Ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht. Geschillenregeling Boek 2 BW (na invoering 'Wagevoe'). Uitstoting en uittreding. O.a…
ECLI:NL:PHR:2026:893 · Parket bij de Hoge Raad · 18 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/ondernemingsrecht/ecli-nl-phr-2026-893
Zaakgegevens
Op 18 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over ondernemingsrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 18 september 2026
- Datum publicatie
- 17 september 2026
- Zaaknummer
- 26/00036
- Rechtsgebied
- Civiel recht Ondernemingsrecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:893
Samenvatting
Ondernemingsrecht. Geschillenregeling Boek 2 BW (na invoering 'Wagevoe'). Uitstoting en uittreding. O.a. klachten over inhoud vennootschapsbelang in dit geval.
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 26/00036
Zitting 18 september 2026
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
2000 HH B.V. (hierna: 2000 HH)
tegen
[verweerster] B.V. (hierna: BV)
Inleiding
Deze zaak betreft een procedure inzake de geschillenregeling in Boek 2 BW. Daarin heeft de OK het verzoek tot uitstoting en het verzoek tot uittreding afgewezen. Daartegen komt de verzoeker, 50%-aandeelhouder van de B.V. in kwestie, in cassatie op. M.i. vergeefs.
1 Feiten
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten als vastgesteld in rov. 2.1-2.17 van de bestreden beschikking van de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna: de beschikking respectievelijk de OK).
[betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) is DGA van 2000 HH (tezamen met [betrokkene 1] hierna: [betrokkene 1] c.s.). [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) is DGA van [verweerster] BV (tezamen met [betrokkene 2] hierna: [verweerster] c.s.).
[A] B.V. (hierna: [A]) is op 22 februari 2007 opgericht. [betrokkene 2] is de enige bestuurder van [A] en is zelfstandig bevoegd haar te vertegenwoordigen. Tot 1 januari 2024 was ook [betrokkene 1] bestuurder van [A] . [betrokkene 1] en [betrokkene 2] houden via 2000 HH respectievelijk [verweerster] BV elk 50% van de aandelen in [A] .
[A] drijft een onderneming die zich richt op ingenieurswerkzaamheden voor bouwconstructies. [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]) is vanaf de oprichting betrokken geweest bij de bedrijfsvoering van [A] . Hij had veel informele invloed op de samenwerking tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Als zij er onderling niet uitkwamen, kon [betrokkene 3] de knopen doorhakken.
In mei 2007 - drie maanden na de oprichting - hebben 2000 HH en [verweerster] BV voor het eerst met elkaar gesproken over het beëindigen van hun samenwerking in [A] en de mogelijkheden om apart van elkaar buiten [A] een onderneming te drijven. Dit heeft niet geleid tot concrete afspraken. Vervolgens hebben 2000 HH en [verweerster] BV in 2011, 2018 en 2019 opnieuw geprobeerd om tot een ontvlechting te komen. Daarbij hebben zij onder meer gekeken naar een aandelenoverdracht, het betrekken van een derde aandeelhouder en het splitsen van [A] . Dit heeft niet tot een daadwerkelijke ontvlechting geleid. [betrokkene 3] is sinds februari 2018 niet meer betrokken bij [A] .
Eind 2021 is er tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een conflict ontstaan over de vergoeding van reiskosten voor woon-werkverkeer door [A] . Door een verhuizing is [betrokkene 2] verder weg van het kantoor van [A] gaan wonen dan [betrokkene 1] . Om die reden heeft [betrokkene 2] gedurende een aantal jaar meer reiskosten gedeclareerd bij [A] dan [betrokkene 1] . [betrokkene 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat de reiskostenvergoeding voor beiden gelijk zou moeten zijn ongeacht de afstand tussen woon- en werkadres. Daarbij heeft [betrokkene 1] gewezen op een afspraak die in het verleden zou zijn gemaakt. [betrokkene 2] zag dit anders. Hij wees erop dat de vergoedingen altijd in de administratie van [A] zijn opgenomen en dat [betrokkene 1] hiertegen in het verleden geen bezwaar heeft gemaakt. Partijen hebben in 2021 alleen afspraken gemaakt voor de toekomst, maar de onvrede bij [betrokkene 1] vanwege de volgens hem te hoge reiskostenvergoeding uit het verleden is blijven bestaan.
In de eerste maanden van 2023 zijn 2000 HH en [verweerster] BV nog een keer in onderhandeling getreden om tot ontvlechting te komen. Ondanks concrete voorstellen over en weer hebben partijen wederom geen overeenstemming bereikt. Vervolgens is [B] B.V. (hierna: [B]) als koper van [A] in beeld gekomen. Een van de handelsnamen van [B] is Pelecon . Pelecon is een adviesbureau voor bouwtechnische constructies. In het kader van de mogelijke overname heeft [B] in juli 2023 verzocht om inzicht in de halfjaarcijfers van [A] over de eerste helft van 2023. Gelijktijdig met dat verzoek is tussen 2000 HH en [verweerster] BV de discussie over de gedeclareerde reiskosten opnieuw gaan spelen. Op 21 juli 2023 heeft 2000 HH aan [verweerster] BV laten weten de halfjaarcijfers alleen te willen delen met [B] als [verweerster] BV akkoord zou gaan met haar schikkingsvoorstel met betrekking tot de reiskostenvergoeding. [verweerster] BV is daarmee niet akkoord gegaan. 2000 HH heeft vervolgens op 24 juli 2023 een e-mail aan [B] gestuurd, waarin staat dat [verweerster] BV en 2000 HH onderling geen overeenstemming hebben over de verkoopvoorwaarden en dat de halfjaarcijfers van [A] daarom niet worden gedeeld. [verweerster] BV heeft kort daarna per e-mail aan [B] toegelicht dat dit de kwestie over de reiskosten betreft.
Bij e-mail van 6 september 2023 heeft [betrokkene 1] aan [betrokkene 2] kenbaar gemaakt per 1 januari 2024 terug te treden als bestuurder van [A] vanwege de ontstane impasse.
Bij e-mail van 2 oktober 2023 heeft [B] in reactie op een vraag van 2000 HH toegelicht waarom zij niet verder wilde onderhandelen met [A] over de overname. Daarin komt naar voren dat dit mede was gelegen in de onenigheid tussen 2000 HH en [verweerster] BV.
Bij e-mail van 6 oktober 2023 heeft [betrokkene 1] aan het personeel van [A] bekend gemaakt dat hij per 1 januari 2024 niet meer als bestuurder betrokken zal zijn bij [A] . Vervolgens hebben in nog geen twee maanden tijd drie medewerkers van [A] ontslag genomen.
Op 18 januari 2024 heeft [betrokkene 2] aan 2000 HH laten weten een aantal besluiten te hebben genomen naar aanleiding van het terugtreden van [betrokkene 1] als bestuurder van [A] . In die e-mail is het volgende geschreven met betrekking tot de besluiten:
“- Eenieder is vrij om vanaf het einde van deze maand voor zichzelf werken aan te nemen en omzet te genereren buiten [A] .
- Om definitief te ontvlechten zal het noodzakelijk zijn dat er geen activiteiten binnen [A] meer plaats zullen vinden. Er komen geen nieuwe werken meer op naam van [A] en de lopende verplichtingen en werken worden voortgezet tot deze zijn afgehandeld dan wel kunnen worden beëindigd, waarna het besluit tot ontbinding van [A] genomen kan worden.
- Voor de werkzaamheden die cliënt nog verricht voor (de beëindiging van de activiteiten van) [A] zal cliënt vanuit [A] een redelijke vergoeding ontvangen die gebaseerd is op een uurtarief van EUR 95 (ex BTW).”
[verweerster] BV heeft op 9 april 2024 MEGA Constructions B.V. opgericht (hierna: MEGA Constructions). [betrokkene 1] is op enig moment via 2000 HH zelfstandig constructieopdrachten gaan aannemen, onder meer van (voormalige) klanten van [A] .
De conceptjaarrekening 2023 van [A] is op 4 oktober 2024 voorzien van een samenstellingsverklaring van de accountant en is daarna op 13 oktober 2024 met 2000 HH gedeeld. Naar aanleiding van de conceptjaarcijfers heeft 2000 HH om informatie gevraagd aan [betrokkene 2] , zoals overzichten van de uitgaande en inkomende facturen, bankafschriften, urenstaten van het (ingehuurde) personeel, de stand van de projecten eind 2023 en toegang tot de digitale administratie via Basecone en Twinfield. [betrokkene 2] heeft op 25 oktober 2024 nadere informatie aan 2000 HH verstrekt. Het ging daarbij om een overzicht van het onderhanden werk per 31 december 2023, de grootboekkaarten van de debiteuren en de crediteuren en een overzicht van de kosten per personeelslid.
