Internationaal privaatrecht
Prejudiciële vragen. Internationaal privaatrecht. Internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter om…
ECLI:NL:PHR:2026:842 · Parket bij de Hoge Raad · 4 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/internationaal-privaatrecht/ecli-nl-phr-2026-842
Zaakgegevens
Op 4 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over internationaal privaatrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 september 2026
- Datum publicatie
- 2 september 2026
- Zaaknummer
- 25/04418
- Rechtsgebied
- Civiel recht Internationaal privaatrecht
- Advocaat
- R.L.M.M Tan, M.E. Bruning
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:842
Samenvatting
Prejudiciële vragen. Internationaal privaatrecht. Internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter om beslissing te geven op grond van art. 431 lid 2 Rv. Betekenis van HvJ EU 7 april 2022, C-568/20, ECLI:EU:C:2022:264 (J/H Limited). Vereiste belang bij beslissing in Nederland.
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/04418
Zitting 4 september 2026
CONCLUSIE OVER PREJUDICIËLE VRAGEN
G. Snijders
In de zaak
Omni Bridgeway S.A.,
oorspronkelijk eiseres, nu gedaagde in verzet, in de procedure bij de rechtbank,
advocaat: R.L.M.M. Tan,
tegen
1. [verweerder 1]
2. Ampalu Investment GmbH
oorspronkelijk gedaagden, nu eisers in verzet, in de procedure bij de rechtbank,
advocaat: M.E. Bruning.
Partijen worden hierna aangeduid als enerzijds Omni Bridgeway en anderzijds [verweerder 1] en Ampalu, tezamen [verweerders]
1 Inleiding
In deze zaak heeft de rechtbank prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in een geding op de voet van art. 431 lid 2 Rv. In een dergelijk geding kan een partij die een voor haar gunstige veroordeling heeft verkregen van een buitenlandse rechter welke veroordeling niet krachtens de wet of een verdrag voor tenuitvoerlegging in Nederland in aanmerking komt, vorderen dat haar wederpartij wordt veroordeeld tot hetgeen waartoe die partij in de buitenlandse beslissing reeds is veroordeeld. De eerste vraag die de rechtbank heeft gesteld, is of de Nederlandse rechter op grond van die bepaling internationaal bevoegd is om van een dergelijke vordering kennis te nemen, wanneer geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer bestaan, afgezien van de ingestelde vordering. De tweede vraag is of al voldoende belang bij een dergelijk vordering bestaat als de eiser de buitenlandse beslissing alvast erkend wenst te krijgen voor het geval dat zich in de toekomst vermogensbestanddelen van de wederpartij in Nederland bevinden.
Bij het stellen van de vragen heeft de rechtbank in aanmerking genomen – en de Hoge Raad voorgehouden – dat het Hof van Justitie EU in zijn arrest van 7 april 2022 in de zaak J/H Limited heeft geoordeeld dat een betalingsbevel dat door een gerecht van een lidstaat is afgegeven op grond van een in een derde staat gewezen definitief vonnis, een beslissing vormt in de zin van art. 2 onder a Brussel I-bis en daarom in andere lidstaten uitvoerbaar is. Volgens de rechtbank is het belang van de gestelde vragen met dit arrest toegenomen, omdat dit arrest zou kunnen meebrengen dat een beslissing in een geding op de voet van art. 431 lid 2 Rv in andere lidstaten ten uitvoer kan worden gelegd, terwijl in die andere lidstaten mogelijk strengere eisen aan de erkenning en tenuitvoerlegging van buiten de EU gegeven beslissingen worden gesteld, welke eisen aldus zouden worden omzeild.
2 Feiten en procesverloop
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.
(i) De U.S. Bankruptcy Court for the District of Delaware heeft [verweerders] ieder veroordeeld tot betaling van USD 16.820.233,84 in verband met het faillissement van Jumio Inc. Ampalu is daartoe veroordeeld bij vonnis van 25 februari 2021 en [verweerder 1] bij vonnis van 14 januari 2021 (hierna ook: ‘de Amerikaanse vonnissen').
(ii) Geen van partijen heeft de Nederlandse nationaliteit, geen van partijen is in Nederland gevestigd en er zijn tussen partijen geen andere procedures in Nederland aanhangig. Op het moment dat deze zaak aanhangig werd gemaakt bij de rechtbank, waren er geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat zich in de toekomst een vermogensbestanddeel van [verweerders] in Nederland zal bevinden waarop Omni Bridgeway het vonnis ten uitvoer kan leggen.
Bij de deze procedure inleidende dagvaarding van 30 augustus 2024 heeft Omni Bridgeway [verweerders] gedagvaard voor de rechtbank Den Haag en gevorderd dat [verweerders] worden veroordeeld tot hetgeen waartoe zij al zijn veroordeeld in de Amerikaanse vonnissen, op grond van art. 431 lid 2 Rv en de Gazprombank-jurisprudentie (een zogenaamd ‘verkapt exequatur').
Bij vonnis van 30 oktober 2024 heeft de rechtbank [verweerders] bij verstek veroordeeld tot betaling van USD 16.820.233,84, conform de Amerikaanse vonnissen.
Bij dagvaarding van 10 februari 2025 hebben [verweerders] verzet ingesteld tegen het verstekvonnis van de rechtbank. Voor zover in deze prejudiciële procedure van belang, hebben [verweerders] daarbij een incident opgeworpen dat ertoe strekt dat de rechtbank verklaart dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om van de vordering van Omni Bridgeway kennis te nemen.
Bij vonnis van 4 juni 2025 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over haar voornemen om zich overeenkomstig art. 72 Rv onbevoegd te verklaren, omdat art. 989 lid 1 Rv bepaalt dat een bij verstek gegeven verlof tot tenuitvoerlegging van een buitenlands vonnis niet vatbaar is voor verzet. Nadat partijen zich daarover hadden uitgelaten, is de rechtbank van dat voornemen teruggekomen.
Bij vonnis van 13 augustus 2025 heeft de rechtbank het voornemen kenbaar gemaakt om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad en partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over dit voornemen en de te stellen vragen. De rechtbank heeft haar voornemen in het vonnis als volgt toegelicht (de voetnoten van de rechtbank zijn in dit citaat weggelaten en er is een voetnoot toegevoegd):
“Toepasselijk recht
Partijen zijn het er niet over eens of de Brussel I bis-Verordening op hun zaak van toepassing is. Eiseres meent op grond van het Owens Bank-arrest dat dit niet zo is; gedaagden menen dat dit wel zo is omdat sprake is van een burgerlijke of handelszaak.
De rechtbank is van oordeel dat de Brussel I bis-Verordening niet op deze zaak van toepassing is. Het Hof van Justitie heeft in het Owens Bank-arrest bepaald dat een actio iudicati buiten het toepassingsbereik van het EEX-verdrag valt; het EEX-Verdrag is de voorloper van de Brussel I bis-Verordening.
De eventuele rechtsmacht in deze zaak wordt ook niet bestreken door andere verordeningen of verdragen. De rechtbank moet daarom nagaan of zij internationaal bevoegd is op grond van een regel van het commune internationale bevoegdheidsrecht.
De artikelen 1-14 Rv bieden geen grondslag voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter: gedaagden zijn woonachtig/gevestigd in Oostenrijk; de vordering is gebaseerd op een onrechtmatige daad die in de Verenigde Staten is gepleegd en ook de gevolgen hebben zich daar voorgedaan. Verder is geen sprake van connexiteit met een ander in Nederland aanhangig geding of een (al dan niet stilzwijgende) forumkeuze. De zaak wordt ook niet bestreken door artikel 985 Rv, omdat de twee Amerikaanse vonnissen niet uitvoerbaar zijn in Nederland op grond van enig verdrag of enige wet. Beslissend is daarom of de rechtbank in deze zaak rechtsmacht heeft op grond van artikel 431 lid 2 Rv.
Rechtsmacht op grond van art. 431 lid 2 Rv?
De vordering van eiseres is aanvankelijk toegewezen bij verstek. Uit de dagvaarding leek men te kunnen opmaken dat bij de verweten onrechtmatige gedragingen in de Verenigde Staten ook een aan gedaagden gelieerde Nederlandse rechtspersoon betrokken was geweest, maar gedaagden hebben dit gemotiveerd weersproken en eiseres heeft hierop niet meer gereageerd. Tijdens de zitting heeft eiseres toegelicht dat zij een titel in Nederland wil verkrijgen voor het geval dat zich hier in de toekomst een mogelijkheid voor tenuitvoerlegging voordoet. Deze mogelijkheid is op dit moment echter nog puur theoretisch; gedaagden hebben op dit moment geen activiteiten, vermogensbestanddelen, andere belangen in of band met Nederland.
Eiseres meent echter dat artikel 431 lid 2 Rv ook rechtsmacht creëert in situaties waarin buiten de vordering tot tenuitvoerlegging zelf geen enkel aanknopingspunt met de Nederlandse rechtssfeer bestaat. Zij baseert dit standpunt op de conclusie van A-G Vlas voor het Gazprombank-arrest.
Gedaagden bestrijden dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt op grond van artikel 431 lid 2 Rv, omdat eiseres de Amerikaanse vonnissen volgens hen niet in Nederland ten uitvoer wil leggen, maar in Oostenrijk.
De rechtbank constateert dat uit een in 2017 uitgevoerd WODC-onderzoek is gebleken dat er in de rechtspraktijk en juridische literatuur verschillend over deze kwestie wordt gedacht. Het WODC-rapport vermeldt daarover onder meer het volgende:
Een eerste knelpunt dat het onderzoek aan het licht heeft gebracht betreft de vraag of, en zo ja op welke gronden, de Nederlandse rechter rechtsmacht mag aannemen in een geding dat op de voet van artikel 431 lid 2 Rv opnieuw bij de Nederlandse rechter wordt aangebracht en afgedaan. In de rechtspraak en de literatuur worden verschillende opvattingen verdedigd. Onderscheid wordt gemaakt tussen de situatie a) waarin de eiser uitsluitend veroordeling vordert conform hetgeen in het buitenlandse vonnis is bepaald en de situatie b) waarin meer wordt gevorderd, dan wel waarin de vordering strekt tot een nieuwe inhoudelijke beoordeling van het geschil. Overigens komen beide situaties ook in een en dezelfde procedure voor, omdat primair veroordeling conform het buitenlandse vonnis wordt gevraagd en subsidiair, voor het geval erkenning van het buitenlandse vonnis in Nederland niet mogelijk is, een nieuwe inhoudelijke beoordeling van het geschil. In dat geval wordt van de Nederlandse rechter ten aanzien van de primaire en subsidiaire vordering steeds een afzonderlijke beoordeling van zijn rechtsmacht verlangd.
De Nederlandse literatuur en jurisprudentie geeft geen eenduidig antwoord op de vraag wanneer de Nederlandse rechter bevoegdheid toekomt ter zake van een actio iudicati (situatie a). Dit leidt tot rechtsonzekerheid, die ook uit de afgenomen interviews naar voren is gekomen. Het is derhalve wenselijk duidelijk te formuleren in welke gevallen de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in de situatie dat de vordering van eiser strekt tot veroordeling conform hetgeen in het buitenlandse vonnis is bepaald.
De vraag rijst of de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in dit opzicht aan voorwaarden
zou moeten worden gebonden. Denkbaar is bijvoorbeeld als voorwaarde op te nemen dat de Nederlandse rechter uitsluitend bevoegd is wanneer de eiser belang heeft bij een actio iudicati, zonder dit belang nader concreet in te vullen. Een dergelijke formulering zorgt ervoor dat de Nederlandse rechter altijd bevoegd is in gevallen waarin een partij belang heeft bij erkenning en tenuitvoerlegging van een buitenlands vonnis in Nederland. Daarnaast komt het tegemoet aan de door een aantal geïnterviewde advocaten en rechters geuite vrees dat
eisers een Nederlandse executoriale titel zullen verkrijgen terwijl er geen vermogen in Nederland is, of binnen afzienbare tijd zal zijn, dat verhaal biedt. In die omstandigheden zou
een dergelijke procedure kosten meebrengen voor de gedaagde, of wanneer deze er vanaf
ziet om zich in de art. 431 lid 2 Rv procedure te verweren, mogelijk een belemmering vormen om zaken te doen in Nederland. Andere geïnterviewde advocaten zagen daarentegen geen bezwaar in een onbeperkte rechtsmacht. Dit zou echter wel een grotere belasting van de rechterlijke macht in Nederland – namelijk ook ten aanzien van de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen waarbij nu nog geen, maar mogelijk in de toekomst wel belang in Nederland bestaat – met zich kunnen brengen.
Denkbaar is voorts om – bij wijze van concrete invulling van de hiervoor geformuleerde belang-eis – alleen bevoegdheid aan de Nederlandse rechter toe te kennen wanneer de gedaagde in Nederland woonplaats heeft of wanneer zich vermogensbestanddelen in Nederland bevinden waarop eiser zich wenst te verhalen. Een dergelijke regel sluit aan bij de regelingen van de meeste van de vergeleken landen.
