Insolventierecht

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging. Schending EVRM?

Zaakgegevens

Op 8 april 2016 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
8 april 2016
Datum publicatie
8 april 2016
Zaaknummer
15/05603
Procedure
Cassatie
Advocaat
mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:611
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging. Schending EVRM?

Procesgang

  1. Uitspraak · 2015

    ECLI:NL:GHSHE:2015:4864
  2. Conclusie A-G · 29 januari 2016

    ECLI:NL:PHR:2016:203
  3. Hoge Raad · 8 april 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2016:611

    Conclusie gevolgd · Niet ontvankelijk

Uitspraak

Inhoudsopgave

8 april 2016

Eerste Kamer

15/05603

EV/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[verzoekster],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.

Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak C/02/12/956 R van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 oktober 2015;

b. het arrest in de zaak 200.178.698/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 26 november 2015.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal 2-5).

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 8 april 2016.