Op 25 november 2024 heeft een aandeelhoudersvergadering van [A] plaatsgevonden. [verweerster] BV heeft tijdens die vergadering aan 2000 HH meegedeeld dat zij MEGA Constructions gebruikt om zelfstandig ingenieurswerkzaamheden te verrichten. Verder hebben [verweerster] BV en 2000 HH besproken dat diverse projecten door opdrachtgevers van [A] zijn ingetrokken of zijn overgedragen aan een derde partij: Sustainable Design Engineering.
2000 HH heeft op 12 december 2024 [betrokkene 2] verzocht om een accountant opdracht te geven tot onderzoek van de jaarrekening 2023 zoals bedoeld in art. 18 lid 3 onder a van de statuten van [A] . Dat artikel van de statuten van [A] luidt:
“De vennootschap verleent opdracht tot onderzoek van de jaarrekening, tenzij zij daarvan is vrijgesteld op grond van de wet en de algemene vergadering heeft besloten geen opdracht tot onderzoek te verstrekken. Tot het verlenen van de opdracht is de algemene vergadering steeds bevoegd. Gaat deze daartoe niet over, dan komt het bestuur deze bevoegdheid toe.”
Bij e-mail van 13 december 2024 heeft (de advocaat van) [betrokkene 2] aan 2000 HH geantwoord:
“Ik blijf geheel achter mijn opmerking staan dat het absurd is om nu om een accountantscontrole van de jaarrekening 2023 te vragen en in het verleden is dat ook nooit gedaan, hetgeen ook volstrekt logisch is voor een onderneming van deze omvang. Daarnaast geldt dat accountants doorgaans niet na afloop van een boekjaar en zonder interim controle in dat boekjaar een dergelijke nieuwe opdracht zouden aanvaarden. Er is dus waarschijnlijk geen RA te vinden die bereid is dat te doen, laat staan dat het een verklaring zonder beperkingen op zou leveren gelet op het feit dat het dan het eerste jaar zou zijn dat de controle plaatsvindt. Uw cliënte zou er dus in de praktijk helemaal niets mee opschieten. Wel zou het alle partijen ook alleen maar op verdere kosten jagen waardoor enige waarde die er nog zou zijn teniet gaat en er straks helemaal niets meer overblijft (…).”
Op 21 augustus 2025 heeft [verweerster] BV recente versies verstrekt van de kolommenbalans van [A] , een overzicht van de stand van de projecten en een overzicht van nog te verwachten inkomsten en uitgaven van [A] .
[A] heeft naast [betrokkene 2] op dit moment één (ziekgemelde) werknemer van wie de arbeidsovereenkomst naar verwachting eind 2025 zal eindigen. [betrokkene 2] verwacht dat [A] in de loop van 2026 zal zijn afgewikkeld.
2 Procesverloop
Bij de OK
Bij verzoekschrift van 24 april 2025 heeft 2000 HH de OK verzocht, samengevat: primair tot uitstoting van [verweerster] BV als aandeelhouder van [A] (hierna: het uitstotingsverzoek) en subsidiair tot uittreding van 2000 HH als aandeelhouder van [A] (hierna: het uittredingsverzoek), met veroordeling van [verweerster] BV in de proces- en nakosten.
Bij verweerschrift van 31 juli 2025 heeft [verweerster] BV geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van 2000 HH, met veroordeling van 2000 HH in de proceskosten.
Op 28 augustus 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij de OK. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt (hierna: het p-v).
Bij de beschikking heeft de OK de verzoeken van 2000 HH afgewezen, met veroordeling van 2000 HH in de proceskosten. Voor zover nodig kom ik hierna terug op hetgeen de OK daartoe heeft geoordeeld.
In cassatie
Bij procesinleiding van 6 januari 2026 heeft 2000 HH (tijdig) cassatieberoep ingesteld van de beschikking.
Bij verweerschrift van 12 maart 2026 heeft [verweerster] BV geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
3 Juridisch kader
Ik zie aanleiding af te trappen met een kort juridisch kader. Tegen die achtergrond bespreek ik, vanaf 4.1 hierna, het cassatiemiddel van 2000 HH.
Deze zaak betreft de geschillenregeling van titel 8, afdeling 1 van Boek 2 BW, in het bijzonder de daarin opgenomen uitstotingsprocedure. De twee hoofdpijlers van deze wettelijke geschillenregeling, betreffende een kapitaalvennootschap in de zin van art. 2:336 BW, zijn de uitstotingsprocedure en de uittredingsprocedure. Een uitstotingsprocedure maakt het in bepaalde gevallen mogelijk een aandeelhouder ‘uit te stoten’, wat erop neerkomt dat deze zijn aandelen in de vennootschap moet overdragen. Een uittredingsprocedure maakt het in bepaalde gevallen mogelijk als aandeelhouder ‘uit te treden’, wat erop neerkomt dat de desbetreffende aandelen in de vennootschap dienen te worden overgenomen.
De uitstotingsprocedure is, sinds de inwerkingtreding van de Wet aanpassing geschillenregeling en verduidelijking ontvankelijkheidseisen enquêteprocedure (hierna: de Wagevoe), per 1 januari 2025 opgenomen in art. 2:336a e.v. BW. Onder meer is gewijzigd dat de OK exclusief bevoegd is om kennis te nemen van uitstotingsverzoeken, en dat de procedure wordt ingeleid door een verzoekschrift in plaats van een dagvaarding.
Art. 2:336a lid 1 BW vereist voor toewijzing van een verzoek tot uitstoting van een aandeelhouder onder meer dat de uit te stoten aandeelhouder door zijn gedragingen, al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder van de vennootschap, het belang van de vennootschap zodanig schaadt of heeft geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld.
In het onder 3.4 hiervoor bedoelde vereiste liggen, zoals A-G Timmerman al opmerkte over de voorganger van dit vereiste zoals vervat art. 2:336 lid 1 (oud) BW, drie elementen besloten: (i) de gedragingen die aanleiding zijn tot uitstoting; (ii) schade aan het vennootschapsbelang; en (iii) een redelijkheidstoets. Ook de wetgever refereert bij de toelichting op de Wagevoe naar deze onderverdeling. Du Bois hanteert deze drieslag eveneens, maar dan met de trits gedrags-, schade- en redelijkheidscriterium, die intussen ook OK-rechtspraak heeft bereikt. Ik licht deze drie elementen kort toe.
Eerst element (i). Onder art. 2:336 lid 1 (oud) BW vielen alleen gedragingen van de aandeelhouder als zodanig binnen het bereik van de bepaling, niet (ook) diens gedragingen in een andere hoedanigheid. De wetgever achtte dit onwenselijk, zodat onder art. 2:336a lid 1 BW ook gedragingen van een aandeelhouder in een andere hoedanigheid relevant kunnen zijn (“gedragingen al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder”). Als voorbeelden worden genoemd een aandeelhouder die de vennootschap oneerlijke concurrentie aandoet, en een bestuurder die tevens 50%-aandeelhouder is en wangedrag vertoont.
De uit te stoten aandeelhouder dient “door” zijn gedragingen, dus in welke hoedanigheid dan ook, “het belang van de vennootschap” te schaden (heden) of te hebben geschaad (verleden). Dit is element (ii). Dit vergt een zekere causaliteit (“door”). Daarbij gaat het dus niet om het belang van de verzoekende aandeelhouder en/of van een derde, maar om het (te onderscheiden) belang van de vennootschap. Eerder heb ik vanuit drie invalshoeken observaties geplaatst bij dit laatste belang, waaronder de contextafhankelijke inhoud ervan. Die observaties doen ook opgeld in een geval zoals het onderhavige. Ik verwijs kortheidshalve naar die observaties.
Dit breng mij bij element (iii). De eis dat het voortduren van het aandeelhouderschap “in redelijkheid niet kan worden geduld”, dient te worden bezien in verbinding met de daaraan voorafgaande verwijzing naar “zodanig”. De rechter beoordeelt of het belang van de uit te stoten aandeelhouder om aandeelhouder te blijven, al met al, opweegt tegen het vennootschapsbelang dat met de uitstoting van de aandeelhouder gediend zou zijn. Dit veronderstelt een door de rechter te verrichten belangenafweging. Deze belangenafweging zal niet op lichte gronden ten nadele van die aandeelhouder kunnen uitvallen, net zo min als indertijd bij art. 2:336 lid 1 (oud) BW.
Tot slot nog dit. De OK, een gespecialiseerde rechter, heeft in een zaak zoals de onderhavige een grote vrijheid om haar taak als feitenrechter uit te oefenen. De beslissing van de OK of al dan niet is voldaan aan het onder 3.4 hiervoor bedoelde vereiste voor uitstoting is in cassatietechnisch opzicht een gemengde: deels juridisch van aard, deels feitelijk. In het licht van dit een en ander zal over het algemeen de toetsing door de Hoge Raad van een dergelijke beslissing beperkt (moeten) zijn.