De WODC-onderzoekers merken op dat het stelsel, zoals dat door de Hoge Raad in de Gazprombank-jurisprudentie is geformuleerd, rechtsvergelijkend bezien niet uit de toon valt, maar dat de praktische invulling van dit stelsel desondanks op een aantal punten tot rechtsonzekerheid leidt. De onderzoekers benoemen onder meer dat de grondslag van het door de Hoge Raad geformuleerde stelsel voor de praktijk onvoldoende duidelijk is.
De kwestie lijkt door het H Limited-arrest prangender te zijn geworden. Het Hof van Justitie heeft in dit arrest namelijk bevestigd dat een uitspraak van een gerecht van een lidstaat waarbij een actio iudicati terzake een uit een derde staat afkomstig veroordelend vonnis is toegewezen, een beslissing is die op de voet van artikel 39 van de Brussel I bis-Verordening in andere lidstaten uitvoerbaar is. Een na de beperkte Gazprom-toets erkend vonnis van een rechter uit een derde land kan via het Nederlandse vonnis dus eenvoudig ten uitvoer worden gelegd in de overige EU-lidstaten.
In vervolg op het WODC-rapport heeft de Minister de Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht advies gevraagd over herziening van artikel 431 Rv. In het advies van de Staatscommissie staat onder meer het volgende:
De weigeringsgronden [uit de Gazprombank-jurisprudentie, Rb] vormen een gesloten systeem, in die zin dat geen andere eisen aan de inhoud en/of wijze van totstandkoming van
buitenlandse vonnissen worden gesteld dan volgt uit de weigeringsgronden. Dat laat echter onverlet:
(a) dat in de context van een Nederlandse procedure, de nieuwe exequaturprocedure (...) daaronder begrepen, de Nederlandse processuele eisen gelden. Erkenning van een buitenlands vonnis kan dan ook worden geweigerd op – bijvoorbeeld – de grond dat de desbetreffende partij daarbij onvoldoende belang heeft in de zin van artikel 3:303 BW of misbruik van procesrecht maakt; en
(b) dat ten aanzien van buitenlandse veroordelende vonnissen, waarvoor tenuitvoerlegging noodzakelijk is, ook de (...) hierna te bespreken eis inzake uitvoerbaarheid geldt.
en verderop:
De Hoge Raad heeft bepaald dat de Nederlandse rechter onder alle omstandigheden bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek tot exequaturverlening van een buitenlands arbitraal vonnis gelet op artikel 3 sub c Rv, nu – kort gezegd – een dergelijk verzoek naar zijn aard voldoende met de Nederlandse rechtssfeer is verbonden (HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1077, NJ 2015/453 m.nt. L. Strikwerda; HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1194, NJ 2015/454 m.nt. L. Strikwerda). De Staatscommissie meent echter dat een voldoende band met de Nederlandse rechtssfeer uit meer dient te bestaan dan uitsluitend het verzoeken van een exequatur in Nederland. De verzoeker dient te stellen (en aannemelijk te maken) dat een voldoende band met de Nederlandse rechtssfeer bestaat om alhier tenuitvoerlegging te kunnen verzoeken. Een dergelijke band met de Nederlandse
rechtssfeer zal in de regel erin bestaan dat vermogen in Nederland aanwezig is, dan wel in
de toekomst zal zijn. Voldoende band met de Nederlandse rechtssfeer kan immers ook bestaan in mogelijk toekomstige in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen (bijvoorbeeld een schip dat in aantocht is, vergelijk artikel 728 lid 1 Rv). Kortom: voor artikel 3 sub c Rv dient de band met de Nederlandse rechtssfeer in bovenstaande zin te worden opgevat. Het verdient de voorkeur een bijzondere (internationale bevoegdheids)regel met deze strekking op te nemen in de afdeling die ziet op de nieuwe exequaturprocedure.
De rechtbank ziet niet direct hoe het aannemen van rechtsmacht in een zaak waarin geen enkele binding bestaat met de Nederlandse rechtssfeer past binnen de internationaal geaccepteerde beginselen voor het aannemen van rechtsmacht. Feitelijk zou langs deze weg door een eenzijdige forumkeuze van de eiser rechtsmacht voor de Nederlandse rechter kunnen worden gecreëerd. Ook lijkt het vanuit Unierechtelijk perspectief discutabel dat men de hogere eisen aan erkenning en tenuitvoerlegging die in sommige andere lidstaten gelden, zou kunnen omzeilen door een vordering in Nederland in te dienen.
Ook wetssystematisch bezien is het niet vanzelfsprekend dat artikel 431 lid 2 Rv – dat over gerechtelijke tenuitvoerlegging gaat – ook rechtsmacht voor de Nederlandse rechter zou creëren wanneer er geen aanleiding is om aan te nemen dat tot tenuitvoerlegging in Nederland kan worden gekomen.”
Partijen hebben zich vervolgens uitgelaten over het voornemen tot het stellen van prejudiciële vragen. Voor zover voor deze prejudiciële procedure van belang, heeft Omni Bridgeway daarbij informatie in het geding gebracht waaruit volgens haar blijkt dat deze zaak wel aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer heeft en de rechtbank verzocht om terug te komen van haar oordeel dat er in deze zaak geen enkele band met de Nederlandse rechtssfeer bestaat.
Bij vonnis van 26 november 2025 heeft de rechtbank de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:
“1. Creëert artikel 431 lid 2 Rv rechtsmacht voor de Nederlandse rechter als er op het moment dat de procedure in eerste aanleg aanhangig wordt gemaakt geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer bestaan – afgezien van de vordering tot veroordeling van gedaagden tot hetgeen waartoe zij bij buitenlands vonnis zijn veroordeeld?
2. Als het antwoord op de vorige vraag ja is, is dan sprake van een voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW bij een vordering op grond van artikel 431 lid 2 Rv als het belang van de eisende partij gelegen is in de wens het buitenlandse vonnis alvast erkend te krijgen voor het geval dat zich in de toekomst een vermogensbestanddeel van gedaagden in Nederland zal bevinden waarop de eisende partij het vonnis dan ten uitvoer zou kunnen leggen?”
Over het hiervoor in 2.7 genoemde verzoek van Omni Bridgeway om terug te komen van haar daar genoemde oordeel heeft de rechtbank in het vonnis overwogen (voetnoten opnieuw weggelaten):
“Verzoek terug te komen op eerder oordeel
Omni Bridgeway heeft bij akte van 15 oktober 2025 informatie in het geding gebracht waaruit volgens haar blijkt dat deze zaak wel aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer heeft: [verweerder 1] zou een bankrelatie hebben met een Nederlandse bank en banden hebben met een Nederlandse rechtspersoon. Ook heeft eiseres executoir beslag gelegd op een dure armband, die van [verweerder 1] zou zijn.
De rechtbank stelt voorop dat voor de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt, het tijdstip waarop de procedure in eerste aanleg aanhangig is gemaakt beslissend is (het perpetuatio fori-beginsel). Latere wijzigingen van de feiten en omstandigheden brengen daarin geen verandering – behoudens uitzonderingen die zich hier niet voordoen.
In deze zaak is de inleidende dagvaarding betekend op 30 augustus 2024; deze datum is dus beslissend voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Eiseres lijkt in haar betoog uit te gaan van de datum waarop de verzetdagvaarding is uitgebracht (10 februari 2025). Een verzetdagvaarding heropent echter slechts de procedure die met de inleidende dagvaarding aanhangig is gemaakt, zodat de met het verstekvonnis geëindigde instantie kan worden voortgezet.
De rechtbank is van oordeel dat alle door eiseres aangevoerde omstandigheden – wat daar verder van zij – van te ver vóór of na 30 augustus 2024 stammen om daar ten tijde van de dagvaarding rechtsmacht aan te kunnen ontlenen. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.
Ten aanzien van één van de bankrekeningen waarop eiseres ten laste van [verweerder 1] beslag heeft gelegd, stelt eiseres dat [verweerder 1] deze ‘tenminste sinds maart 2025 aanhoudt’. Dat [verweerder 1] deze rekening ook al op 30 augustus 2024 aanhield, heeft eiseres niet gesteld: het dossier bevat daarvoor ook geen aanwijzingen.
Ten aanzien van de andere bankrekening stelt eiseres dat [verweerder 1] deze pas in de periode tussen 1 september en 15 oktober 2025 heeft geopend. Op het bestaan van deze nieuwe bankrelatie kon de rechtbank in 2024 ook geen rechtsmacht baseren.
Het feit dat [verweerder 1] in de periode 2021-2022 aandelen had in een Engelse vennootschap met een Nederlandse B.V. als (mede-)aandeelhouder, en dat hij die vennootschap samen met die Nederlandse B.V. bestuurde, is onvoldoende om op 30 augustus 2024 rechtsmacht van de Nederlandse rechter op te baseren. Dat geldt ook voor het feit dat [verweerder 1] (een deel van) zijn aandelen in die Engelse vennootschap in de periode 2021-2022 aan of van die Nederlandse B.V. heeft ver-/gekocht. Deze feiten bieden zonder nadere toelichting namelijk onvoldoende grond voor de aanname dat [verweerder 1] op 30 augustus 2024 nog enige vordering op die Nederlandse B.V. had, waarop Omni Bridgeway zich zou kunnen verhalen.
Het executoriale beslag op de armband is pas op 3 juli 2025 gelegd, vlak voor de aanvang van de mondelinge behandeling van het verzet. Ook als de armband van [verweerder 1] zou blijken te zijn – wat [verweerder 1] gemotiveerd heelt betwist – kan de rechtbank aan dit beslag dus geen rechtsmacht ontlenen.
Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad
(…)
Gelet op de hiervoor genoemde bankrekeningen die [verweerder 1] na 30 augustus 2024 in Nederland heeft geopend kan niet meer worden gezegd dat er in deze zaak “geen enkel” aanknopingspunt met de Nederlandse rechtssfeer bestaat. Eiseres stelt echter dat zij het executoriaal beslag dat zij op 1 september 2025 op een van deze rekeningen had gelegd heeft laten verlopen omdat de kosten van overbetekening en executie hoger waren dan het geraakte bedrag van € 774,01. Toen eiseres op 15 oktober 2025 conservatoir beslag legde onder dezelfde bank, bleek [verweerder 1] daar inmiddels een tweede rekening te hebben; op die nieuwe rekening stond echter € 0.00 en op de eerder beslagen rekening nog slechts € 0,02. Nog los van het feit dat [verweerder 1] betwist dat hij deze bankrekeningen voor zichzelf heeft geopend, is op basis van de stellingen en stukken van eiseres zelf niet aannemelijk dat zij zich op die bankrekeningen kan (en wil) verhalen.
De hierop ziende tweede prejudiciële vraag zal de rechtbank daarom handhaven.”
De Hoge Raad heeft besloten de prejudiciële vragen te beantwoorden. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijke opmerkingen in te dienen, overeenkomstig art. 393 lid 1 Rv, en hebben daarvan gebruik gemaakt. Omni Bridgeway heeft gereageerd op de opmerkingen van [verweerders] hebben niet gereageerd op de opmerkingen van Omni Bridgeway.
3 Bespreking van de vragen
Erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen in Nederland
Art. 431 lid 1 Rv bepaalt dat beslissingen door buitenlandse rechters gegeven niet in Nederland ten uitvoer kunnen worden gelegd, behoudens het bepaalde in de art. 985-994 Rv. Die bepalingen bevatten een procedure voor het verkrijgen van rechterlijk verlof (een exequatur) voor de tenuitvoerlegging van buitenlandse executoriale titels in Nederland als daarvoor een basis in de wet of een verdrag bestaat.
Als een wettelijke of verdragsrechtelijke basis voor tenuitvoerlegging ontbreekt, kan het geding op grond van art. 431 lid 2 Rv opnieuw bij de Nederlandse rechter worden behandeld en afgedaan. Een dergelijk geding mondt uit in een uitspraak van de Nederlandse rechter die als zodanig wel in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd. Op deze manier kan alsnog een voor tenuitvoerlegging vatbare titel in Nederland worden verkregen.
Art. 431 lid 2 Rv dateert inhoudelijk uit 1838 (in 1964 is de tekst van de bepaling aangepast aan de invoering van de toen nieuwe regeling van de art. 985 e.v. Rv, die betrekking heeft op de verlening van een exequatur). In de rechtspraak is deze bepaling aldus uitgelegd dat de Nederlandse rechter in een geding op de voet van deze bepaling dient te beoordelen of en in hoeverre hij, gelet op de omstandigheden van het hem voorgelegde geval, aan een beslissing van de buitenlandse rechter gezag toekent. In het door de rechtbank diverse malen aangehaalde Gazprombank-arrest heeft de Hoge Raad een heel aantal stappen verder gezet door te beslissen dat als aan een viertal in (rov. 3.6.4 van) dat arrest genoemde – hierna in 3.3 weer te geven – voorwaarden is voldaan, de Nederlandse rechter de buitenlandse beslissing moet erkennen en dienovereenkomstig moet beslissen.
Art. 431 lid 2 Rv biedt aan de partij die een gunstige beslissing van een buitenlandse rechter heeft verkregen, twee mogelijkheden. In de eerste plaats kan zij vorderen dat haar wederpartij wordt veroordeeld tot hetgeen waartoe die partij in de buitenlandse beslissing reeds is veroordeeld. Een dergelijke vordering wordt wel aangeduid als een actio iudicati (een vordering ‘uit een vonnis’). Ook in een verzoekschriftprocedure kan om een dergelijke veroordeling worden verzocht.
