Insolventierecht
Faillissementsrecht. Rechtspersonenrecht. Overgang rechtsverhouding door afsplitsing (art. 2:334a lid 3 BW)…
Hoge Raad, 3 juli 2026
ECLI:NL:HR:2026:1147 · Hoge Raad · 3 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/insolventierecht/cassatie/ecli-nl-hr-2026-1147
Zaakgegevens
Op 3 juli 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 3 juli 2026
- Datum publicatie
- 2 juli 2026
- Zaaknummer
- 25/01509
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- H.J.W Alt, A.G. Colenbrander
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1147
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Faillissementsrecht. Rechtspersonenrecht. Overgang rechtsverhouding door afsplitsing (art. 2:334a lid 3 BW) en cessie; nauwkeurigheid beschrijving vermogen (art. 2:334f lid 2 onder d BW). Belang bij cassatieberoep. Samenhang met zaak 25/01510.
Procesgang
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 23 november 2022
ECLI:NL:RBZWB:2022:6969Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 21 januari 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:116Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 17 april 2026
ECLI:NL:PHR:2026:414Hoge Raad · 3 juli 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1147
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/01509
Datum 3 juli 2026
ARREST
In de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: [eiseres] ,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
CUMBERLAND INVESTMENTS DESIGNATED ACTIVITY COMPANY,
gevestigd te Dublin, Ierland,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: Cumberland,
advocaat: A.G. Colenbrander.
1 Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/02/391162 / HA ZA 21-622 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 maart 2022 en 23 november 2022;
b. het arrest in de zaak 200.323.565/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 januari 2025.
[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Cumberland heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Cumberland mede door M.D.C. Klaassen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.
De advocaat van [eiseres] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Uitgangspunten en feiten
Beide partijen hebben in het faillissement van Triskalion B.V. vorderingen ter verificatie ingediend. Zij betwisten over en weer elkaars vorderingen. Deze renvooiprocedure gaat over de vorderingen van Cumberland. Ook over de vorderingen van [eiseres] is een renvooiprocedure aanhangig. Daarin doet de Hoge Raad vandaag eveneens uitspraak (zaak 25/01510).
3 Beoordeling van het middel in het principale beroep
Bij arrest van heden verwerpt de Hoge Raad het cassatieberoep van [eiseres] in de zaak 25/01510. Daarmee staat onherroepelijk vast dat [eiseres] geen schuldeiser is in het faillissement van Triskalion B.V. Dit brengt mee dat [eiseres] geen belang heeft bij het cassatieberoep in de onderhavige zaak. Voor zover het middel vragen van Unierecht oproept, zijn deze daarmee niet relevant voor de uitkomst van het geding.
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer van de in het principale beroep aangevoerde klachten slagen, behoeft gelet op hetgeen hiervoor in 3.1 is overwogen geen behandeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het principale beroep;
- veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Cumberland begroot op € 8.508,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 3 juli 2026.