4 Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel van 2000 HH vangt aan met een inleiding zonder klachten. Dan komt onderdeel 1, dit bevat tien subonderdelen met rechts- en motiveringsklachten. Daarop volgt nog een toelichting op het onderdeel, die betrek ik waar relevant.
Onderdeel 1
Het onderdeel vangt aan met een puntsgewijze weergave van rov. 3.5-3.6 van de beschikking. Hierin staan geen klachten.
Subonderdeel 1.1 is gericht tegen het volgende oordeel in rov. 3.5 van de beschikking:
“Intussen zette [betrokkene 1] zijn activiteiten voort via 2000 HH. [betrokkene 1] informeerde klanten van [A] waar zij hem voortaan konden bereiken; hij heeft ook daadwerkelijk voormalige klanten van [A] via 2000 HH bediend.”
En tegen het volgende oordeel in rov. 3.6:
“Het mag zijn dat een feitelijke liquidatie een aandeelhoudersbesluit behoeft, maar het vertrek van [betrokkene 1] als bestuurder van [A] en het opstarten van concurrerende werkzaamheden vanuit 2000 HH kan niet anders worden begrepen dan dat ook [betrokkene 1] geen toekomst meer zag in de samenwerking binnen [A] .”
Noot 20 van de procesinleiding merkt nog op dat “deze klacht” “voor zover nodig” ook is gericht tegen rov. 2.11, tweede zin, waarin de OK overweegt:
“ [betrokkene 1] is op enig moment via 2000 HH zelfstandig constructieopdrachten gaan aannemen, onder meer van (voormalige) klanten van [A] .”
Volgens het subonderdeel zijn de zo-even weergegeven oordelen ontoereikend gemotiveerd, omdat de OK niet expliciet heeft gerespondeerd op bepaalde essentiële stellingen van 2000 HH die in het subonderdeel, met verwijzing naar vindplaatsen, zijn weergegeven onder (i) t/m (v). Dit wordt uitgewerkt in de volgende twee klachten.
Die stellingen zijn essentieel, omdat zij demonstreren dat 2000 HH niet eerder met eigen ingenieurswerkzaamheden is begonnen dan na de omstreden besluiten van [betrokkene 2] van 18 januari 2024, namelijk pas in februari 2024, en dus niet “[i]ntussen”, zoals de OK in rov. 3.5 heeft overwogen na te hebben geconstateerd dat [betrokkene 1] op 6 september 2023 had aangegeven zijn werkzaamheden voor [A] te zullen staken en op 22 november 2023 daadwerkelijk per 1 januari 2024 ontslag nam. De OK suggereerde daarmee in rov. 3.5-3.6 in onderling verband - en gelet op de stellingen (i) t/m (v): ten onrechte dan wel op ontoereikend gemotiveerde wijze - dat het stakingsbesluit gerechtvaardigd was, omdat 2000 HH daarvoor al concurrerende werkzaamheden zou zijn gaan verrichten.
Die stellingen zijn bovendien essentieel, omdat zij laten zien dat “deze beslissing” (ik begrijp: de beslissing van [betrokkene 1] om via 2000 HH te beginnen met eigen ingenieurswerkzaamheden) is geboren uit financiële nood, nooit is beoogd om [A] te beconcurreren en geen concurrerende handelingen zijn verricht. Het oordeel van de OK is dus meer in het bijzonder ontoereikend gemotiveerd voor zover zij heeft geoordeeld dat 2000 HH met [A] concurrerende werkzaamheden zou zijn gaan verrichten.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Ik begin met de klacht onder 4.4.1 hiervoor.
Zij mist feitelijke grondslag in de beschikking. Dit is al fataal. Ik licht toe.
Nergens in rov. 3.5 lees ik terug dat de OK qua chronologie van gebeurtenissen overweegt zoals de klacht veronderstelt. De OK noemt daarin een aantal data, waaronder:
“(…) dat [betrokkene 1] op 6 september 2023 aan [betrokkene 2] aankondigde zijn werkzaamheden voor [A] per 1 januari 2024 te zullen staken. Een groot deel van het personeel vertrok vervolgens nadat het hiervan door [betrokkene 1] op 6 oktober 2023 op de hoogte was gesteld. Op 22 november 2023 nam [betrokkene 1] daadwerkelijk per 1 januari 2024 ontslag.”
Dan volgt de onder 4.3 hiervoor geciteerde overweging in rov. 3.5. Hieruit kan m.i. niet worden opgemaakt dat volgens de OK, [betrokkene 1] via 2000 HH is begonnen met eigen ingenieurswerkzaamheden (deze werkzaamheden is gaan verrichten) voordat [betrokkene 2] de besluiten van 18 januari 2024 nam. Evenmin biedt dit dan een basis om aan te nemen dat volgens de OK het stakingsbesluit gerechtvaardigd was, omdat [betrokkene 1] via 2000 HH daarvóór al concurrerende werkzaamheden is gaan verrichten. Met die overweging in rov. 3.5 bedoelt de OK iets anders, namelijk: dat [betrokkene 1] voorafgaand aan die besluiten van 18 januari 2024 (al vóór 1 januari 2024, de datum waarop hij defungeerde als bestuurder van [A] ) aanvang heeft gemaakt met het opstarten van die eigen ingenieurswerkzaamheden via 2000 HH, in het bijzonder door klanten van [A] te informeren waar zij hem voortaan konden bereiken. Het gaat hier derhalve om de opstartfase, voorafgaand aan het daadwerkelijk plaatsvinden van die eigen ingenieurswerkzaamheden via 2000 HH. Daarop sluit ook aan de onder 4.3 hiervoor geciteerde verwijzing in rov. 3.6 naar “het opstarten [door [betrokkene 1] , A-G] van concurrerende werkzaamheden vanuit 2000 HH”. Aldus dient ook te worden verstaan de verwijzing in rov. 3.11 naar “het feit dat [betrokkene 1] in 2000 HH voor zichzelf was begonnen”.
In rov. 3.6 lees ik evenmin terug wat de klacht ervan maakt. Daarin begint de OK met de constatering dat zij “niet [kan] vaststellen dat het (overwegend) aan [verweerster] c.s. is te wijten dat partijen niet op een minnelijke wijze afscheid van elkaar hebben kunnen nemen”. Daarna zet de OK, samengevat, het volgende uiteen.
- Het is alleszins begrijpelijk dat [betrokkene 2] na het zelfgekozen ontslag van [betrokkene 1] heeft geconcludeerd dat de samenwerking via [A] ten dode was opgeschreven.
- Ook als een feitelijke liquidatie een aandeelhoudersbesluit behoeft, kan het vertrek van [betrokkene 1] als bestuurder van [A] en het opstarten van concurrerende werkzaamheden vanuit 2000 HH niet anders worden begrepen dan dat ook [betrokkene 1] geen toekomst meer zag in de samenwerking binnen [A] .
- In de gegeven omstandigheden valt goed te billijken dat [betrokkene 2] zijn bestuurswerkzaamheden vervolgens heeft gericht op een afwikkeling van [A] , al was niet formeel door de algemene vergadering tot ontbinding of feitelijke liquidatie besloten.
- Daarbij is ook relevant dat [A] na het vertrek van [betrokkene 1] en de personele leegloop ook niet meer in staat was om nieuwe projecten aan te nemen, en de wil daartoe van de beide aandeelhouders ontbrak.
- Het klopt dat de bezoldiging van [betrokkene 2] moet berusten op een besluit van de algemene vergadering, en dat [A] bij gebreke daaraan niet jegens [betrokkene 2] is gebonden. Dit laat onverlet dat [betrokkene 2] recht heeft op een redelijke beloning voor zijn werkzaamheden, en dat de onderhavige vergoeding alleszins redelijk voorkomt.
Ook hierin zie ik nergens staan dat volgens de OK, [betrokkene 1] via 2000 HH is begonnen met eigen ingenieurswerkzaamheden (deze werkzaamheden is gaan verrichten) voordat [betrokkene 2] de besluiten van 18 januari 2024 nam. Noch dat volgens de OK het stakingsbesluit gerechtvaardigd was, omdat [betrokkene 1] via 2000 HH daarvóór al concurrerende werkzaamheden is gaan verrichten. Wel dat volgens de OK, [betrokkene 1] voorafgaand aan die besluiten van 18 januari 2024 (al vóór 1 januari 2024, de datum waarop hij defungeerde als bestuurder van [A] ) aanvang heeft gemaakt met het opstarten van die eigen ingenieurswerkzaamheden via 2000 HH, in het bijzonder dus - zie al rov. 3.5 - door klanten van [A] te informeren waar zij hem voortaan konden bereiken. Het gaat ook hier om de opstartfase, voorafgaand aan het daadwerkelijk plaatsvinden van die eigen ingenieurswerkzaamheden via 2000 HH.