De Nederlandse rechter dient op grond van het Gazprombank-arrest tot uitgangspunt te nemen dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: (i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, (ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging, (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde, en (iv) de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is. Bij de beoordeling of is voldaan aan de onder (ii) en (iii) genoemde voorwaarden gaat het er niet om of de buitenlandse beslissing juist is, met andere woorden: er is geen plaats voor een zogeheten révision au fond. Tezamen worden deze voorwaarden ook wel aangeduid als de Gazprombank-criteria.
In het geval dat aan de Gazprombank-criteria is voldaan, is de vordering tot veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld, in beginsel toewijsbaar. De beslissing die de Nederlandse rechter dan geeft, wordt vaak aangeduid als een ‘verkapt exequatur’, omdat materieel executoriale rechtskracht wordt toegekend aan de buitenlandse beslissing, op dezelfde wijze als het geval is bij een echt exequatur als hiervoor in 3.1 eerste alinea bedoeld. Het verschil is (slechts) daarin gelegen dat bij een actio iudicati de titel voor tenuitvoerlegging niet het buitenlandse vonnis zelf is, maar het daarop gebaseerde Nederlandse vonnis.
Hiernaast staat het een partij vrij om, al dan niet subsidiair (voor het geval dat niet aan de Gazprombank-criteria is voldaan), de Nederlandse rechter op grond van art. 431 lid 2 Rv om een nieuwe inhoudelijke beoordeling van het geschil te vragen. In dat geval is het aan de rechter om te beoordelen of en, zo ja, welke bewijskracht hij aan de buitenlandse beslissing toekent.
Rechtsmacht m.b.t. art. 431 lid 2 Rv-vordering
De eerste vraag van de rechtbank heeft betrekking op de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van een vordering op grond van art. 431 lid 2 Rv. Voor zover de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet is geregeld in een verdrag of EU-verordening dan wel in een bijzondere wettelijke bepaling, wordt deze geregeld in de algemene bepalingen over rechtsmacht van de art. 1-14 Rv (vgl. art. 1 Rv). De rechtbank heeft blijkens haar hiervoor in 2.6 weergegeven overwegingen tot uitgangspunt genomen dat er geen verdrag of verordening is die voorziet in de bevoegdheid. Dat uitgangspunt wordt gedeeld door de door haar genoemde bronnen (de conclusie van A-G Vlas voor het Gazprombank-arrest, het WODC-rapport uit 2017 en het advies van de Staatscommissie IPR uit 2023). De bevoegdheid van de Nederlandse rechter moet dus worden gevonden in een van de gronden van het commune internationaal bevoegdheidsrecht.
De rechtsleer ziet drie mogelijke gronden voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in dat recht: (a) een van de algemene regels daarvan (zoals die genoemd in de art. 2-14 Rv), (b) art. 431 lid 2 Rv zelf en (c) analoge toepassing van art. 985 Rv.
Onder grond (a) vallen onder meer de bevoegdheid van de rechter van de woonplaats van de verweerder (art. 2 Rv) en, als de verweerder geen bekende woonplaats in Nederland heeft en er geen andere weg is om een executoriale titel in Nederland te verkrijgen, van de plaats waar, zeer kort gezegd, ten laste van de verweerder conservatoir beslag wordt gelegd (art. 10 jo 767 Rv; dit is het zogeheten vreemdelingenbeslag).
Grond (b) spreekt voor zich. Bij deze grond is de Nederlandse rechter in beginsel steeds bevoegd om een beslissing ex art. 431 lid 2 Rv te geven.
Bij grond (c) gaat het om de regel van art. 985 derde zin Rv dat een beslissing kan worden gegeven door de rechter van het arrondissement waar de wederpartij van de verzoeker woonplaats heeft en die van het arrondissement waar de tenuitvoerlegging wordt verlangd. Grond (c) benadert dus grond (a), maar bij grond (c) is geen conservatoir beslag nodig, maar alleen een mogelijk verhaalsobject (waarop dus tenuitvoerlegging wordt verlangd).
Voor het hiervoor in 3.4 genoemde geval dat (subsidiair) een nieuwe inhoudelijke beoordeling van het geschil wordt gevraagd, wordt veelal aangenomen dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter wordt bepaald door de regel die geldt voor de vordering of het geschil ten aanzien waarvan een nieuwe inhoudelijke beoordeling wordt gevraagd. Dat laat zien dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen de hiervoor in 3.3 en 3.4 genoemde gevallen. Dat is logisch, want in het in 3.4 genoemde geval gaat het niet om een (verkapt) exequatur, maar om een nieuwe zaak.
In deze zaak heeft Omni Bridgeway uitsluitend gevorderd dat [verweerders] worden veroordeeld tot hetgeen waartoe zij in de Amerikaanse vonnissen zijn veroordeeld (zie hiervoor in 2.2). Omni Bridgeway streeft in deze procedure dus geen nieuwe inhoudelijke beoordeling na van het geschil door de Nederlandse rechter. Wat in het hiervoor in 3.4 genoemde geval geldt, kan dus verder in het midden blijven in deze zaak.
Oordeel Hoge Raad in Esmil-arresten
Volgens de conclusie van A-G Vlas voor het Gazprombank-arrest, volgt uit de Esmil-arresten van de Hoge Raad uit 1993 dat grond (b) geldt (zie de passage uit de conclusie die de rechtbank aanhaalt in voetnoot 4 van haar vonnis van 13 augustus 2025). In die arresten heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in een geding op grond van art. 431 lid 2 Rv in een geval waarin tevens sprake was van een in Nederland gelegd conservatoir beslag. De relevante feiten van de zaken van de arresten komen op het volgende neer. Esmil had conservatoir derdenbeslag doen leggen onder een in Nederland gevestigde bank ten laste van Enka, haar liquidateurs en een Saudische bank. Vervolgens had Esmil verweerders gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en veroordeling gevorderd tot betaling van een geldbedrag, alsmede vanwaardeverklaring van het door haar gelegde beslag. Enka en de liquidateurs wierpen een incident op dat strekte tot de beslissing dat de Nederlandse rechter onbevoegd was, gelet op de forumkeuze voor de rechter in Saudi-Arabië die in de tussen partijen gesloten overeenkomst was gemaakt. De rechtbank en het hof besliste in die zin. In cassatie betoogde Esmil in haar onderdeel 3 dat het hof had miskend dat in het geval dat een andere weg om een executoriale titel in Nederland te verkrijgen ontbreekt, de vordering in de hoofdzaak en de eis tot vanwaardeverklaring van het ter verzekering van het verhaal van die vordering gelegde conservatoire derdenbeslag ondanks de jurisdictieclausule kunnen worden ingesteld bij de rechtbank waarvan de president het verlof tot het gelegde beslag (of het tegen zekerheidstelling voorkomen of opgeheven beslag) heeft verleend (het forum arresti), welke rechtbank bovendien bevoegd is krachtens art. 126 lid 3 (oud) Rv (het forum actoris) (zie de vaststelling van het betoog van het onderdeel in rov. 3.3.2 van het arrest van de Hoge Raad).
De Hoge Raad overwoog (voetnoot toegevoegd):
“3.3.3 Het betoog van onderdeel 3 kan in zoverre niet worden aanvaard, dat een jurisdictieclausule als de onderhavige, waarbij partijen een buitenlandse rechter bij uitsluiting bevoegd hebben verklaard om kennis te nemen van uit hun overeenkomst voortvloeiende geschillen, in de weg staat aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van een hoofdvordering als hier is ingesteld, ook indien een onherroepelijke uitspraak van die buitenlandse rechter in Nederland niet ten uitvoer kan worden gelegd.
De onderdelen treffen echter in zoverre doel dat een clausule als voormeld, wanneer in Nederland conservatoir beslag is gelegd op zich in Nederland bevindende goederen, daaronder begrepen conservatoir derdenbeslag onder een in Nederland gevestigde derde op enig vermogensbestanddeel van de schuldenaar, niet de bevoegdheid van de Nederlandse rechter uitsluit met betrekking tot de vordering tot vanwaardeverklaring van dat beslag. Zulks moet worden afgeleid uit art. 767 (oud) Rv, dat mede op de vanwaardeverklaring van conservatoir derdenbeslag kan worden toegepast, met dien verstande dat in dit geval voor de vanwaardeverklaring tevens vereist is dat op het tijdstip van de vanwaardeverklaring – en derhalve vóór de verklaring in de verklaringsprocedure – voldoende aannemelijk is dat enig vermogensbestanddeel van de schuldenaar door het beslag is getroffen.
Het voorgaande brengt mede dat, voor zover in deze zaak van belang, de rechtbank waarvan de president het verlof tot het hier te lande gelegde beslag heeft verleend, bevoegd is kennis te nemen van de vordering tot vanwaardeverklaring. Dit brengt mede dat deze rechter tevens bevoegd is om, indien de krachtens de jurisdictieclausule bevoegde rechter de wederpartij van de beslaglegger onherroepelijk tot betaling van enig bedrag heeft veroordeeld, kennis te nemen van een door de beslaglegger op de voet van art. 431 lid 2 Rv in te stellen vordering. Ook dit moet worden afgeleid uit art. 767 (oud), dat immers aldus moet worden opgevat dat het niet alleen voor de vanwaardeverklaring geldt, maar ook voor de hoofdvordering [rechtspraakverwijzing door HR], hetgeen in het bijzonder van belang is als voor de hoofdvordering geen andere bevoegde rechter in Nederland is aangewezen. In het onderhavige geval ontbreekt inderdaad een andere aanwijzing van een bevoegde rechter, nu, anders dan onderdeel 3 suggereert, de jurisdictieclausule naar haar aard toepasselijkheid van art. 126 lid 3 Rv uitsluit.
In een geval als het onderhavige dient de rechter zijn beslissing op de vordering tot vanwaardeverklaring aan te houden tot het tijdstip waarop hij tevens kan beslissen op de met inachtneming van art. 431 lid 2 ingestelde vordering.
Voorts verdient opmerking dat aangenomen moet worden dat bij het instellen van een vordering op de voet van art. 431 lid 2 op grondslag van een uitspraak van een buitenlandse rechter die op grond van een jurisdictieclausule uitsluitend bevoegd is, in beginsel kan worden volstaan met het stellen van deze clausule en de op basis daarvan verkregen uitspraak, terwijl de vordering in beginsel slechts behoeft te strekken tot veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij bij die uitspraak is veroordeeld. In het geding zal, zo deze stellingen juist bevonden zijn, de gebondenheid van partijen aan deze uitspraak tot uitgangspunt moeten worden genomen.
Het vorenstaande strookt, zoveel als mogelijk is, met het sedert 1 jan. 1992 geldende recht, waarin de eis tot vanwaardeverklaring is vervallen en art. 767 Rv nog slechts op de eis in de hoofdzaak ziet. Ook onder het huidige recht zal een jurisdictieclausule als de onderhavige meebrengen dat de beslaglegger eerst een toewijzende uitspraak van de volgens die clausule bevoegde rechter moet hebben verkregen, eer hier te lande toewijzing van een op de voet van art. 431 lid 2 Rv ingestelde vordering mogelijk is.”
De Hoge Raad baseert de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in een geding op grond van art. 431 lid 2 Rv dus uitdrukkelijk op art. 767 Rv (oud en nieuw). Het alternatief – het forum actoris op grond van art. 126 lid 3 (oud) Rv – acht hij uitdrukkelijk uitgesloten op grond van de jurisdictieclausule (rov. 3.3.4 en 3.3.5 laatste zin). Zijn overweging dat is voldaan aan de eis van het huidige art. 767 Rv dat er geen andere weg is om een executoriale titel in Nederland te verkrijgen (rov. 3.3.5), accentueert nader zijn oordeel dat de bevoegdheid op die bepaling rust. De uitzondering op de jurisdictieclausule voor art. 767 Rv maakt hij blijkens zijn overwegingen slechts omdat (i) de wet vreemdelingenbeslag mogelijk maakt (in art. 765) en (ii) (de rechtmatigheid van) dat beslag achteraf door de rechter moet worden getoetst door het instellen van een eis tot vanwaardeverklaring (oud recht) of – wat op hetzelfde neerkomt – door een eis in de hoofdzaak (huidig recht). In die procedures kan of moet dan tevens op de voet van art. 431 lid 2 Rv worden beslist (want dat is de hoofdzaak van het beslag), zo komen de arresten op neer.
Uit deze gedachtegang lijkt te volgen dat de Hoge Raad de vordering ex art. 431 lid 2 Rv, wat betreft de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om daarvan kennis te nemen, gelijkstelt met de vordering waarover in de buitenlandse uitspraak is beslist. De bevoegdheidsregels die gelden voor laatstgenoemde vordering, bepalen tevens de bevoegdheid met betrekking tot de eerstgenoemde vordering, zo houdt het oordeel van de Hoge Raad immers uiteindelijk in (want hij acht de jurisdictieclausule mede van toepassing op eerstgenoemde vordering). In deze visie is ook de vordering om dezelfde veroordeling uit te spreken als de buitenlandse rechter heeft gedaan, in feite een nieuwe zaak in de hiervoor in 3.4 genoemde zin, ondanks hetgeen de Hoge Raad overweegt in rov. 3.3.6 (dat de gebondenheid van partijen aan de buitenlandse uitspraak tot uitgangspunt moet worden genomen als is voldaan aan de in die rechtsoverweging genoemde voorwaarden).
