Strafrecht overig

Auto besturen onder invloed van drank. Passeering van een door den requirant veroordeelde aangevoerde grief…

Zaakgegevens

Op 11 januari 1932 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11 januari 1932
Datum publicatie
3 juli 2025
Zaaknummer
34501
ECLI
ECLI:NL:PHR:1932:2
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Auto besturen onder invloed van drank. Passeering van een door den requirant veroordeelde aangevoerde grief als niet ernstig gemeend.

De originele conclusie is niet meer voorhanden. Dit is de conclusie aan de hand van de in de NJ 1932, p. 581 opgenomen tekst.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 11 januari 1932

    ECLI:NL:HR:1932:208
  2. Conclusie A-G · 11 januari 1932deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:1932:2

Conclusie

Conclusie Adv .- Gen. Wijnveldt.

De Rechtbank te Utrecht bevestigde op 6 October 1931 een vonnis van den Kantonrechter te Utrecht, waarbij requirant met aanhaling der artt. 22 aanhef en b, 29 en 31 van de Motor- en Rijwielwet werd veroordeeld tot een hechtenisstraf van 3 dagen, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor den tijd van zes maanden wegens een feit, gequalificeerd als: "als bestuurder van een motorrijtuig daarmede over een weg rijden, terwijl hij verkeert onder zoodanigen invloed van het gebruik van alcoholhoudenden drank, dat hij niet in staat moet worden geacht het motorrijtuig naar behooren te besturen."

Tegen de beslissing zijn bij schriftuur de volgende middelen aangevoerd: 1. Schending, althans verkeerde toepassing van art. 359 in verband met de artt. 415-423 en 425 Sv., doordat de Rechtbank het vonnis van den Kantonrechter heeft bevestigd, terwijl uit dat vonnis niet blijkt wat aan den verdachte werd te laste gelegd.

2. Schending, althans verkeerde toepassing van de artt. 142, 339, 342 en 344, mede in verband met art. 415, 423 en 425 Sv., zulks op grond dat de Rechtbank het vonnis van den Kantonrechter heeft bevestigd, terwijl deze heeft recht gedaan op de verklaring van één enkelen getuige en die van verdachte, welke laatste verklaring eene ontkenning inhoudt.

3. Schending, althans verkeerde toepassing van boven onder 2 vermelde artikelen met en benevens van art. 22 sub b der Motor- en Rijwielwet.

De verbalisant verklaart en legt in zijn procesverbaal neer, dat hij uit de "alcohollucht" waarnam, dat de verdachte verkeerde onder den invloed van alcoholhoudenden "drank".

Waar nu, hetgeen in deze verklaring is neergelegd, door den getuige niet zelve kan zijn waargenomen, doch niets anders dan een conclusie is, werd ten onrechte daarop recht gedaan.

Een getuige toch kan niet weten of alcohollucht afkomstig is van alcoholhoudenden drank of van alcoholhoudende spijs.

Volgens de Motor- en Rijwielwet is niet strafbaar overeenkomstig dit artikel, degene die onder den invloed verkeert van het gebruik van "Alcohol", maar moet de invloed uitgaan van alcoholhoudenden drank.

Overmatig gebruik van z.g. "vaste" alcohol zoude geen strafbaarheid kunnen te weeg brengen.

Ad 1. Het eerste middel kan m.i. niet tot cassatie leiden. Het blijkt volkomen duidelijk uit beide vonnissen, wat aan verdachte is te lastegelegd.

De aanteekening van het mondeling vonnis des Kantonrechters vermeldt als uitkomst der telastelegging een verwijzing naar de dagvaarding op 9 Mei 1931 aan verdachte in persoon beteekend. In het vonnis der Rechtbank, dat die dagvaarding in haar geheel vermeldt, wordt dit vonnis bevestigd.

Aan de eischen van art. 359 l. I in verband met art. 398 6 Sv. is daarmede nu voldaan.

Ad II. Het tweede middel is onjuist. De Kantonrechter nam het bewijs aan op grond van de verklaringen van een getuige en van requirant. Echter bezigde hij niet de ontkentenis van requirant daartoe. Diens verklaring is in het proces-verbaal der terechtzitting gesplitst in twee gedeelten, waarvan het eerste enkele erkende feiten weergeeft, het tweede de ontkenning van den invloed van den alcohol bevat. Dit tweede gedeelte is niet voor het bewijs gebruikt.

Ad III. De verklaring van den verbalisant door den Kantonrechter bij zijn vonnis gebruikt, luidt blijkens het procesverbaal der terechtzitting, dat hij zag, dat requirant onvast op zijn beenen stond, en geen oogenblik stilstond, dat hij rook, dat requirant sterke dranklucht uitademde, en dat hij hoorde, dat requirant wartaal sprak.

Zelf maakte hij dus geen gevolgtrekkingen, en de rechter kon uit deze verklaringen afleiden, dat requirant toen onder den invloed van het gebruik van alcoholhoudenden drank heeft verkeerd. Niet van belang is wat verbalisant in zijn proces-verbaal mededeelde, zoodat de vraag of het overmatig gebruik van z.g. "vaste" alcohol strafbaarheid medebrengt, niet ter sprake komt.

Geen der middelen gegrond achtende concludeer ik tot verwerping van het beroep.