Dit een en ander laat zien dat de OK het voor afwijzing van het uitstotingsverzoek ook niet nodig heeft te oordelen dat [betrokkene 1] via 2000 HH is begonnen met eigen ingenieurswerkzaamheden (deze werkzaamheden is gaan verrichten) voordat [betrokkene 2] de besluiten van 18 januari 2024 nam, of dat het stakingsbesluit gerechtvaardigd was, omdat [betrokkene 1] via 2000 HH daarvóór al concurrerende werkzaamheden is gaan verrichten. Zoiets brengt de OK in rov. 2.11, tweede zin dus evenmin tot uitdrukking, daarmee zegt zij hoogstens dat op enig moment ná die besluiten van 18 januari 2024 [betrokkene 1] via 2000 HH zelfstandig constructieopdrachten is gaan aannemen, onder meer van (voormalige) klanten van [A] . Het beeld wordt trouwens niet anders als de andere overwegingen in het kader van het uitstotingsverzoek erbij worden genomen, dus rov. 3.1-3.4 en 3.7-3.9. Ook daarin staat niet dat volgens de OK, [betrokkene 1] via 2000 HH is begonnen met eigen ingenieurswerkzaamheden (deze werkzaamheden is gaan verrichten) voordat [betrokkene 2] die besluiten van 18 januari 2024 nam. Noch dat volgens de OK het stakingsbesluit gerechtvaardigd was, omdat [betrokkene 1] via 2000 HH daarvóór al concurrerende werkzaamheden is gaan verrichten. Hetzelfde geldt overigens voor rov. 3.10-3.11, inzake het uittredingsverzoek. Daarin redeneert de OK, voor zover relevant, juist in lijn met rov. 3.5-3.6 zoals uiteengezet onder 4.6.2-4.6.3 hiervoor:
“3.11 (…) Dat [betrokkene 2] de bedrijfsvoering heeft verwaarloosd is niet gebleken. Eerder moet worden geoordeeld dat [betrokkene 2] een logische conclusie heeft getrokken. Het vertrek van [betrokkene 1] als bestuurder, het daarop gevolgde vertrek van personeel en het feit dat [betrokkene 1] in 2000 HH voor zichzelf was begonnen, leidde tot de gevolgtrekking dat de samenwerking tussen partijen in [A] definitief was beëindigd, dat voortzetting van de onderneming van [A] niet meer mogelijk zou zijn en dat ieder van hen nu zijn eigen weg moest kunnen gaan. Dat [betrokkene 2] onder die omstandigheden heeft besloten de onderneming af te wikkelen door geen nieuwe projecten meer aan te nemen en de bestaande projecten zo goed mogelijk af te maken of af te stoten, waarna de vennootschap kan worden ontbonden en vereffend, is alleszins te billijken. (…).”
Het volgt uit 4.6.1-4.6.4 hiervoor dat de uitkomst niet anders wordt indien rov. 3.5-3.6 (en 2.11, tweede zin) in onderling verband en samenhang worden gelezen.
Tot slot de klacht onder 4.4.2 hiervoor.
Zij strandt in het voetspoor van de klacht onder 4.4.1 hiervoor.
Zoals volgt uit de bespreking daarvan lees ik nergens in rov. 3.5-3.6 dan wel 2.11, tweede zin dat volgens de OK, [betrokkene 1] via 2000 HH is begonnen met eigen ingenieurswerkzaamheden (deze werkzaamheden is gaan verrichten) voordat [betrokkene 2] de besluiten van 18 januari 2024 nam. Noch dat volgens de OK het stakingsbesluit gerechtvaardigd was, omdat [betrokkene 1] via 2000 HH daarvóór al concurrerende werkzaamheden is gaan verrichten. Wel dat volgens de OK, [betrokkene 1] voorafgaand aan die besluiten van 18 januari 2024 (al vóór 1 januari 2024, de datum waarop hij defungeerde als bestuurder van [A] ) aanvang heeft gemaakt met het opstarten van die eigen ingenieurswerkzaamheden via 2000 HH, in het bijzonder door klanten van [A] te informeren waar zij hem voortaan konden bereiken. Het gaat hier derhalve om de opstartfase, voorafgaand aan het daadwerkelijk plaatsvinden van die eigen ingenieurswerkzaamheden via 2000 HH. Voor zover de OK al iets zegt over het moment waarop [betrokkene 1] via 2000 HH zelfstandig constructieopdrachten is gaan aannemen, onder meer van (voormalige) klanten van [A] , is dat dus hoogstens: op enig moment ná die besluiten van 18 januari 2024.
Aan dit een en ander staan de stellingen (i) t/m (v) die de klacht aanhaalt naar de aard niet in de weg. Ik licht toe.
Bij de stellingen (i) en (ii) gaat het immers erom dat ( [betrokkene 1] via) 2000 HH inkomsten moest gaan genereren, dat het redelijk is dat dit geschiedde door ingenieurswerk/advieswerkzaamheden te doen, en dat dit werk pas vanaf februari 2024 langzaam begon. Wat daarvan verder zij, dit laat eenvoudigweg ruimte voor de onder 4.7.2 hiervoor samengevatte oordelen van de OK.
Dit laatste geldt ook voor de stellingen (iii) en (iv). Bij stelling (iii) gaat het immers erom dat het de bedoeling was van 2000 HH om [A] te ondersteunen waar mogelijk, en 2000 HH daartoe aan [betrokkene 2] heeft aangeboden om als opdrachtnemer van [A] voor [A] uren te maken, maar [betrokkene 2] dit heeft geweigerd. En bij stelling (iv) dat 2000 HH in haar berichtgeving (waaronder haar e-mails) een bepaalde disclaimer hanteerde.
Voor zover 2000 HH met stelling (iv) nog suggereerde dat uit de disclaimer volgt dat zij geen “ingenieurswerkzaamheden” verricht, is - nog daargelaten de stellingen (i), (ii) en (iii) - evident dat de disclaimer deze gevolgtrekking niet kan schragen, integendeel.
De uitkomst wordt niet anders door stelling (v). Dit behelst immers niet meer dan dat [betrokkene 1] eind 2023/begin 2024 overwoog om te emigreren naar Spanje en daar een bazaar te starten, waartoe hij in contact stond met een Spaanse makelaar. Wat daarvan verder zij, dit laat voornoemde oordelen van de OK onverlet.
Dit betekent dat de stellingen (i) t/m (v), ook indien bezien in onderling verband en samenhang, de OK geen reden gaven haar onder 4.7.2 hiervoor samengevatte oordelen nog weer nader te motiveren.
Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht.
Daarmee is ook het lot van de onder 4.4 hiervoor bedoelde hoofdklacht bezegeld.
Subonderdeel 1.2 bevat de volgende klachten.
a. Met de oordelen zoals weergegeven in onderdeel 1 onder a t/m n heeft de OK miskend dat indien, zoals hier, aan de vennootschap een onderneming is verbonden, het vennootschapsbelang in de regel vooral wordt bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming.
b. In ieder geval heeft de OK in dat verband ten onrechte doorslaggevend belang gehecht aan de vraag of de samenwerking tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in [A] nog toekomst had (zie de oordelen zoals weergegeven in onderdeel 1 onder f t/m j), bij haar oordeel dat [betrokkene 2] zich als bestuurder van [A] redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat het belang van [A] niet langer was gericht op het bevorderen van het bestendige succes van haar onderneming, maar op een ordentelijke ontvlechting en afwikkeling van de samenwerking binnen [A] . Bij dit oordeel heeft de OK het belang van de onderneming zelf, die in [A] wordt gedreven, uit het oog verloren.
c. Althans, de oordeelsvorming van de OK in dit opzicht is onbegrijpelijk, omdat zij geen inzicht heeft gegeven in haar gedachtegang waarom de omstandigheid dat de samenwerking tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in [A] geen toekomst meer zou hebben, ook zou meebrengen dat het belang van de onderneming, die in [A] wordt gedreven, vanuit het perspectief van [betrokkene 2] als bestuurder van [A] redelijkerwijs geacht kon worden gericht te zijn op beëindiging daarvan.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Ik begin met klacht a.
Voor het concept ‘vennootschapsbelang’ is deze Hoge Raad-overweging richtinggevend:
“Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (vgl. thans art. 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. In geval van een joint venture-vennootschap wordt het belang van de vennootschap voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. De aard en inhoud van het samenwerkingsverband in een joint venture-vennootschap waarin de aandeelhouders een gelijkwaardig aandeel hebben, kunnen meebrengen dat (ook) het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders; dit kan betekenen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder mogen veranderen dan in het licht van de omstandigheden geboden is.”
Het gaat de klacht om de derde zin in het citaat, dus “Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden”, etc. Anders dan de klacht veronderstelt, ziet de OK in rov. 3.5-3.6 van de beschikking niet eraan voorbij dat indien, zoals in dit geval, aan de vennootschap een onderneming is verbonden, het vennootschapsbelang in de regel vooral wordt bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. Ik licht toe.