Wordt de toewijzing van een actio iudicati opgevat als een verkapt exequatur, wat de nu heersende opvatting is – welke opvatting ruim steun vindt in het Gazprombank-arrest (zie hiervoor in 3.3 laatste alinea) – dan lijden de Esmil-arresten aan een gedachtefout. Een jurisdictieclausule heeft immers naar zijn aard geen betrekking op de verlening van een exequatur voor een beslissing die met inachtneming van die clausule – dus door de in die clausule aangewezen rechter – is gegeven. De jurisdictieclausule schakelde dan dus, anders dan de Hoge Raad in de arresten zegt, niet de aanwijzing van het forum actoris door art. 126 lid 3 (oud) Rv uit, zoals Schultsz terecht op wijst in zijn noot in de NJ onder de arresten (onder 7). Veel auteurs, onder wie Schultsz, vatten rov. 3.3.6 van de arresten wel aldus op dat de Hoge Raad de beslissing ex art. 431 lid 2 Rv ziet als een verkapt exequatur. De tekst van die rechtsoverweging – die inderdaad zo lijkt te kunnen worden begrepen – maakt dat ook wel begrijpelijk. In het licht van hetgeen de Hoge Raad voor het overige in de arresten overweegt, lijkt die lezing echter toch niet goed houdbaar, gelet op het voorgaande.
De arresten bevatten geen uitdrukkelijke beslissing over de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van een vordering op grond van art. 431 lid 2 Rv. In het licht van het voorgaande lijkt me echter duidelijk dat de Hoge Raad in de arresten de grond daarvoor niet ziet in art. 431 lid 2 Rv zelf, maar in de algemene regels van het commune internationaal bevoegdheidsrecht. Dat het in cassatie een (eventueel) te beantwoorden vraag was of de grond voor die bevoegdheid in art. 431 lid 2 Rv kan worden gevonden, kan de Hoge Raad niet zijn ontgaan. A-G Vranken had zich in zijn conclusie voor een van beide arresten uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat art. 431 lid 2 Rv die grond geeft. Met dat standpunt was de Hoge Raad het dus klaarblijkelijk niet eens.
Gazprombank-arrest en latere arresten
In de zaak van het Gazprombank-arrest is de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in feitelijke instanties niet ter discussie gesteld, vermoedelijk omdat zonder meer aan de hiervoor genoemde eisen van de Esmil-arresten was voldaan. De rechtbank en het hof hebben zich daarover dan ook niet uitgelaten. Hetzelfde geldt voor de Hoge Raad. In zijn conclusie vóór het arrest heeft A-G Vlas wel opgemerkt (onder 2.13) dat de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering van Gazprombank kennis te nemen, omdat (i) de Esmil-arresten duidelijk maken dat “art. 431 lid 2 Rv onder omstandigheden bevoegdheid schept en daarmee eigenlijk een ‘verkapte bevoegdheidsregel’ is” en (ii) Gazprombank aan de stelplicht van die arresten heeft voldaan (dit is de passage van de conclusie die de rechtbank meer uitvoerig aanhaalt in voetnoot 4 van het vonnis van 13 augustus 2025). Uit het voorgaande volgt dat het onder (i) vermelde niet uit die arresten volgt.
Ook in latere arresten is de Hoge Raad niet ingegaan op de bevoegdheid van de Nederlandse rechter tot het geven van een beslissing op grond van art. 431 lid 2 Rv.
Oordeel Hoge Raad m.b.t. bevoegdheidsgrondslag bij exequatur voor buitenlandse arbitrale vonnissen
De Hoge Raad heeft zich in zijn rechtspraak wel uitdrukkelijk uitgelaten over de grondslag van de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter met betrekking tot een verzoek tot verlof te verlenen voor de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse arbitrale vonnissen op grond van art. 1075 Rv – krachtens het Verdrag van New York – en art. 1076 Rv (buiten verdrag). Daarop zijn de art. 985-991 Rv van overeenkomstige toepassing (art. 1075 lid 2 Rv en 1076 lid 6 Rv).
In de zaak NRSL/Kompas had het hof zich niet uitgelaten over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. In cassatie kwam NRSL daartegen op en betoogde zij onder meer dat de Nederlandse rechter niet bevoegd was, omdat zich ten tijde van de indiening van het verzoek tot exequatur geen voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen in Nederland bevonden, en dat de omstandigheid dat schepen van NSRL in het verleden wel eens een Nederlandse haven hebben aangedaan, een onvoldoende substantieel aanknopingspunt met de Nederlandse rechtssfeer is.
In de zaak Çukurova/Sonera I had het hof geoordeeld dat de wet, noch het Verdrag van New York, als voorwaarde voor rechtsmacht stelt dat de schuldenaar daadwerkelijk vermogensbestanddelen heeft in Nederland, en dat de voorzieningenrechter zich terecht bevoegd had geacht, gelet op de stelling van Sonera dat het niet is uitgesloten dat Çukurova vermogensbestanddelen heeft in Nederland of op enig moment zal verkrijgen en dat het exequaturverzoek is ingegeven door het verlangen om de mogelijkheid te hebben om zich op zulke vermogensbestanddelen te verhalen. In cassatie werd betoogd dat het hof van een te lichte maatstaf was uitgegaan, en dat de verzoeker ten minste behoort te stellen en, bij gemotiveerde betwisting aannemelijk te maken, dat de schuldenaar in Nederland activa zal gaan of zou kunnen gaan bezitten.
De Hoge Raad oordeelde deze klachten ongegrond en overwoog dat de Nederlandse rechter op grond van art. 3, aanhef en onder c, Rv steeds rechtsmacht toekomt om kennis te nemen van een verzoek om verlof te verlenen tot tenuitvoerlegging in Nederland van een buitenlands arbitraal vonnis. Art. 3, aanhef en onder c, Rv bepaalt dat de Nederlandse rechter in zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingeleid, rechtsmacht heeft indien de zaak anderszins voldoende met de rechtssfeer van Nederland is verbonden. Een zaak waarin verlof wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis is naar haar aard voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden in de zin van art. 3, aanhef en onder c, Rv, aldus de Hoge Raad. De reden daarvoor is dat de partij die in het buitenland een arbitraal vonnis heeft verkregen en zich wenst te verhalen op vermogensbestanddelen die zich in Nederland bevinden dan wel zich op enig moment hier te lande zullen bevinden, is aangewezen op een geding ten overstaan van de Nederlandse rechter, teneinde het vereiste verlof voor tenuitvoerlegging te verkrijgen. Het rechterlijke oordeel dat de Nederlandse rechter op grond van art. 3, aanhef en onder c, Rv rechtsmacht toekomt om kennis te nemen van een verzoek tot de verlening van verlof voor tenuitvoerlegging in Nederland van een buitenlands arbitraal vonnis, behoeft geen motivering, aldus de Hoge Raad.
Wanneer het een exequatur voor de tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis betreft, is de Nederlandse rechter dus steeds internationaal bevoegd op grond van art. 3, aanhef en onder c, Rv. De vereiste verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer in de zin van die bepaling is immers reeds aanwezig als een wens bestaat tot verhaal op vermogensbestanddelen die zich op enig moment in Nederland zullen bevinden.
De beslissing van de Hoge Raad is opvallend, zoals Strikwerda in zijn noot onder de arresten in de NJ opmerkt. Art. 3, aanhef en onder c, Rv is namelijk een vangnetbepaling die naar de bedoeling van de wetgever uitsluitend aan de orde komt als een andere bevoegdheidsgrond ontbreekt. Zoals Strikwerda opmerkt, bestond een andere bevoegdheidsgrond in beide zaken, aan het bestaan waarvan de Hoge Raad bij zijn oordeel voorbijgaat.
In aanvulling op deze kritiek valt erop te wijzen dat de Hoge Raad op grond van het in de art. 1075 lid 2 Rv en 1076 lid 6 Rv mede van toepassing verklaarde art. 985 derde zin Rv tot hetzelfde resultaat had kunnen komen. Die bepaling schept immers onder meer internationale rechtsmacht in het geval dat de tenuitvoerlegging van het vonnis in ons land wordt verlangd (zie hiervoor in 3.5 laatste alinea en voetnoot 23). Die bepaling kan aldus worden uitgelegd dat volstaat dat de wens bestaat tot verhaal op vermogensbestanddelen die zich op enig moment in Nederland zullen bevinden. In de literatuur is deze uitleg al lang geleden als vanzelfsprekend verdedigd.
Gelet op de ruime uitleg die de Hoge Raad aan art. 3, aanhef en onder c, Rv in de arresten geeft, lijkt nu aan een andere bevoegdheidsgrondslag geen behoefte meer te bestaan. Die uitleg zou overigens ook gevolgd kunnen worden bij art. 985 e.v. Rv, aangezien art. 986 lid 1 Rv bepaalt dat het exequatur bij verzoekschrift wordt gevraagd en art. 3, aanhef en onder c, Rv daarop dus van toepassing is, terwijl er op dit punt geen wezenlijk verschil lijkt te bestaan tussen een buitenlandse uitspraak van arbiters en een uitspraak van een buitenlandse overheidsrechter.
Opvattingen in de literatuur en de lagere rechtspraak
Zoals hiervoor in 3.5 onder verwijzing naar het WODC-rapport uit 2017 opgemerkt, worden in de literatuur en de rechtspraak drie verschillende gronden voor de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter met betrekking tot de vordering op grond van art. 431 lid 2 Rv mogelijk geacht. Dat geldt nog steeds.
WODC-rapport en het advies Staatscommissie voor het IPR
De herziening van art. 431 Rv heeft de aandacht van de wetgever. In het hiervoor genoemde WODC-rapport is onderzocht of er redenen zijn om art. 431 Rv te herzien en, zo ja, in welke zin. Het onderzoek betrof mede de vraag of de bevoegdheid van de Nederlandse rechter met betrekking tot de vordering op grond van art. 431 lid 2 Rv wettelijk moet worden geregeld. Uit hetgeen hiervoor in 3.14 is vermeld, leidt het rapport af dat rechtsonzekerheid bestaat over (de grond voor) die bevoegdheid. Uit afgenomen interviews blijkt volgens het rapport dat deze rechtsonzekerheid de rechterlijke macht en de advocatuur hindert in art. 431 lid 2 Rv-procedures, en dat het daarom wenselijk is om een heldere bevoegdheidsregel te formuleren. Volgens het rapport wordt grond (a) door de meeste geïnterviewde advocaten en leden van de rechterlijke macht van de hand gewezen. Bij het formuleren van een nieuwe bevoegdheidsregel geeft het WODC het volgende in overweging (voetnoot weggelaten):
“De vraag rijst of de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in dit opzicht aan voorwaarden zou moeten worden gebonden. Denkbaar is bijvoorbeeld als voorwaarde op te nemen dat de Nederlandse rechter uitsluitend bevoegd is wanneer de eiser belang heeft bij een actio iudicati, zonder dit belang nader concreet in te vullen. Een dergelijke formulering zorgt ervoor dat de Nederlandse rechter altijd bevoegd is in gevallen waarin een partij belang heeft bij erkenning en tenuitvoerlegging van een buitenlands vonnis in Nederland. Daarnaast komt het tegemoet aan de
door een aantal geïnterviewde advocaten en rechters geuite vrees dat eisers een Nederlandse executoriale titel zullen verkrijgen terwijl er geen vermogen in Nederland is, of binnen afzienbare tijd zal zijn, dat verhaal biedt. In die omstandigheden zou een dergelijke procedure kosten meebrengen voor de gedaagde, of wanneer deze er vanaf ziet om zich in de art. 431 lid 2 Rv procedure te verweren, mogelijk een belemmering vormen om zaken te doen in Nederland. Andere geïnterviewde advocaten zagen daarentegen geen bezwaar in een onbeperkte rechtsmacht. Dit zou echter wel een grotere belasting van de rechterlijke macht in Nederland – namelijk ook ten aanzien van de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen waarbij nu nog geen, maar mogelijk in de toekomst wel belang in Nederland bestaat – met zich kunnen brengen.
Denkbaar is voorts om – bij wijze van concrete invulling van de hiervoor geformuleerde belangeis – alleen bevoegdheid aan de Nederlandse rechter toe te kennen wanneer de gedaagde in Nederland woonplaats heeft of wanneer zich vermogensbestanddelen in Nederland bevinden waarop eiser zich wenst te verhalen. Een dergelijke regel sluit aan bij de regelingen van de meeste van de vergeleken landen.”
