonnis bekrachtigd. Tegen die laatstgenoemde beslissing is het – tijdig ingestelde – cassatieberoep gericht.
2. De kernklacht uit het cassatieverzoekschrift is, kort gezegd, dat het hof heeft nagelaten ambtshalve te onderzoeken of het oordeel dat de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd moet worden schending oplevert van de artikelen 3, 5 lid 1, 6 en 8 EVRM. Van een dergelijke schending zou sprake zijn omdat [verzoekster] tot het moment waarop zij een nieuwe aanvraag voor toepassing van de schuldsaneringsregeling kan doen, zonder tussentijds beoordelingsmoment in een uitzichtloze financiële positie wordt geplaatst. Deze klacht is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting. Het hof is immers (in beginsel) niet gehouden om de genoemde bepalingen uit het EVRM ambtshalve toe te passen. Daarbij hoefde het hof de stelling van [verzoekster] dat de rechtbank “ten onrechte van oordeel [is] dat het door appellante niet nakomen van de verplichtingen een dusdanige tekortkoming is, dat dit dient te leiden tot een tussentijdse beëindiging” niet aldus te begrijpen dat hiermee een beroep op de hiervoor aangehaalde artikelen uit het EVRM werd gedaan.
3. De klacht gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.5.3 dat [verzoekster] een zodanig ernstig verwijt valt te maken dat dit moet leiden tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling, faalt. De slotsom waartoe het hof komt is – in het licht van de in cassatie niet bestreden en dus vaststaande tekortkomingen van [verzoekster] (zie rov. 3.5.2) – onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd.
4. Met de laatste twee alinea’s van het cassatieverzoekschrift wordt kennelijk bedoeld een klacht te formuleren tegen het oordeel van het hof in rov. 3.5.3 dat de omstandigheid dat [verzoekster] thans wel zou voldoen aan haar informatieverplichting tardief is. Deze klacht is echter onbegrijpelijk. In ieder geval valt niet in te zien wat er valt af te dingen op het oordeel van het hof dat het thans voldoen aan de informatieverplichting de eerdere tekortkoming op dat punt niet ongedaan maakt.
5. De klachten kunnen in het licht van het bovenstaande klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G