De tweede zin in het citaat, dus “Wat dat belang inhoudt”, etc., maakt duidelijk dat de inhoud van het vennootschapsbelang afhangt van de omstandigheden van het geval. Is aan de vennootschap een onderneming verbonden, dan komt in ieder geval de derde zin in het citaat in beeld: de koppeling van die inhoud aan bevordering van het bestendige succes van deze onderneming. Die derde zin bevat evenwel de “in de regel vooral”-clausulering. Daarmee wordt onder meer rekening gehouden met de mogelijkheid van een situatie waarin weliswaar een onderneming is verbonden aan de vennootschap, maar die koppeling niet langer opgeld doet en dienaangaande dus een perspectiefwisseling optreedt. In rov. 3.5-3.6 zet de OK uiteen dat in dit geval sprake is van zo’n situatie, waarbij [betrokkene 2] als overgebleven bestuurder van [A] zich redelijkerwijs op het standpunt mocht stellen dat het belang van [A] niet langer gericht was op bevordering van het bestendige succes van haar onderneming, maar op een ordentelijke ontvlechting en afwikkeling van de samenwerking tussen [betrokkene 1] c.s. en [verweerster] c.s. via [A] (met inbegrip van haar onderneming).
Dit laatste oordeelt de OK dus in het licht van de gegeven omstandigheden. Daarbij betrekt zij, samengevat, het volgende.
- [verweerster] c.s. en [betrokkene 1] c.s. zijn in [A] (opgericht op 22 februari 2007), met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als de twee bestuurders en 2000 HH en [verweerster] BV als de twee 50%-aandeelhouders, een samenwerking aangegaan die geen van partijen heeft gebracht wat zij ervan hadden gehoopt. Vanaf het begin liep de onderlinge samenwerking moeizaam. (rov. 2.2, 3.5)
- In mei 2007 - drie maanden na de oprichting - hebben 2000 HH en [verweerster] BV voor het eerst met elkaar gesproken over het beëindigen van hun samenwerking in [A] en de mogelijkheden om apart van elkaar buiten [A] een onderneming te drijven. Dit heeft niet geleid tot concrete afspraken. Vervolgens hebben 2000 HH en [verweerster] BV in 2011, 2018 en 2019 opnieuw geprobeerd om tot een ontvlechting te komen, wederom vergeefs. In 2023 zijn gesprekken met [B] over een overname van (de aandelen in) [A] , wat haar onderneming omvat, afgebroken. Ook nadien duurde de onmin voort. (rov. 2.4, 2.6, 2.8, 3.5)
- Gevolg was dat [betrokkene 1] op 6 september 2023 aan [betrokkene 2] aankondigde zijn werkzaamheden voor [A] per 1 januari 2024 te zullen staken. Een groot deel van het personeel vertrok vervolgens, nadat het hiervan door [betrokkene 1] op 6 oktober 2023 op de hoogte was gesteld. Op 22 november 2023 nam [betrokkene 1] daadwerkelijk per 1 januari 2024 ontslag. Intussen zette [betrokkene 1] zijn activiteiten voort via 2000 HH. [betrokkene 1] informeerde klanten van [A] waar zij hem voortaan konden bereiken; hij heeft ook daadwerkelijk voormalige klanten van [A] via 2000 HH bediend. (rov. 2.7, 2.9, 3.5)
- De OK kan niet vaststellen dat het (overwegend) aan [verweerster] c.s. is te wijten dat partijen niet op minnelijke wijze afscheid van elkaar hebben kunnen nemen. Het gebrek aan chemie tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] belemmerde niet alleen hun samenwerking, maar ook hun ontvlechting. (rov. 3.6)
- Eind 2023/begin 2024 werd duidelijk dat de samenwerking tussen [betrokkene 1] c.s. en [verweerster] c.s. via [A] ten dode was opgeschreven. Dit laatste houdt in het bijzonder verband met het zelfgekozen ontslag van [betrokkene 1] als bestuurder van [A] , op 22 november 2023 per 1 januari 2024, en het opstarten door hem van concurrerende werkzaamheden vanuit 2000 HH. (rov. 2.7, 2.9, 3.5, 3.6)
- Daarbij betrekt de OK dat, al mag het zijn dat een feitelijke liquidatie een aandeelhoudersbesluit behoeft, dit vertrek van [betrokkene 1] als bestuurder van [A] en opstarten door hem van concurrerende werkzaamheden vanuit 2000 HH niet anders kan worden begrepen dan dat ook [betrokkene 1] - gelijk [betrokkene 2] - geen toekomst meer zag in de samenwerking binnen [A] . (rov. 3.6)
- Onder die omstandigheden valt goed te billijken dat [betrokkene 2] zijn bestuurswerkzaamheden vervolgens heeft gericht op een afwikkeling van [A] , ook al was niet formeel door de algemene vergadering tot ontbinding of feitelijke liquidatie besloten. (rov. 3.6)
- Met dit laatste onderkent de OK ook dat op 18 januari 2024 [betrokkene 2] als overgebleven bestuurder van [A] onder meer besloot: dat een definitieve ontvlechting vergt dat er geen activiteiten binnen [A] meer plaatsvinden; dat er geen nieuwe werken meer op naam van [A] komen; dat de lopende verplichtingen en werken van [A] worden voortgezet tot deze zijn afgehandeld of kunnen worden beëindigd; en dat daarna het besluit tot ontbinding van [A] genomen kan worden. (rov. 2.10)
- [A] was na dat vertrek van [betrokkene 1] als bestuurder van [A] en die personele leegloop bij [A] ook niet meer in staat om nieuwe projecten aan te nemen, en de wil daartoe van de beide aandeelhouders van [A] ontbrak, zo benadrukt de OK nog. (rov. 2.9, 3.5, 3.6)
In lijn daarmee overweegt de OK in rov. 3.11, inzake het uittredingsverzoek, kort maar krachtig zoals geciteerd onder 4.6.4 hiervoor.
Op dit een en ander stuit de klacht al af: zij mist feitelijke grondslag in de beschikking. Dit geldt ook voor zover de klacht zo moet worden verstaan dat “de OK zich niet [heeft] bekreund over de vraag wat het belang van de onderneming, die in [A] wordt gedreven, zelf vergt in het licht van de omstandigheid dat de samenwerking tussen de aandeelhouders is vastgelopen”. Dat doet de OK dus wel degelijk, ook in rov. 3.5-3.6: daarin redeneert zij nadrukkelijk ook vanuit de onderneming van [A] . Het is spiegelbeeldig derhalve evenmin zo dat de OK “ [A] uitsluitend of vooral [heeft] gezien als een joint venture, waarvan het doel is de samenwerking tussen 2000 HH en [betrokkene 2] [bedoeld zal zijn: [verweerster] BV, A-G] te faciliteren”, al speelt (het stranden van) het onderhavige samenwerkingsverband natuurlijk wel een rol van betekenis. Linksom of rechtsom, een realistisch toekomstperspectief voor de onderneming van [A] schitterde door afwezigheid.
Overigens valt ook niet in te zien dat dit sterk feitelijke oordeel van de OK onjuist dan wel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zou zijn.
Dan klacht b.
Anders dan zij veronderstelt, verliest de OK het belang van de onderneming zelf, die in [A] wordt gedreven, niet uit het oog bij het bestreden oordeel.
In de beschikking (in het bijzonder rov. 3.5-3.6) ligt immers kenbaar besloten dat er naar het oordeel van de OK in de gegeven omstandigheden géén sprake is van een belang van de onderneming van [A] dat kan meebrengen dat [betrokkene 2] zich als overgebleven bestuurder van [A] , al met al en ondanks het ontbreken van een toekomst voor de samenwerking tussen [betrokkene 1] c.s. en [verweerster] c.s. via [A] , ‘toch niet’ redelijkerwijs op het standpunt mocht stellen dat het belang van [A] niet langer was gericht op het bevorderen van het bestendige succes van haar onderneming, maar op een ordentelijke ontvlechting en afwikkeling van de samenwerking. Dit volgt al uit de bespreking van klacht a en behoeft hier geen verdere toelichting.
Daarmee valt reeds het doek voor de klacht: zij mist feitelijke grondslag in de beschikking.
Overigens geldt ook hier wat ik schreef onder 4.11.7 hiervoor.
Tot slot klacht c.
Zij strandt in het voetspoor van de klachten a en b.
Kort en goed: nergens in de beschikking oordeelt de OK dat de omstandigheid dat de samenwerking tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in [A] geen toekomst meer heeft, ook meebrengt dat het belang van de onderneming, die in [A] wordt gedreven, vanuit het perspectief van [betrokkene 2] als bestuurder van [A] redelijkerwijs geacht kon worden gericht te zijn op beëindiging daarvan. Wat de OK ter zake wel doet in de beschikking, zette ik uiteen bij de bespreking van de klachten a en b. Dit behoeft hier geen verdere toelichting.