Naar aanleiding van het WODC-rapport heeft de minister advies gevraagd aan de Staatscommissie IPR over de herziening van art. 431 Rv. Dat advies bevat een voorstel voor een exequaturprocedure voor buitenlandse beslissingen waarvan de erkenning en tenuitvoerlegging niet zijn geregeld in een verdrag of verordening. Hier is van belang dat de Staatscommissie over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in een dergelijke procedure opmerkt:
“8.7 De Staatscommissie heeft vervolgens bezien onder welke omstandigheden de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek tot exequaturverlening. De Hoge Raad heeft bepaald dat de Nederlandse rechter onder alle omstandigheden bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek tot exequaturverlening van een buitenlands arbitraal vonnis gelet op artikel 3 sub c Rv, nu – kort gezegd – een dergelijk verzoek naar zijn aard voldoende met de Nederlandse rechtssfeer is verbonden (HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1077, NJ 2015/453 m.nt. L. Strikwerda; HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1194, NJ 2015/454 m.nt. L. Strikwerda). De Staatscommissie meent echter dat een voldoende band met de Nederlandse rechtssfeer uit meer dient te bestaan dan uitsluitend het verzoeken van een exequatur in Nederland. De verzoeker dient te stellen (en aannemelijk te maken) dat een voldoende band met de Nederlandse rechtssfeer bestaat om alhier tenuitvoerlegging te kunnen verzoeken. Een dergelijke band met de Nederlandse rechtssfeer zal in de regel erin bestaan dat vermogen in Nederland aanwezig is, dan wel in de toekomst zal zijn. Voldoende band met de Nederlandse rechtssfeer kan immers ook bestaan in mogelijk toekomstige in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen (bijvoorbeeld een schip dat in aantocht is, vergelijk artikel 728 lid 1 Rv). Kortom: voor artikel 3 sub c Rv dient de band met de Nederlandse rechtssfeer in bovenstaande zin te worden opgevat. Het verdient de voorkeur een bijzondere (internationale bevoegdheids)regel met deze strekking op te nemen in de afdeling die ziet op de nieuwe exequaturprocedure.”
Dit voorstel komt erop neer om de beslissing van de arresten van 17 april en 1 mei 2015 te aanvaarden voor de nieuwe exequaturprocedure, met omkering van de stelplicht en bewijslast van het belang bij een exequatur. Anders dan normaal dient niet de verweerder in beginsel te stellen en eventueel aannemelijk te maken dat belang ontbreekt bij een verzoek om een exequatur, omdat er geen mogelijkheid tot verhaal hier te lande is en zal zijn, maar de verzoeker dient te stellen en eventueel aannemelijk te maken dat dit belang aanwezig is, omdat hier te lande verhaal mogelijk is of zal zijn. Dit voorstel komt tegemoet aan de blijkens het WODC-rapport in de praktijk bestaande vrees van misbruik of te makkelijk gebruik van de mogelijkheid om een exequatur te krijgen. Ook voorziet het in de vrees dat een exequatur kan worden gekregen in gevallen die niets met Nederland te maken hebben en die daarom naar gangbaar i.p.r.-inzicht niet gegeven zou moeten worden. Op een en ander wordt ook door de rechtbank gewezen.
Keuze tussen de verschillende gronden
Sinds de beslissing van het Gazprombank-arrest benadert de vordering op grond van art. 431 lid 2 Rv – in de hiervoor in 3.3 genoemde variant van die vordering waarbij dezelfde veroordeling wordt gevorderd als de buitenlandse rechter heeft uitgesproken – zeer sterk die van een verzoek om een exequatur, zij het dat de stelplicht en bewijslast dat geen grond voor weigering van erkenning en verlof tot uitvoerlegging bestaat, op grond van dat arrest bij de verzoeker liggen, omdat het om voorwaarden voor erkenning en verlof gaat, en dus niet zoals in een exequaturprocedure de verweerder de stelplicht en bewijslast heeft dat zich een grond voordoet voor weigering van erkenning en verlof. Deze sterke mate van overeenstemming pleit ervoor om de vordering op grond van art. 431 lid 2 Rv – in genoemde variant – gelijk te stellen aan een exequaturprocedure. Analoge toepassing van art. 985 derde zin Rv – dus de hiervoor in 3.5 genoemde grond (c) – ligt daarmee in de rede.
Ook voor de andere hiervoor in 3.5 genoemde gronden valt echter het nodige te zeggen. Als gezegd valt bij grond (a) te denken aan de woonplaats van de verweerder (art. 2 Rv) en aan het vreemdelingenbeslag (art. 767 Rv), die beide prima als grond voor bevoegdheid voor een (verkapt) exequatur kunnen dienen. Het probleem dat het WODC-rapport en de Staatscommissie IPR hebben met de toepassing van de arresten van 17 april en 1 mei 2015 (zie hiervoor in 3.15-3.17) doet zich bij grond (a) niet voor omdat dan in elk geval eerst op enig goed in Nederland conservatoir beslag moet zijn gelegd – zo geen sprake is van een bevoegdheidsgrond waarbij een nauwere band met Nederland bestaat –, wil de Nederlandse rechter kennis kunnen nemen van de vordering op grond van art. 431 lid 2 Rv. Nadeel is wel dat de schuldeiser, in het geval dat hij is aangewezen op art. 767 Rv, steeds eerst de weg van een conservatoir beslag moet volgen. Omdat vorderingen op grond van art. 431 lid 2 Rv in de praktijk weinig voorkomen – de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse uitspraken is vaak geregeld bij verordening of verdrag en het aantal (buiten)landen met betrekking waartoe dat geldt, neemt nog steeds toe –, valt mogelijk niet erg zwaar aan dat bezwaar te tillen.
Grond (b) – op grond van art. 431 lid 2 Rv is de Nederlandse rechter steeds bevoegd om kennis te nemen van een vordering die is gegrond op die bepaling – heeft de charme van de eenvoud en makkelijke toepasbaarheid, maar maakt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter nogal ruim, ruimer dan zij is in het vergelijkbare geval van de echte exequatur op grond van art. 985 derde zin Rv (zij het dat die bevoegdheid ook ruim zou kunnen worden genomen; zie hiervoor in 3.13 derde alinea). Ook als er geen enkel verhaalsobject in Nederland is of is te verwachten en geen enkel aanknopingspunt bestaat met de Nederlandse rechtssfeer kan bij een keuze voor deze grond een verkapt exequatur worden gekregen (zie hiervoor in 3.15-3.17). Verdere bezwaren zijn dat deze keuze geen enkele steun vindt in de wet – art. 431 lid 2 Rv zegt immers niets over bevoegdheid – en dat ook bevoegdheid wordt aanvaard voor het hiervoor in 3.4 genoemde geval dat de eiser meer of anders vordert dan alleen het overnemen van de beslissing van de buitenlandse rechter. Uiteraard zou dat geval kunnen worden uitgezonderd van de te aanvaarden bevoegdheidsregel, maar dat maakt die regel dan toch wat minder aansprekend en overtuigend (want niet op enige wijze gebaseerd op de wet, maar een zuiver jurisprudentiële constructie).
Ook zou de weg van de arresten van 17 april en 1 mei 2015 kunnen worden gevolgd. Art. 3, aanhef en onder c, Rv is echter alleen geschreven voor de verzoekschriftprocedure en dus niet van toepassing op de vordering op grond van art. 431 lid Rv, die bij dagvaardding moet worden ingesteld. Voor de dagvaardingsprocedure ontbreekt een vergelijkbare bepaling. Daarnaast zijn aan die weg eveneens de bezwaren verbonden die hiervoor in 3.15-3.17 zijn genoemd.
Hiernaast is nog de redenering mogelijk dat de vordering op grond van art. 431 lid 2 Rv ook na het Gazprombank-arrest nog steeds geen ‘echte’ exequaturprocedure is en dat daarom op die vordering de algemene regels van toepassing zijn die gelden voor de vordering waarop de buitenlandse beslissing betrekking heeft. Dit betreft dus opnieuw de hiervoor in 3.5 genoemde grond (a), maar dan ruimer, omdat ook regels als die van art. 6 Rv dan van toepassing kunnen zijn.
Voorlopig antwoord op de eerste prejudiciële vraag
Naar ik meen, houdt analoge toepassing van art. 985 derde zin Rv op de vordering op grond van art. 431 lid 2 Rv – dus de hiervoor in 3.5 genoemde grond (c) – het juiste midden. Omdat het Gazprombank-arrest als gezegd erop neerkomt dat die vordering als een verzoek om een exequatur moet worden gezien en de beslissing van het Gazprombank-arrest breed wordt gedragen, ligt het als gezegd voor de hand om aan te knopen bij de wettelijke regeling van de exequaturverlening, dat immers het meest vergelijkbare geval betreft dat de wet heeft te bieden. Beide soorten van exequaturs worden dan zoveel mogelijk door dezelfde regels beheerst. Art. 985 derde zin Rv als grondslag voor de bevoegdheid biedt ook het voordeel dat deze bepaling ruimte laat voor een uitleg die tegemoet komt aan de hiervoor in 3.15-3.17 genoemde bezwaren door eisen te stellen aan de stelplicht van eiser met betrekking tot de mogelijkheid om de buitenlandse uitspraak in Nederland ten uitvoer te leggen. Als echter over die bezwaren wordt heengestapt, kan de hiervoor in 3.13 derde alinea genoemde ruime uitleg van die bepaling worden gegeven. Naar ik meen, valt ook daarom aan deze grond de voorkeur te geven.
Werpt het arrest J/H Limited een ander licht op het voorgaande?
De vraag is over of het voorgaande anders moet worden gedacht in het licht van het arrest van het Hof van Justitie EU in de zaak J/H Limited, waarop de rechtbank bij het stellen van de prejudiciële vragen heeft gewezen. In dat arrest heeft het Hof van Justitie EU geoordeeld dat een betalingsbevel dat door een gerecht van een lidstaat is afgegeven op grond van een in een derde staat gewezen definitief vonnis, een beslissing vormt in de zin van art. 2 onder a Brussel I-bis en in andere lidstaten uitvoerbaar is. Dat oordeel is volgens de rechtbank mogelijk ook van toepassing op een beslissing van de Nederlandse rechter over een vordering op grond van art. 431 lid 2 Rv. De rechtbank wijst erop dat dit het risico meebrengt dat, als de Nederlandse rechter rechtsmacht aanvaardt zonder dat enig aanknopingspunt met de Nederlandse rechtssfeer bestaat, de hogere eisen die in andere lidstaten aan de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen uit derde landen worden gesteld, worden omzeild (zie hiervoor in 1 tweede alinea).
Om genoemde vraag te kunnen bespreken, sta ik hierna eerst stil bij het toepassingsgebied van Brussel I-bis, de stand van zaken vóór het arrest in de zaak J/H Limited, het oordeel van het HvJ EU in die zaak en de reikwijdte daarvan.
Formeel en materieel toepassingsgebied van Brussel I-bis
Brussel I-bis bevat twee regelingen: een regeling van de rechterlijke bevoegdheid (hoofdstuk II van de verordening) en een regeling van de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen uit andere lidstaten (hoofdstuk III van de verordening). Het materiële toepassingsgebied van beide regelingen is gelijk: uit art. 1 Brussel I-bis volgt dat de verordening van toepassing is in burgerlijke en handelszaken.
Voor het formele toepassingsgebied ligt dat anders. De bevoegdheidsregeling is, behoudens een aantal hier niet van belang zijnde uitzonderingen, van toepassing als de verweerder woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat (art. 4 gelezen in samenhang met de art. 5-6 Brussel I-bis). De erkennings- en tenuitvoerleggingsregeling is van toepassing op elke beslissing, gegeven door een gerecht van een lidstaat (art. 2 onder a Brussel I-bis; zie ook de art. 36 lid 1 en 39 Brussel I-bis). Voor het van toepassing zijn van de erkennings- en tenuitvoerleggingsregeling is dus niet van belang of de bevoegdheid van de rechter tot het geven van de beslissing waarvan op de voet van de verordening erkenning of tenuitvoerlegging wordt verlangd, binnen het formele toepassingsgebied van de bevoegdheidsregeling van de verordening valt, met andere woorden of die bevoegdheid op de verordening berust. De bevoegdheidsregeling en de erkennings- en tenuitvoerleggingsregeling van de verordening zij dus geheel gescheiden regelingen, zij het dus dat het materiële toepassingsgebied van beide regelingen gelijk is.
Het verbod op een dubbele exequatur; het Owens Bank-arrest
In het Europese erkennings- en tenuitvoerleggingsrecht geldt als uitgangspunt het adagium ‘exequatur sur exequatur ne vaut’, in het Nederlands ook wel: het verbod op een dubbele exequatur. Aan dit verbod ligt ten grondslag de gedachte dat een exequaturbeslissing territoriale werking heeft en zich (daarom) niet leent voor erkenning en tenuitvoerlegging binnen de EU als geheel, mede gelet op de verschillen die tussen de lidstaten bestaan voor het verkrijgen van een exequatur voor vonnissen uit derde landen.