Daarmee valt reeds het doek voor de klacht: zij mist feitelijke grondslag in de beschikking.
Overigens geldt ook hier wat ik schreef onder 4.11.7 hiervoor.
Subonderdeel 1.3 bevat de volgende klachten.
a. De OK heeft miskend (ik begrijp: in rov. 3.5-3.6 van de beschikking) dat het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming niet kan neerkomen op een afwikkeling van de vennootschap in een geval als dit, waarin (i) een bevoegdelijk genomen besluit tot staking c.q. liquidatie van de onderneming ontbreekt en (ii) niet is vastgesteld dat sprake is van (dreigend of onafwendbaar) faillissement. [betrokkene 2] kon zich dus als bestuurder van [A] niet redelijkerwijs op het standpunt stellen dat het belang van [A] niet langer was gericht op het bevorderen van het bestendige succes van haar onderneming, maar op een ordentelijke ontvlechting en afwikkeling van de samenwerking.
b. In ieder geval heeft de OK miskend dat de beleidsvrijheid van [betrokkene 2] als bestuurder van [A] niet zover gaat dat hij, in afwezigheid van een rechtsgeldig besluit tot staking c.q. liquidatie van de onderneming, althans een (dreigend of onafwendbaar) faillissement, tot de facto liquidatie van de onderneming kan overgaan.
c. Althans is het oordeel van de OK onbegrijpelijk, omdat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom in dit geval, waarin geen sprake is van een rechtsgeldig stakingsbesluit of een (dreigend of onafwendbaar) faillissement, kan worden geconcludeerd dat [betrokkene 2] zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat het belang van [A] niet langer was gericht op het bevorderen van het bestendige succes van haar onderneming, maar op een ordentelijke ontvlechting en afwikkeling van de samenwerking.
d. Voor zover de OK in rov. 3.8 heeft overwogen dat [A] nog maar beperkt in omvang en feitelijk in liquidatie is, en daarin besloten zou liggen dat wel sprake is van een (dreigend of onafwendbaar) faillissement, is dat oordeel eens te meer onbegrijpelijk. Want de OK heeft in rov. 3.8 het oog op de situatie bij [A] eind 2024.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Ik begin met klacht a.
Ik volg de klacht niet in haar uitgangspunt dat het daarin genoemde onder (i)-(ii) meebrengt dat geen sprake kán zijn van een perspectiefwisseling zoals bedoeld onder 4.11.3 hiervoor, zodat in dit geval [betrokkene 2] zich als overgebleven bestuurder van [A] niet redelijkerwijs op het standpunt mocht stellen dat het belang van [A] niet langer gericht was op bevordering van het bestendige succes van haar onderneming, maar op een ordentelijke ontvlechting en afwikkeling van de samenwerking tussen [betrokkene 1] c.s. en [verweerster] c.s. via [A] (met inbegrip van haar onderneming). Dit uitgangspunt is eenvoudigweg te categorisch en vindt daarom geen steun in het recht. Dat zit zo.
De onder 4.11.1 hiervoor geciteerde rechtspraak van de Hoge Raad is hier leidend. De daarin gekozen benadering kenmerkt zich erdoor dat de inhoud van het vennootschapsbelang afhankelijk wordt gemaakt van de omstandigheden van het geval. Daarbij heeft de Hoge Raad twee belangrijke gezichtspunten in kaart gebracht. Is aan de vennootschap een onderneming verbonden, dan wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. En: is sprake van een joint venture-vennootschap, dan wordt het vennootschapsbelang voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking.
Het gaat hier derhalve om een open-contextuele benadering, waarbij die gezichtspunten richting geven, maar ook weer ruimte laten voor maatwerk. Zo kent het eerste gezichtspunt een voorwaarde (dat aan de vennootschap een onderneming is verbonden) en de “in de regel vooral”-clausulering, waarbij bovendien ‘het bevorderen van het bestendige succes van de onderneming’ niet wordt ingevuld. Zo kent ook het tweede gezichtspunt een voorwaarde (dat er sprake is van een joint venture-vennootschap), en is ook de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking niet op voorhand gegeven.
Kortom: in deze dynamische benadering beweegt het vennootschapsbelang mee met de totaliteit van de omstandigheden van de concrete casus, in deze benadering loopt de bepaling van dit belang - anders dan de klacht in essentie wil - dus niet langs de lijnen van een beslisboom waarbij harde voorwaarden/individuele omstandigheden moeten worden afgevinkt.
De OK onderkent dit een en ander in de beschikking, waaronder rov. 3.5-3.6. Dat naar haar oordeel [betrokkene 2] zich in de gegeven omstandigheden als overgebleven bestuurder van [A] redelijkerwijs op het standpunt mocht stellen dat het belang van [A] niet langer gericht was op bevordering van het bestendige succes van haar onderneming, maar op een ordentelijke ontvlechting en afwikkeling van de samenwerking, is overigens onjuist noch onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Zie ook de bespreking van de subonderdelen 1.1-1.2.
In de toelichting op de klacht wordt nog aangevoerd dat “het continuïteitsstreven slechts in bijzondere situaties uit het vennootschappelijk belang verdwijnt”, waarmee wordt gedoeld op vier in de literatuur genoemde gevallen. “Buiten de in de literatuur genoemde gevallen moet echter worden uitgegaan van een vennootschappelijk belang dat is gericht op het voortbestaan en het bestendige succes van de onderneming”. Uit 4.16.1-4.16.5 hiervoor volgt reeds dat ik ook deze reductionistische voorstelling van zaken niet kan volgen, dit vindt geen steun in het recht. Ik laat dan nog daar dat de desbetreffende literatuur ziet op niet-uitputtend bedoelde gevallen: geen van deze auteurs huldigt een rigide opvatting zoals 2000 HH propageert met (de toelichting op) de klacht, en terecht.
Dan klacht b.
Zij behelst een variatie op klacht a en strandt in het voetspoor daarvan.
De klacht trekt - net als klacht a - ten strijde tegen het oordeel van de OK in rov. 3.5-3.6 dat [betrokkene 2] als overgebleven bestuurder van [A] zich redelijkerwijs op het standpunt mocht stellen dat het belang van [A] niet langer gericht was op bevordering van het bestendige succes van haar onderneming, maar op een ordentelijke ontvlechting en afwikkeling van de samenwerking.
De klacht gaat ervan uit dat de OK miskent dat [betrokkene 2] niet de beleids- en beoordelingsruimte (“de beleidsvrijheid") had zich op dat standpunt te stellen, en wel bij gebreke aan een rechtsgeldig besluit tot staking c.q. liquidatie van de onderneming, althans een (dreigend of onafwendbaar) faillissement van [A] . Ook hier geldt: dit uitgangspunt is eenvoudigweg te categorisch en vindt daarom geen steun in het recht.
De mate van beleids- en beoordelingsruimte die toekomt aan een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een beslissing/besluit, is immers afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarmee is dus niet op voorhand gegeven - anders dan de klacht in essentie wil - dat dit orgaan die ruimte te buiten gaat zodra een of meer specifieke omstandigheden zich al dan niet voordoen. Uiteindelijk komt het hier, net als bij de bepaling van het vennootschapsbelang, aan op de totaliteit van de gegeven omstandigheden, oftewel: op die omstandigheden bezien in onderling verband en samenhang.
De OK onderkent ook dit een en ander in de beschikking, waaronder rov. 3.5-3.6. En ook hier geldt: dat naar haar oordeel [betrokkene 2] zich in de gegeven omstandigheden als overgebleven bestuurder van [A] redelijkerwijs op voornoemde standpunt mocht stellen, is overigens onjuist noch onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
Dan klacht c.
Bij de bespreking van de subonderdelen 1.1-1.2 heb ik uiteengezet langs welke weg de OK in rov. 3.5-3.6 komt tot het oordeel dat [betrokkene 2] zich als overgebleven bestuurder van [A] redelijkerwijs op het standpunt mocht stellen dat het belang van [A] niet langer gericht was op bevordering van het bestendige succes van haar onderneming, maar op een ordentelijke ontvlechting en afwikkeling van de samenwerking. Gelet op hetgeen de OK bij dit oordeel allemaal betrekt, valt ook zonder nog weer nadere motivering prima in te zien dat zij die conclusie kon bereiken, al was dan geen sprake van een rechtsgeldig stakingsbesluit of een (dreigend of onafwendbaar) faillissement van [A] . Dit behoeft hier, gezien ook de bespreking van de klachten a en b, geen verdere toelichting. Hierop stuit de klacht reeds af.
Tot slot klacht d.
Zij mist feitelijke grondslag in de beschikking. Want met rov. 3.8, specifiek “dat de onderneming van [A] nog maar beperkt in omvang is en feitelijk in liquidatie”, brengt de OK niet (ook) tot uitdrukking dat sprake is van een situatie van (dreigend of onafwendbaar) faillissement van [A] , laat staan op een aan rov. 3.5-3.6 dienende wijze. Dit is al fataal voor de klacht.