Het arrest van het Hof van Justitie EU in de zaak Owens Bank is wel begrepen als een aanvaarding van het verbod op dubbele exequatur. Owens Bank had in Italië verzocht om de tenuitvoerlegging van een vonnis van de High Court of Justice van Saint Vincent. Nadien had Owens Bank ook aan de Engelse rechter verzocht om dat vonnis uitvoerbaar te verklaren. Verweerders stelden zich in laatstgenoemde procedure op het standpunt dat de litispendentie-regels van het EEX-Verdrag moesten worden toegepast. De Engelse rechter zag daarin aanleiding om aan het Hof van Justitie EU de prejudiciële vraag te stellen of het EEX-Verdrag wel van toepassing is op procedures die betrekking hebben op de erkenning en tenuitvoerlegging van in niet-verdragsluitende staten gegeven beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
Bij de beantwoording stelt het Hof van Justitie EU in zijn arrest voorop dat de vraag is gesteld in een procedure die ertoe strekt in een verdragsluitende staat de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van een in een derde staat gegeven rechterlijke beslissing in burgerlijke en handelszaken te scheppen, en dat het in het gegeven geval gaat om een procedure waarbij het buitenlandse vonnis wordt geregistreerd, waarna het op dezelfde wijze en volgens dezelfde modaliteiten als een door een Engels gerecht gegeven beslissing ten uitvoer kan worden gelegd (rov. 11-13). Vervolgens verwerpt het HvJ EU het standpunt van de verweerders dat een dergelijke procedure valt onder het materiële toepassingsgebied van het verdrag, omdat het een burgerlijke en handelszaak betreft, én dat dáárom het EEX-Verdrag van toepassing is op de in de vraag genoemde procedures. Met betrekking tot de erkennings- en tenuitvoerleggingsregeling overweegt het HvJ EU dat deze uitsluitend van toepassing is op rechterlijke beslissingen van de gerechten van verdragsluitende staten. Met betrekking tot de bevoegdheidsregeling overweegt het HvJ EU dat daarin niet is bepaald voor het gerecht van welke plaats de procedures tot erkenning en tenuitvoerlegging van in een derde staat gewezen vonnissen moeten worden gevoerd, en dat daarom moet worden geconcludeerd dat het EEX-Verdrag niet van toepassing is op procedures die ertoe strekken in een derde staat gewezen vonnissen in burgerlijke en handelszaken uitvoerbaar te verklaren (rov. 15-25). Ook de andere argumenten van de verweerders waarom het EEX-Verdrag van toepassing was, verwierp het Hof van Justitie EU. Het beantwoordde de vraag daarom aldus dat het EEX-Verdrag, en dus de litispendentie-regels daarvan, niet van toepassing zijn op in verdragsluitende staten aanhangige procedures of daarin opgekomen geschilpunten, die betrekking hebben op de erkenning en tenuitvoerlegging van in derde staten gewezen vonnissen in burgerlijke en handelszaken (rov. 37).
Zoals uit het voorgaande volgt, heeft het oordeel van het Hof van Justitie EU in het Owens Bank-arrest specifiek betrekking op een procedure die leidt tot een zuivere exequaturbeslissing. In de literatuur is dat oordeel echter ruimer opgevat. Aangenomen werd dat het oordeel van het Hof van Justitie EU zich uitstrekt tot procedures die leiden tot een verkapte exequaturbeslissing, dat wil zeggen dat het arrest van toepassing is ongeacht of de procedure over de erkenning en tenuitvoerlegging van een vonnis van een derde land resulteert in een zuiver dan wel een (op een actio iudicati gebaseerde) verkapt exequatur.
Oordeel Hof van Justitie EU in het arrest J/H Limited
Deze aanname is op de proef gesteld met de prejudiciële vragen die aan het Hof van Justitie EU zijn gesteld in de zaak J/H Limited. De High Court of Justice (England & Wales) had een betalingsbevel afgegeven op grond van twee in Jordanië uitgesproken vonnissen. H Limited wilde dat betalingsbevel in Oostenrijk tenuitvoerleggen, waartegen J opkwam in een weigeringsprocedure. Het Oberste Gerichtshof van Oostenrijk meende dat het verbod van dubbele exequatur van toepassing was, omdat de rechtsbetrekking die ten grondslag lag aan de bij de onherroepelijk vonnissen vastgestelde schuld, niet inhoudelijk door de Engelse rechter wordt getoetst. Het betalingsbevel kwalificeerde volgens dat hof daarom niet als ‘beslissing’ in de zin van art. 2 onder a Brussel I-bis. Zekerheidshalve heeft het daarover prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU gesteld. Een van de vragen luidde of de art. 2 onder a en 39 Brussel I-bis aldus moeten worden uitgelegd dat een betalingsbevel dat door een gerecht van een lidstaat is afgegeven op grond van in een derde staat gewezen definitief vonnis, een ‘beslissing’ in de zin van die bepalingen vormt en dus in de andere lidstaten uitvoerbaar is (zie rov. 20 van het arrest van het Hof van Justitie EU).
Het HvJ EU heeft die vraag bevestigend beantwoord. Het overweegt dat onder ‘beslissing’ wordt verstaan elke door een gerecht van een lidstaat gegeven beslissing zonder onderscheid naar de inhoud ervan. Daaronder valt dus ook een betalingsbevel dat een gerecht van een lidstaat heeft afgegeven op grond van in een derde staat gewezen definitieve vonnissen. Beslissingen vallen reeds binnen de werkingssfeer van Brussel I-bis als het gaat om rechterlijke beslissingen die in de lidstaat van herkomst op diverse wijzen het onderwerp zijn geweest of konden zijn van een procedure op tegenspraak, aldus het Hof van Justitie EU (rov. 24-32). Aan deze conclusie doet volgens het HvJ EU niet af dat het betalingsbevel ten gronde is gegeven voor de tenuitvoerlegging van in een derde staat gewezen vonnissen, die als zodanig niet uitvoerbaar zijn in de lidstaten. Het HvJ EU overweegt:
“34 Aangezien de werkingssfeer van verordening nr. 1215/2012 beperkt is tot vraagstukken van
rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen van de gerechten van de lidstaten en aangezien er ook geen andere Unierechtelijke bepalingen zijn waarmee deze vraagstukken worden geregeld ten aanzien van beslissingen van de gerechten van derde staten, zijn de lidstaten in beginsel vrij om de voorwaarden en procedures te bepalen waaronder de nationale gerechten kennis kunnen nemen van de hun voorgelegde gedingen. Als gevolg daarvan hebben bepaalde typen procedures en rechterlijke beslissingen in een bepaalde lidstaat niet noodzakelijkerwijs een equivalent in de andere lidstaten.
35 Wat in het bijzonder de vraag betreft welke gevolgen in de lidstaten kunnen worden verbonden aan vonnissen die door gerechten van derde staten zijn gewezen, vloeit uit het ontbreken van harmonisatie op Unieniveau voort dat de gerechten van een lidstaat, overeenkomstig het toepasselijke nationale recht, rechtmatig uitvoerbare beslissingen kunnen geven op grond van die vonnissen, ook al zou in andere lidstaten een exequatur vereist zijn om die vonnissen in aanmerking te nemen.
36 Daar komt bij dat, anders dan de verwijzende rechter meent, het arrest van 20 januari 1994, Owens Bank (C-129/92, EU:C:1994:13), waaruit naar analogie kan worden afgeleid dat de artikelen 29 tot en met 31 van verordening nr. 1215/2012 niet van toepassing zijn op procedures waarbij in derde staten gewezen vonnissen in burgerlijke en handelszaken uitvoerbaar worden verklaard, niet impliceert dat een beslissing die op grond van een vonnis uit een derde staat volgens de bevoegdheids- en procedureregels van een lidstaat is gegeven, buiten de werkingssfeer van deze verordening valt.
37 Net zoals geldt voor elke andere nationale rechterlijke beslissing, is immers, ten eerste, de kwalificatie van het betalingsbevel in het hoofdgeding als beslissing in de zin van artikel 2, onder a), van verordening nr. 1215/2012, geenszins afhankelijk van de vraag of de procedure tot afsluiting waarvan het is vastgesteld zelf binnen de werkingssfeer van deze verordening valt, aangezien de verordening niet tot doel heeft alle procedureregels van de lidstaten te uniformiseren
(zie in die zin arrest van 9 september 2021, Toplofikatsia Sofia e.a., C-208/20 en C-256/20, EU:C:2021:719, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 Ten tweede wordt in het arrest van 20 januari 1994, Owens Bank (C-129/92, EU:C:1994:13,
punten 14 en 18), hoe dan ook duidelijk onderscheid gemaakt tussen enerzijds de niet-toepasselijkheid van het Executieverdrag op de erkenning en de tenuitvoerlegging van in derde staten gewezen vonnissen in burgerlijke en handelszaken en anderzijds de toepasselijkheid van dat verdrag op elke door een gerecht van een verdragsluitende staat gegeven beslissing, ongeacht haar benaming.
39 Vastgesteld moet dus worden dat de bepalingen noch de doelstellingen van verordening nr. 1215/2012 eraan in de weg staan dat een betalingsbevel dat door een gerecht van een lidstaat is afgegeven op grond van in een derde staat gewezen definitieve vonnissen, binnen de werkingssfeer van deze verordening valt.”
Vervolgens overweegt het Hof van Justitie EU dat de verweerder zich kan verzetten tegen de tenuitvoerlegging van de beslissing door een van de weigeringsgronden voor erkenning van art. 45 Brussel I-bis aan te voeren. Op grond van art. 45 lid 1 onder a jo art. 46 Brussel I-bis wordt de erkenning van een beslissing op verzoek van een belanghebbende partij geweigerd indien de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat. Een dergelijke schending kan er volgens het Hof van Justitie EU eventueel in bestaan dat de verweerder in de tenuitvoerleggingsprocedure niet de gelegenheid heeft gehad om zich doeltreffend te verdedigen voor het gerecht in de lidstaat van herkomst en daar de beslissing waarvan om tenuitvoerlegging wordt verzocht, aan te vechten (rov. 40-45). Het Hof van Justitie EU overweegt dan:
“46 Indien J voor het gerecht van de aangezochte lidstaat waarbij de zaak aanhangig is zou bewijzen dat hij zich in de lidstaat van herkomst niet heeft kunnen verweren tegen de vorderingen die ten grondslag liggen aan de Jordaanse vonnissen waarop het betalingsbevel in het hoofdgeding betrekking heeft, zou in casu dat gerecht de tenuitvoerlegging van dat betalingsbevel dus kunnen weigeren op grond dat het kennelijk onverenigbaar is met de nationale openbare orde. Het is aan de verwijzende rechter om deze beoordeling te maken.”
Het Hof van Justitie EU oordeelt dus dat de nationale lidstaten eventueel de tenuitvoerlegging van een beslissing zoals hier aan de orde kunnen weigeren op grond van hun openbare orde als de verweerder bij de totstandkoming daarvan geen mogelijkheid tot verweer heeft gehad tegen de vorderingen die ten grondslag liggen aan de buitenlandse uitspraak waarop die beslissing is gegrond.
In de procedure na beantwoording van de prejudiciële vragen heeft het Oberste Gerichtshof geoordeeld dat geen sprake was van strijd met de Oostenrijkse openbare orde, omdat in de procedure bij dat hof vaststond dat J daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om de onderliggende vorderingen (die in de Jordaanse procedure zijn toegewezen) inhoudelijk te betwisten in de procedure bij het High Court, en dat zijn verweren die zien op het gebrek aan procesbevoegdheid van eisers, de frauduleuze verkrijging van de Jordaanse vonnissen en het gebrek aan bevoegdheid in de Jordaanse procedure, zijn behandeld.
Betekenis van het arrest; het risico op forumshopping
Het arrest J/H Limited is bepaald kritisch ontvangen. De kritiek betreft in de eerste plaats dat het Hof van Justitie EU geheel voorbijgaat aan het verbod op een dubbele exequatur, met andere woorden het gegeven dat een exequaturbeslissing territoriale werking heeft en zich dus niet leent voor erkenning en tenuitvoerlegging in andere landen op grond van een regeling als Brussel I-bis. In samenhang hiermee luidt de kritiek dat de beslissing van het arrest forumshopping in de hand werkt. Een partij kan in een lidstaat waar relatief gunstige voorwaarden gelden voor de toewijzing van een actio iudicati, een beslissing verkrijgen ten behoeve van de tenuitvoerlegging in een andere lidstaat waar juist relatief ongunstige voorwaarden gelden voor de toewijzing van een actio iudicati of waar de mogelijkheid van die toewijzing zelfs überhaupt niet bestaat. Laatstgenoemde lidstaat krijgt het verkapte exequatur van eerstgenoemde lidstaat aldus opgedrongen, in strijd met zijn eigen wettelijke regelingen. Zoals Strikwerda opmerkt in zijn NJ-noot onder het arrest, valt moeilijk in te zien dat dit valt te rechtvaardigen op grond van de regeling die Brussel I-bis bevat.
In hoeverre het arrest werkelijk een risico op forumshopping schept, is afhankelijk van hoe het gelezen wordt. Het arrest zou beperkt kunnen worden begrepen, in die zin dat het uitsluitend betrekking heeft op het geval dat voorlag, dus dat van een door de Engelse rechter afgegeven betalingsbevel, met de kenmerken daarvan. Als deze opvatting op haar beurt weer restrictief zou worden begrepen, in die zin dat het arrest uitsluitend zou zien op het geval van een door de Engelse rechter afgegeven betalingsbevel, dan is het risico op forumshopping als gevolg van het arrest natuurlijk verwaarloosbaar. Het Verenigd Koninkrijk maakt immers inmiddels geen deel meer uit van de EU.