Subonderdeel 1.4 stelt dat de OK met de oordelen zoals weergegeven in onderdeel 1 onder a t/m n heeft miskend dat bestuurders, in dit geval [betrokkene 2] , bij de vervulling van hun taak zorgvuldigheid dienen te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Die zorgvuldigheid brengt mee dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor moeten zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad. De OK heeft, meer in het bijzonder, ten onrechte geen acht geslagen op de vraag wat voor schadelijke gevolgen de beslissing van [betrokkene 2] om zich te richten op de afwikkeling van [A] , zou hebben voor de positie van 2000 HH als aandeelhouder. In zoverre is haar beslissing onjuist.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Het subonderdeel doelt op de volgende overweging van de Hoge Raad, die direct aansluit op diens onder 4.11.1 hiervoor geciteerde overweging:
“Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken (…). Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad.
(…).”
Vooropgesteld: terecht opent de OK de beoordeling van het uitstotingsverzoek in rov. 3.4 van de beschikking met de overweging dat toewijzing ervan vergt dat [verweerster] BV ( [betrokkene 2] ) door haar (zijn) gedragingen het belang van [A] zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren het aandeelhouderschap van [verweerster] BV in redelijkheid niet kan worden geduld. De maatstaf van art. 2:336a lid 1 BW rept immers van “het belang van de vennootschap”, en dat is hier het belang van [A] . Het draait daarbij dus niet om de positie van 2000 HH als 50%-aandeelhouder van [A] . Dit is uiteraard ook relevant voor rov. 3.5-3.6, onderdeel van die beoordeling van het uitstotingsverzoek. Zie ook onder 3.7 hiervoor.
Bovendien kan uit rov. 3.5-3.6 worden opgemaakt dat waar volgens de OK in de gegeven omstandigheden goed te billijken valt dat [betrokkene 2] , als overgebleven bestuurder van [A] , zijn bestuurswerkzaamheden is gaan richten op een afwikkeling van [A] , dit insluit dat hij daarbij de belangen van 2000 HH als 50%-aandeelhouder van [A] niet onnodig of onevenredig heeft geschaad. Daarop wijst bijvoorbeeld de vervolgoverweging dat vanaf het vertrek van [betrokkene 1] als bestuurder van [A] , “ [betrokkene 2] zich als bestuurder van [A] redelijkerwijs op het standpunt [mocht] stellen” dat het belang van [A] niet langer was gericht op het bevorderen van het bestendige succes van haar onderneming, maar op een ordentelijke ontvlechting en afwikkeling van de samenwerking. De geciteerde woorden laten zich zo verstaan dat [betrokkene 2] bij het aldus bepalen van het vennootschapsbelang ook heeft voldaan aan de onder 4.21.1 hiervoor bedoelde zorgvuldigheidsverplichting jegens 2000 HH als 50%-aandeelhouder van [A] . Dit belang en deze verplichting staan immers niet los van elkaar, maar in verbinding met elkaar.
Het voorgaande vindt bevestiging in rov. 3.11, waar het gaat over het uittredingsverzoek. Daarvoor geldt blijkens art. 2:343 lid 1 BW als maatstaf dat de verzoeker die wil uittreden, hier dus 2000 HH als 50%-aandeelhouder van [A] , door gedragingen van een of meer mede-aandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd. Daartoe wijs ik op het volgende. In rov. 3.11 opent de OK met de overweging dat “[g]elet op hetgeen hierboven is overwogen over de gedragingen die door 2000 HH aan haar verzoek tot uitstoting ten grondslag zijn gelegd, evenmin [kan] worden geoordeeld dat 2000 HH door gedragingen van [verweerster] c.s. zodanig in haar rechten en belangen is geschaad, dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden gevergd”. Dan vervolgt de OK in rov. 3.11 aldus, daarbij teruggrijpend op rov. 3.5-3.6:
“Dat [betrokkene 2] de bedrijfsvoering heeft verwaarloosd is niet gebleken. Eerder moet worden geoordeeld dat [betrokkene 2] een logische conclusie heeft getrokken. Het vertrek van [betrokkene 1] als bestuurder, het daarop gevolgde vertrek van personeel en het feit dat [betrokkene 1] in 2000 HH voor zichzelf was begonnen, leidde tot de gevolgtrekking dat de samenwerking tussen partijen in [A] definitief was beëindigd, dat voortzetting van de onderneming van [A] niet meer mogelijk zou zijn en dat ieder van hen nu zijn eigen weg moest kunnen gaan. Dat [betrokkene 2] onder die omstandigheden heeft besloten de onderneming af te wikkelen door geen nieuwe projecten meer aan te nemen en de bestaande projecten zo goed mogelijk af te maken of af te stoten, waarna de vennootschap kan worden ontbonden en vereffend, is alleszins te billijken. Daarmee kan ook het uittredingsverzoek niet worden toegewezen.”
Dit een en ander spreekt boekdelen: de OK wil er in de beschikking gemotiveerd niet aan dat [betrokkene 2] , toen hij als overgebleven bestuurder van [A] zijn bestuurswerkzaamheden is gaan richten op een afwikkeling van [A] , daarbij de belangen van 2000 HH als 50%-aandeelhouder van [A] onnodig of onevenredig heeft geschaad.
Subonderdeel 1.5 bevat de volgende klachten.
a. Althans is de oordeelsvorming van de OK (ik begrijp: in rov. 3.5-3.6 van de beschikking) onbegrijpelijk, omdat zij geen inzicht heeft gegeven in haar gedachtegang waarom, kennelijk, het aandeelhoudersbelang van 2000 HH redelijkerwijs niet in de weg zou staan aan de beslissing van [betrokkene 2] om over te gaan tot ontvlechting en afwikkeling van (de samenwerking binnen) [A] .
b. In ieder geval is haar oordeel ontoereikend gemotiveerd, omdat de OK geen aandacht heeft besteed aan diverse stellingen van 2000 HH, in het subonderdeel genummerd van (i) t/m (v). Die stellingen zijn essentieel, omdat daaruit volgt dat de onderneming van [A] nog waarde heeft voor 2000 HH en zij die onderneming daarom wil voortzetten, hetgeen onverenigbaar is met de handelwijze van [betrokkene 2] die gericht is op staking van de onderneming. De OK had deze tegengestelde belangen expliciet tegen elkaar moeten afwegen, wat zij heeft nagelaten.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Ik begin met klacht a.
Zij ziet eraan voorbij dat uit rov. 3.5-3.6 van de beschikking wel degelijk blijkt waarom de OK van oordeel is dat het belang van 2000 HH als 50%-aandeelhouder van [A] , zoals de klacht het verwoordt, redelijkerwijs niet in de weg staat aan de beslissing van [betrokkene 2] om over te gaan tot ontvlechting en afwikkeling van (de samenwerking binnen) [A] .
Ik wijs op mijn uiteenzettingen onder 4.11.3-4.11.4 en 4.21.3-4.21.4 hiervoor. Daaruit blijkt bijvoorbeeld dat naar het oordeel van de OK:
- zij niet kan vaststellen dat het (overwegend) aan [verweerster] c.s. is te wijten dat partijen niet op minnelijke wijze afscheid van elkaar hebben kunnen nemen;
- het gebrek aan chemie tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet alleen hun samenwerking belemmerde, maar ook hun ontvlechting;
- [betrokkene 1] ervoor heeft gekozen terug te treden als bestuurder, maar via 2000 HH aan te blijven als 50%-aandeelhouder van [A] , terwijl hij vanuit 2000 HH concurrerende werkzaamheden opstartte;
- niet alleen [betrokkene 2] , maar ook [betrokkene 1] geen toekomst meer zag in de samenwerking binnen [A] ;
- [A] na het vertrek van [betrokkene 1] en de personele leegloop (volgend op de aankondiging op 6 september 2023 door [betrokkene 1] van diens vertrek als bestuurder) ook niet meer in staat was om nieuwe projecten aan te nemen, en de wil daartoe van de beide aandeelhouders ontbrak.
Tot slot klacht b.
Ook zij loopt vast, want de daarin aangehaalde stellingen (i) t/m (v) gaven de OK geen reden haar oordeel in rov. 3.5-3.6 nog weer nader te motiveren. Dat zit zo.