In een recente conclusie lijkt A-G Norkus op het eerste gezicht een uitleg in deze trant te volgen, onder verwijzing naar de kritiek op het arrest. Hij merkt op, beginnend met de kritiek:
“29 (…) Deze oplossing is echter sterk bekritiseerd in de rechtsleer. Sommige auteurs hebben er met name op gewezen dat het beginsel van wederzijds vertrouwen veronderstelt dat er een elementaire consensus bestaat over de architectuur van de nationale rechtsstelsels en dat de gerechtelijke handelingen onderling verwisselbaar zijn. Volgens deze auteurs zou het dus juist in strijd zijn met de fundamentele voorwaarde van het vertrouwensbeginsel om de lidstaten toe te staan te beslissen welke gerechtelijke handelingen zij in het stelsel van het vrije verkeer van beslissingen willen laten vallen. Dienaangaande ben ik van mening dat het arrest H Limited niet aldus kan worden opgevat dat het het beginsel van het verbod van dubbele exequatur krachtens het Unierecht ter discussie stelt, en moet worden gelezen in de specifieke context en omstandigheden van de zaak die tot dat arrest heeft geleid.”
In een voetnoot aan het slot van deze passage wijst A-G Norkus er vervolgens op dat het Hof van Justitie EU in rov. 32 van het arrest heeft overwogen dat het aan de orde zijnde betalingsbevel van de High Court „ten minste een summier onderzoek op tegenspraak in de lidstaat van herkomst is voorafgegaan, zodat dat betalingsbevel een beslissing in de zin van artikel 2, onder a), van [de Brussel I bis-verordening] is”.
Aan de andere kant van het spectrum ligt de uitleg dat het arrest betrekking heeft op iedere beslissing die in feite neerkomt op een exequatur, maar niet die aanduiding draagt, zoals de beslissing die nu in Nederland wordt gegeven op grond van het Gazprombank-arrest (een verkapt exequatur dus). Deze lezing van het arrest vindt nogal eens plaats op grond van een eigen lezing van het Engelse recht (welke lezing van het Engelse recht overigens juist lijkt).
Behalve (Engeland en Wales en) Nederland kennen, naar ik begrijp, Ierland, Cyprus, Malta en Zweden een dergelijk verkapt exequatur. Het risico op forumshopping zou zich bij deze lezing uitstrekken tot het gebruik van de fora van deze lidstaten.
Nog weer verder gaat de uitleg dat het arrest zelfs van toepassing zou zijn op zuivere exequaturbeslissingen, voor zover deze tot stand komen na een (summier) onderzoek op tegenspraak en de toetsing daarin gelijkenissen vertoont met die ten aanzien van een actio iudicati pleegt te worden aangelegd. Grondslag voor die uitleg is dat het Hof van Justitie EU in het arrest een procedure op (enige vorm van) tegenspraak al voldoende lijkt te achten om van een beslissing te spreken in de zin van de art. 2 onder a en 39 Brussel I-bis. Bij deze lezing zou het Hof van Justitie EU zelfs (voor een deel) de beslissing van het Owens Bank-arrest hebben teruggenomen.
Naar ik zou menen, volgt uit de overwegingen van het arrest duidelijk dat het Hof van Justitie EU een scherp onderscheid maakt tussen enerzijds een exequaturbeslissing, zoals in het Owens Bank-arrest aan de orde – die van een buitenlandse beslissing een uitvoerbare titel maken in het betrokken land –, en anderzijds rechterlijke beslissingen die zijn gegeven op grond van een buitenlandse beslissing – doordat daaraan gezag wordt toegekend of de beslissing ervan wordt overgenomen. Zie hiervoor met name rov. 36 (waar het hof enerzijds spreekt van ‘procedures waarbij in derde staten gewezen vonnissen in burgerlijke en handelszaken uitvoerbaar worden verklaard’ en anderzijds van ‘een beslissing die op grond van een vonnis uit een derde staat volgens de bevoegdheids- en procedureregels van een lidstaat is gegeven’) en rov. 38 (met een vergelijkbare inhoud, maar dan alleen sprekend over de beslissingen in de beide soorten van gevallen), beide hiervoor in 3.24 integraal aangehaald. Daarmee laat het arrest de in het Owens Bank-arrest gegeven beslissing met betrekking tot de ‘echte’ exequaturbeslissing dus uitdrukkelijk onverlet. De beslissing van het arrest J/H Limited gaat uitsluitend over de in dat arrest door het Hof van Justitie EU bedoelde categorie van rechterlijke beslissingen.
Het is eveneens duidelijk dat het Hof van Justitie EU die beslissingen in het arrest niet ziet als in wezen een exequaturbeslissing of een daarmee gelijk te stellen beslissing. Het door hem gemaakte onderscheid zou daarmee immers niet goed te begrijpen zijn (zoals de hiervoor aangehaalde kritiek op het arrest dan ook inhoudt van de vele auteurs die ervan uitgaan dat die beslissingen wél zo moeten worden gezien). Sterker nog, de overwegingen van het Hof van Justitie EU suggereren juist dat het ervan is uitgegaan dat de rechter die een dergelijke beslissing geeft, in beginsel de mogelijkheid heeft om de buitenlandse beslissing inhoudelijk te toetsen. Het Hof van Justitie EU wijst erop dat het in art. 2 onder a Brussel I-bis gaat om “rechterlijke beslissingen die in de lidstaat van herkomst op diverse wijzen het onderwerp zijn geweest of konden zijn van een procedure op tegenspraak” (rov. 26) en dat “aan het betalingsbevel van de High Court in het hoofdgeding ten minste een summier onderzoek op tegenspraak in de lidstaat van herkomst is voorafgegaan” (rov. 32, waarnaar ook A-G Norkus verwijst; zie hier voor in 3.27). In de hiervoor in 3.25 aangehaalde rov. 46 van het arrest gaat het hof onmiskenbaar ervan uit dat de mogelijkheid heeft bestaan om bij de totstandkoming van de beslissing in Engeland de gegrondheid van de in de Jordaanse vonnissen toegewezen vorderingen te bestrijden. Het overweegt immers dat als J mocht bewijzen dat hij dit daarbij niet heeft gekund, dat voor de Oostenrijkse rechter een grond mag opleveren voor het oordeel dat de beslissing in strijd is met de openbare orde van Oostenrijk en dat erkenning van de beslissing dus op grond van art. 45 lid 1 onder a Brussel I-bis kan worden geweigerd. Deze overweging ziet op het feitelijk verloop van de procedure in Engeland, niet op de juridische kenmerken van de procedure naar Engels recht. Kennelijk gaat het Hof van Justitie EU er dus van uit dat voor J in Engeland in beginsel de mogelijkheid bestond om de gegrondheid van de in de Jordaanse vonnissen toegewezen vorderingen te bestrijden.
Het voorgaande wordt uiteraard niet anders door de omstandigheid dat de uitleg van het Engelse recht waarvan het Hof van Justitie EU aldus oordelend uitgaat, niet klopt. Voor de uitleg van het arrest van het Hof van Justitie EU is immers uitsluitend van belang, en dus beslissend, van welke uitleg van het Engelse recht het Hof van Justitie EU is uitgegaan, en dus niet wat de juiste uitleg van het Engelse recht is.
Het Hof van Justitie EU vermeldt nergens in zijn uitspraak op enige wijze van welke uitleg van het Engelse recht het is uitgegaan. Zoals hiervoor in 3.25 laatste alinea vermeld, heeft de Oostenrijkse rechter in feitelijke instantie echter uitdrukkelijk vastgesteld dat J de mogelijkheid heeft gehad om bij de totstandkoming van de beslissing in Engeland de gegrondheid van de in de Jordaanse vonnissen toegewezen vorderingen te bestrijden. Kennelijk is het hof ervan uitgegaan dat de gebondenheid van de Engelse rechter aan de buitenlandse (Jordaanse) beslissingen waarvan bij de prejudiciële vragen uitdrukkelijk door de Oostenrijkse rechter is gerept (vgl. rov. 17 en 20), (daarom) enkel ziet op het aan die beslissingen toe te kennen gezag en op het summiere karakter van de procedure en dat die gebondenheid niet uitsluit dat, zo nodig, (toch) een inhoudelijke toetsing plaatsvindt.
Het voorgaande maakt begrijpelijk waarom het hof de kritiek op het erkennen van de Engelse beslissing afdoet als onder (de gelding van het vertrouwensbeginsel van) de verordening Brussel I-bis niet geoorloofd ten aanzien van de beslissing van de buitenlandse rechter en ten aanzien van het recht en de procedure op grond waarvan deze zijn beslissing geeft. Het gaat in zijn visie om een op grond van de verordening te respecteren en dus te erkennen rechterlijke beslissing (vgl. rov. 29-30, 34, 39 en 42-44).
Naar ik begrijp, is het voorgaande ook de (de hiervoor in 3.27 aangehaalde) zienswijze van A-G Norkus. Daarbij merk ik op dat ik vermoed dat de figuur van een verkapt exequatur voor hem niet erg bekend zal zijn, nu maar weinig EU-landen die figuur kennen. Dat verklaart mogelijk het summiere karakter van zijn uiteenzetting.
Uit het voorgaande volgt dat ik niet geloof dat het arrest aldus moet worden begrepen dat het Hof van Justitie EU met rov. 46 een soort escape heeft willen bieden voor de consequenties van zijn beslissing door te bepalen dat steeds de mogelijkheid moet hebben bestaan bij het verkapte exequatur om de onderliggende vorderingen te bestrijden. Daarmee zou het hof immers met de ene hand nemen wat het met het andere hand gaf. Mocht deze lezing echter toch juist zijn, dan is het risico op forumshopping wel aanmerkelijk geringer, omdat dan al snel een weigeringsgrond in andere lidstaten aanwezig lijkt.
Is de bevoegdheidsregeling van Brussel I-bis van toepassing op de vordering ex art. 431 lid 2 Rv?
Het arrest J/H Limited doet mede de vraag rijzen of de bevoegdheidsregeling van Brussel I-bis van toepassing is op de vordering ex art. 431 lid 2 Rv. Uit het Owens Bank-arrest werd afgeleid dat dit niet het geval is, omdat het Hof van Justitie EU daarin heeft geoordeeld dat het EEX-Verdrag en dus Brussel I-bis niet van toepassing is op (alle) exequaturs (zie de vindplaatsen die hiervoor in 3.5 eerste alinea zijn genoemd). Uit het arrest J/H Limited volgt mijns inziens dat deze uitleg van het Owens Bank-arrest niet juist is, nu dat arrest blijkens het arrest J/H Limited uitsluitend ziet op, kort gezegd, echte exequaturs (zie hiervoor in 3.29). Een procedure tot het geven van een beslissing op grond van een buitenlandse beslissing valt daar volgens het arrest niet onder. Door Zilinsky en Verheul is op deze grond betoogd dat op de vordering ex art. 431 lid 2 Rv dus de bevoegdheidsregeling van Brussel I-bis van toepassing is als de zaak binnen het materiële en formele toepassingsgebied van die regeling valt. Dat is dan het geval als het gaat om een burgerlijke of handelszaak in de zin van art. 1 Brussel I-bis en de verweerder zijn woonplaats heeft in de Unie (zie hiervoor in 3.21). Bij gebreke van een bijzondere bevoegdheidsregel in Brussel I-bis bepaalt de hoofdregel van art. 4 Brussel I-bis dan de internationale bevoegdheid in een geding op de voet van art. 431 lid 2 Rv. In deze zaak zou dat meebrengen dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft om van de vordering van Omni Bridgeway kennis te nemen, omdat [verweerders] in Oostenrijk woonachtig en gevestigd zijn.
De vraag is natuurlijk wel, in het licht van het voorgaande (en met name hetgeen hiervoor in 3.29 is vermeld), hoe het Hof van Justitie EU de vordering ex art. 431 lid 2 Rv zal categoriseren. Leidt die vordering in zijn ogen tot een ‘echt’ exequatur, hoewel de beslissing daarover in Nederland als ‘verkapt exequatur’ wordt gezien, of eveneens tot enkel ‘een beslissing op grond van een buitenlandse beslissing’ waarvan het in het arrest J/H Limited consequent spreekt? Of zal het die beslissing zien als een categorie waarover het nog niet heeft beslist? En hoe zal het dan daarover beslissen?
Ook is de vraag of het Hof van Justitie EU inderdaad de bevoegdheidsregeling van Brussel I-bis van toepassing zal achten op een vordering die moet leiden tot ‘een beslissing op grond van een buitenlandse beslissing’. Denkbaar is dat het Hof van Justitie EU daarover alsnog in dezelfde zin beslist als het in het Owens Bank-arrest heeft gedaan voor de procedure tot verkrijging van een zuiver exequatur. Het arrest J/H Limited sluit dat niet uit.
Overigens merk ik op dat als de bevoegdheidsregeling van Brussel I-bis van toepassing is op de vordering ex art. 431 lid 2 Rv en in een concreet geval van toepassing is omdat de verweerder in een EU-land woont, dat tot gevolg heeft dat het verkapt exequatur in dát land gevraagd zal moeten worden en vervolgens op grond van de verordening in de andere lidstaten ten uitvoer kan worden gelegd. Dat is op zichzelf een stelsel dat werkbaar is, zij het dat in het geval dat in het betrokken land geen exequatur gegeven kan worden (echt of verkapt), geen titel meer gekregen kan worden voor het Uniegebied op grond van de buitenlandse beslissing. In dat geval zal een nieuwe zaak aanhangig gemaakt moeten worden, waarin aan de buitenlandse beslissing mogelijk wel gezag kan toekomen (zie hiervoor in 3.4).
Vraag is wel wat in dit stelsel de betekenis van rov. 46 van het arrest J/H Limited precies is voor het verkregen (echte of verkapte) exequatur. Kan de verweerder, als hij de vorderingen niet inhoudelijk heeft kunnen bestrijden bij het geven van die beslissing – wat bij toepassing van de criteria van het Gazprombank-arrest het geval is (de beslissing op grond van die criteria is immers een verkapt exequatur) –, steeds de openbare orde tegen die beslissing in stelling brengen in andere landen, als het recht van dat land een dergelijk beroep op de openbare orde toestaat?
Het voorgaande zou op zichzelf aanleiding kunnen zijn om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie EU. In deze zaak heeft de rechtbank echter al in rov. 5.3 van haar vonnis van 13 augustus 2025, onder verwijzing naar het Owens Bank-arrest, uitdrukkelijk geoordeeld dat Brussel I-bis niet van toepassing is op de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Zij heeft de vraag of dit oordeel juist is, niet aan de orde gesteld bij haar prejudiciële vragen in het vonnis van 26 november 2025. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van Brussel I-bis is daarom in deze fase niet aan de orde in de procedure. Partijen zijn op dit punt dan ook niet ingaan. Daarom vallen hierover naar mijn mening nu geen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU te stellen. Blijkens art. 267 VWEU kunnen immers alleen prejudiciële vragen aan dat hof worden gesteld als dat noodzakelijk is voor de beslissing in de zaak. Blijkens het voorgaande is niet aan deze eis voldaan, nu de juistheid van genoemd oordeel van de rechtbank (vooralsnog) uitgangspunt moet zijn.
Het is echter de vraag of dat gelukkig is. De rechtbank kan immers terugkomen van genoemd oordeel, ook ambtshalve, als dat oordeel duidelijk onjuist is – in dat geval bestaat immers geen gebondenheid aan de gegeven eindbeslissing – en in hoger beroep kan het hof anders beslissen. Er valt rekening mee te houden dat dit gebeurt. Rechtbank of hof zou dan, uitgaande van het voorgaande, alsnog prejudiciële vragen kunnen stellen aan het Hof van Justitie EU.
Daarom merk ik op dat de eerste door de rechtbank gestelde vraag ook aldus valt op te vatten dat de rechtbank daarmee in zijn algemeenheid vraagt waarop de internationale rechtsmacht van de Nederlandse rechter met betrekking tot een vordering ex art. 431 lid 2 Rv rust. Of die bevoegdheid wordt beheerst door Brussel I-bis als de vordering onder het materiële en formele toepassingsgebied van die verordening valt, maakt dan wel deel uit van de vraag. Bij deze lezing is wel voldaan aan de noodzakelijkheidseis van art. 267 VWEU.
Ik zou me dan ook goed kunnen voorstellen dat de Hoge Raad toch prejudiciële vragen hierover stelt aan het Hof van Justitie EU. In het vervolg van deze conclusie ga ik echter ervan uit dat hij dat niet doet.
Brengt het arrest J/H Limited mee dat een ander antwoord moet worden gegeven op de aan de Hoge Raad gestelde vragen?
Daarmee kom ik toe aan de beantwoording van de hiervoor in 3.20 genoemde vraag, of het arrest J/H Limited in verband met het beschreven risico van forumshopping meebrengt dat de Hoge Raad de aan hem gestelde vragen anders moet beantwoorden. Dat is naar mijn mening niet het geval. Het arrest J/H Limited behoeft onmiskenbare verduidelijking, want de reikwijdte ervan is blijkens de ontvangst ervan onduidelijk (zie hiervoor in 3.26-3.30). Of een risico op forumshopping bestaat op grond van het arrest, valt niet goed te zeggen. Het is aan het Hof van Justitie EU om hierover opheldering te verschaffen en aan de rechters in de staten waarin de tenuitvoerlegging van een buitenlandse verkapt exequatur wordt voorgelegd, om die duidelijkheid te vragen. De Hoge Raad heeft naar mijn mening geen reden om bij voorbaat al uit te gaan van het bestaan van het risico op forumshopping op grond van het arrest. Hij hoeft daarmee dus niet of niet zonder meer rekening te houden bij zijn antwoorden. Bovendien is het ook niet zonder meer aan hem om iets aan dat risico te doen. Omdat het hier slechts gaat om een gezichtspunt dat van belang kan zijn bij de rechtsvorming door de Hoge Raad, ligt het mijns inziens niet voor de hand dat de Hoge Raad op dit punt prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie EU. Hij kan zich beperken tot de uitleg of vorming van het nationale recht. Mocht de rechtspraak van het Hof van Justitie EU daartoe aanleiding geven, dan kan de Hoge Raad in de toekomst zijn koers aanpassen. Op dit moment bestaat voor een dergelijke aanpassing onvoldoende grond.
Wordt uitgegaan van de lezing van het arrest J/H Limited die naar mijn mening het meest plausibel is – die hiervoor in 3.29 is vermeld –, dan bestaat overigens denk ik geen risico op forumshopping. Het arrest heeft dan geen betrekking op de toewijzing van een vordering ex art. 431 lid 2 Rv, die in feite neerkomt op de verlening van exequatur.
Dit zou nog nader kunnen worden uitgewerkt door die toewijzing uitdrukkelijk aan te merken als een gewoon – dus ‘echt’ – exequatur, wat zij op grond van de regels van het Gazprombank-arrest in wezen is. De beslissing van het Owens Bank-arrest is daarop dan zonder meer van toepassing gebleven. Daarbij merk ik op dat het Hof van Justitie EU geen grond heeft om verschil te maken tussen een wettelijke en een jurisprudentiële exequaturprocedure. De kwalificatie van een procedure is immers in beginsel aan het nationale recht en aan de nationale rechter.
Bij de kwalificatie van de procedure ex art. 431 lid 2 Rv als ‘echte’ exequaturprocedure is bovendien duidelijk dat ook de bevoegdheidsregeling van Brussel I-bis niet van toepassing is (op grond van het Owens Bank-arrest, ook zoals uitgelegd in het arrest J/H Limited, is dat dan aan te merken als een acte éclairé).
Het arrest J/H Limited heeft dan geen enkele consequentie voor de procedure ex art. 431 lid 2 Rv. Bij deze weg past om art. 985 derde zin Rv als bevoegdheidsgrond te hanteren voor de vordering ex art. 431 lid 2 Rv. Dat accentueert immers dat de gewone exequaturprocedure en procedure tot verlening van een verkapt exequatur als vrijwel identiek moeten worden gezien naar Nederlands recht.
Overigens is natuurlijk wel de vraag of het Hof van Justitie EU de kwalificatie van de toewijzing van een vordering ex art. 431 lid 2 Rv als ‘echt’ exequatur zal accepteren. Ook daarom kan ik mij goed voorstellen dat de Hoge Raad, ondanks het voorgaande en ondanks de al genoemde lage frequentie van zaken over dit onderwerp, tóch prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU stelt over de hiervoor genoemde onderwerpen, teneinde duidelijkheid te laten scheppen.
Beantwoording eerste prejudiciële vraag
Als de mogelijke toepasselijkheid van Brussel I-bis buiten beschouwing wordt gelaten (gelet op het hiervoor in 3.33 besproken oordeel van de rechtbank in rov. 5.3 van het vonnis van 13 augustus 2025), luidt het antwoord op de eerste prejudiciële vraag m.i. dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om te beslissen over een vordering op grond van art. 431 lid 2 Rv in de gevallen genoemd in en op grond van art. 985 derde zin Rv. Art. 431 lid 2 Rv zelf schept geen rechtsmacht voor de Nederlandse rechter. Het ligt voor de hand om bij de toepassing van art. 985 derde zin Rv te eisen dat minstens concreet uitzicht bestaat op de aanwezigheid van verhaalsmogelijkheden in Nederland, in het geval dat de wederpartij van de verzoeker geen woonplaats heeft in Nederland. De verzoeker zal zo nodig aannemelijk moeten maken dat aan de eis is voldaan (zie hiervoor in 3.18-3.19). Het antwoord op de vraag is dus ontkennend.
Als Brussel I-bis van toepassing is op een vordering als bedoeld in art. 431 lid 2 Rv – wat niet duidelijk is (zie hiervoor in 3.31) – en de vordering onder het materiële en formele toepassingsgebied van die verordening valt – dus een burgerlijke of handelszaak betreft en de verweerder in de Unie woont of gevestigd is – dan wordt de bevoegdheid beheerst door de regels van die verordening.
Misbruik van bevoegdheid als buitengrens
Wordt bij de toepassing van art. 985 derde zin Rv uitgegaan van het (op papier) ruimere criterium van de arresten van 17 april en 1 mei 2015 (zie daarvoor hiervoor in 3.12), dan valt te wijzen op de begrenzing door het leerstuk van misbruik van bevoegdheid van art. 3:13 BW. Ook bevoegdheidsgronden mogen immers niet worden misbruikt, van welke misbruik onder meer sprake is als deze gronden worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verleend. Uit het voorgaande blijkt dat art. 431 lid 2 Rv is bedoeld om de tenuitvoerlegging mogelijk te maken van een buitenlandse beslissing in Nederland waarvoor geen wettelijke of verdragsbasis bestaat. De hiervoor genoemde bevoegdheidsgronden worden daardoor ook ieder gerechtvaardigd, in de zin dat daarin een reëel aanknopingspunt met de Nederlandse rechtssfeer is gelegen. Die gronden zijn niet bedoeld om een schuldeiser een beslissing te verschaffen uitsluitend met het oog op de tenuitvoerlegging van een buitenlandse beslissing in andere EU-lidstaten, temeer als daarmee wordt beoogd om de in die andere EU-lidstaten geldende eisen voor erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen uit derde landen te omzeilen. De vraag of in een concreet geval sprake is van misbruik van bevoegdheid zal aan de hand van alle omstandigheden van het geval moeten worden beantwoord.
In deze zaak lijkt misbruik overigens niet aan de orde, nu Omni Bridgeway aanvoert dat zich vermogensbestanddelen van [verweerder 1] in Nederland bevinden (rov. 4.1 van het vonnis van de rechtbank van 26 november 2025).
Tweede prejudiciële vraag
Gelet op het voorgaande behoeft de tweede prejudiciële vraag geen antwoord, nu deze uitsluitend is gesteld voor het geval dat de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord en op grond van het voorgaande tot een ontkennende beantwoording van die vraag valt te komen. Desalniettemin ga ik kort op de tweede vraag in, die onder meer van belang is in het geval wordt uitgegaan van het hiervoor in 3.38 genoemde criterium van de arresten van 17 april en 1 mei 2017. De vraag houdt in of de eis van voldoende belang van art. 3:303 BW dan nog meebrengt dat nadere eisen zijn te stellen.
Voldoende belang ex art. 3:303 BW bij een verkapte exequatur t.b.v. toekomstige tenuitvoerlegging in Nederland
Art. 3:303 BW bepaalt dat zonder voldoende belang aan niemand een rechtsvordering toekomt. Bij deze bepaling gaat het niet om het bestaan van enig belang, maar om het bestaan van voldoende belang om een procedure te rechtvaardigen. Dat eiser dat belang heeft, wordt in beginsel verondersteld. Slechts bij uitzondering zal de eiser aannemelijk moeten maken dat hij dat belang heeft. Of voldoende belang bij een vordering bestaat, moet worden beoordeeld naar het moment van de beoordeling van de vordering door de rechter, dat wil zeggen het moment van de uitspraak.
Wordt uitgegaan van het criterium van de arresten van 17 april en 1 mei 2015, dan ligt het niet voor de hand om nog nadere eisen aan de vordering te stellen via de band van het belangvereiste. Het volstaat dan immers dat de verzoeker zich wenst te verhalen op vermogensbestanddelen die zich ‘op enig moment’ in Nederland zullen bevinden. Alleen als uitgesloten te achten zou zijn dat zich ooit vermogensbestanddelen in Nederland zullen bevinden, kan wellicht gezegd worden dat voldoende belang ontbreekt, in het geval van toepassing van dit criterium.
Wordt uitgegaan van het criterium van de arresten van 17 april en 1 mei 2015, dan valt de tweede prejudiciële vraag dus bevestigend te beantwoorden.
4 Conclusie
De conclusie strekt tot beantwoording van de eerste prejudiciële vraag in de hiervoor in 3.37 genoemde zin. De tweede prejudiciële vraag behoeft dan geen beantwoording.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G