Stelling (i) is onderdeel van paragraaf 2 van het verzoekschrift, getiteld “Relevante feiten en omstandigheden”. Deze paragraaf 2 beslaat p. 2-16 van het verzoekschrift en loopt van nr. 2.1 (mede gevolgd door nr. 2.3, dat weer is onderverdeeld in een lange opsomming onder a t/m nn) t/m nr. 2.31. Eerst in paragraaf 3 van het verzoekschrift, getiteld “Juridisch kader uitstoting”, komt 2000 HH toe aan het uitstotingsverzoek. Deze paragraaf 3 beslaat p. 16-18 van het verzoekschrift en loopt van nr. 3.1 t/m nr. 3.13. Daarin legt 2000 HH uit waarom volgens haar in dit geval is voldaan aan de maatstaf van art. 2:336a lid 1 BW. Daartoe verwijst zij (in nr. 3.1) naar “het feitencomplex zoals weergegeven in paragraaf 2, en het navolgende”. In deze paragraaf 3 legt 2000 HH geen kenbaar en gericht verband met die stelling (i), onderdeel van paragraaf 2. Evenmin komt die stelling (i) los daarvan nog aan de orde in deze paragraaf 3. Ook in latere gedingstukken van 2000 HH bij de OK en het p-v lees ik trouwens niet dat 2000 HH die stelling (i) kenbaar en gericht ook ten grondslag heeft gelegd aan het uitstotingsverzoek. Bij die stand van zaken is het niet onbegrijpelijk dat de OK, die deze paragraaf 3 samenvat in rov. 3.1, in die stelling (i) geen reden ziet haar oordeel in rov. 3.5-3.6 nog weer nader te motiveren.
Wat betreft stelling (iii) geldt overeenkomstig hetgeen ik schreef bij de bespreking van die stelling (i). Bovendien gaat het hier om de periode begin februari 2025, daarop heeft rov. 3.5-3.6 überhaupt geen betrekking. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Dan resteren de stellingen (ii), (iv) en (v). Het gaat hier om antwoorden van [betrokkene 1] (die stellingen (ii) en (iv)) en de advocaat van 2000 HH (die stelling (v)) op vragen van de OK ter mondelinge behandeling. Ik lees ook op p. 3 van het p-v, waar de desbetreffende passages te vinden zijn, niet dat 2000 HH dit een en ander (mede) ten grondslag heeft gelegd aan het uitstotingsverzoek. Daarbij zij nog het volgende bedacht.
- Eerst die stelling (ii). Dit is onderdeel van het antwoord van [betrokkene 1] op de vraag zijdens de OK wat hij met [A] zou willen, aangezien hij nu ook een eigen bedrijf heeft. Wat ervan zij of [betrokkene 1] “nooit schade wilde toebrengen aan [A] ”: ook als dit klopt, blijft staan wat de OK oordeelt in rov. 3.5-3.6. En het mag zo zijn dat hij via 2000 HH “ [A] wilt voortzetten als hij de enige aandeelhouder wordt”: deze wens laat onverlet dat, naar de OK uitvoerig uiteenzet in rov. 3.1-3.9, hetgeen 2000 HH heeft aangevoerd ter onderbouwing van het uitstotingsverzoek onvoldoende is om het oordeel te kunnen dragen dat is voldaan aan de in rov. 3.4 vooropgestelde maatstaf.
- Dan die stelling (iv). Dit is onderdeel van het antwoord van [betrokkene 1] op de vraag zijdens de OK welke afspraken hij wil maken en waar voor hem de waarde van de onderneming in zit, welke vraag weer was ingegeven door de opmerking van [betrokkene 1] dat hij “nu graag afspraken met [betrokkene 2] wil maken om uit elkaar te gaan”. Het gaat hier dus niet om het uitstotingsverzoek, maar om de mogelijkheid van een minnelijke oplossing van het geschil tussen partijen. Uit het vervolg van het p-v blijkt dat dit laatste tussen de OK en partijen verder is besproken, maar - ook na schorsing van de mondelinge behandeling - niet is uitgemond in overeenstemming tussen partijen over een minnelijke oplossing. Daarna zijn partijen verder gegaan met repliek en dupliek.
- Tot slot die stelling (v). Dit betreft een aanvulling door de advocaat van 2000 HH op het bij die stelling (iv) bedoelde antwoord van [betrokkene 1] . (“Mr. Van Weverwijk vult aan”, etc.). Dit staat dus nog steeds in die sleutel van de mogelijkheid van een minnelijke oplossing van het geschil.
Bij die stand van zaken is het niet onbegrijpelijk dat de OK in die stellingen (ii), (iv) en (v) evenmin reden ziet haar oordeel in rov. 3.5-3.6 nog weer nader te motiveren.
Daarmee is het einde oefening voor de klacht.
Subonderdeel 1.6 stelt dat de motiveringsklacht van subonderdeel 1.5 ook het oordeel van de OK aantast dat te billijken valt dat [betrokkene 2] het zakelijke-kansenbesluit heeft genomen, voor zover dat steunt op het oordeel in rov. 3.6 van de beschikking dat [A] na het vertrek van [betrokkene 1] en de personele leegloop ook niet meer in staat zou zijn om nieuwe projecten aan te nemen en de wil daartoe van de beide aandeelhouders ontbrak (zoals weergegeven in onderdeel 1 onder l). Uit de in subonderdeel 1.5 gememoreerde stellingen blijkt immers dat de wil daartoe vanuit 2000 HH wel degelijk bestaat en zij ook zelf de onderneming zou (willen) voortzetten, zodat dit oordeel onvoldoende begrijpelijk is.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Voor zover het subonderdeel voortbouwt op subonderdeel 1.5, dat dus faalt, deelt het subonderdeel dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Ook los daarvan strandt het subonderdeel. Het bestreden oordeel, dat staat in rov. 3.6 van de beschikking, ziet op de situatie eind 2023/begin 2024 onder het mede in rov. 3.5-3.6 beschreven gesternte. Voor zover de in subonderdeel 1.5 gememoreerde stellingen al relevant zijn voor dit subonderdeel, en dat zijn hooguit die stellingen (ii) (ten dele), (iii), (iv) en (v), geldt dat die stellingen zien op een wezenlijk andere situatie: met 2000 HH als enig aandeelhouder van [A] (waartoe ook de beschikking niet heeft geleid), met [betrokkene 1] als enig bestuurder van [A] (wat niet heeft plaatsgevonden, ook niet na de door 2000 HH begin februari 2025 voorgestelde bestuurswissel), althans waarin [betrokkene 1] graag afspraken met [betrokkene 2] wil maken om uit elkaar te gaan (wat speelde tijdens de mondelinge behandeling bij de OK, maar niet heeft geleid tot een minnelijke oplossing van het geschil tussen partijen). Zie onder 4.25.3-4.25.4 hiervoor.
Subonderdeel 1.7 stelt dat bij het slagen van een of meer van de voorgaande klachten ook de oordelen van de OK over het stakingsbesluit en het bezoldigingsbesluit (weergegeven in onderdeel 1 onder j en n) niet in stand kunnen blijven.
Behandeling
Het subonderdeel bouwt voort op, en deelt daarmee het lot van, de voorgaande subonderdelen, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Subonderdeel 1.8 stelt dat het slagen van een of meer van de voorgaande klachten ook het oordeel van de OK over het uittredingsverzoek in rov. 3.10-3.11 van de beschikking aantast. Dat oordeel bouwt immers voort op de in de voorgaande subonderdelen bestreden oordelen.
Behandeling
Het subonderdeel bouwt voort op, en deelt daarmee het lot van, de voorgaande subonderdelen, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Subonderdeel 1.9 stelt dat het oordeel omtrent het uittredingsverzoek in rov. 3.10-3.11 en 3.6 van de beschikking onjuist is, voor zover dat is gebaseerd op de rechtsopvatting dat voor toewijzing van een uittredingsverzoek enige mate van verwijtbaarheid aan de kant van de mede-aandeelhouder, in dit geval [verweerster] c.s., met betrekking tot de verstoorde aandeelhoudersverhoudingen is vereist.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Het subonderdeel mist feitelijke grondslag in de beschikking, want het veronderstelde oordeel geeft de OK daarin niet. Nergens in rov. 3.10-3.11 staat zoiets, evenmin onder impliciete verwijzing naar rov. 3.6.
Overigens lees ik in rov. 3.6 niet dat volgens de OK voor toewijzing van het uitstotingsverzoek (daarover gaat het daar) verwijtbaarheid aan de kant van [verweerster] c.s. is vereist. De eerste zin van rov. 3.6, inhoudend dat de OK niet kan vaststellen dat het (overwegend) aan [verweerster] c.s. is te wijten dat partijen niet op minnelijke wijze afscheid van elkaar hebben kunnen nemen, is een gezichtspunt in de totaalbeoordeling van de OK inzake het uitstotingsverzoek.
Subonderdeel 1.10, tot slot, stelt dat het slagen van een of meer van de voorgaande klachten het oordeel van de OK in rov. 3.12 van de beschikking aantast, omdat het voortbouwt op de eerdere overwegingen van de OK.
Behandeling
Het subonderdeel bouwt voort op, en deelt daarmee het lot van, de voorgaande subonderdelen, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Daarmee is gegeven dat onderdeel 1 faalt.
Slotsom
Het cassatiemiddel van 2000 HH is derhalve vergeefs voorgesteld.
5 Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G