Strafrecht overig

De in artikel 5, 2° van het Wetboek van Strafrecht genoemde vereischten voor de toepasselijkheid der…

Zaakgegevens

Op 22 juni 1931 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
22 juni 1931
Datum publicatie
13 juli 2018
Zaaknummer
17753
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:1931:206
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

De in artikel 5, 2° van het Wetboek van Strafrecht genoemde vereischten voor de toepasselijkheid der Nederlandsche strafwet vormen geen deel der bewezenverklaring van het gepleegde feit.

Uitspraak

No. 34104.

De Hooge Raad der Nederlanden,

Op het beroep van 1°. [requirant 1], geboren den [geboortedatum] 1903 te [geboorteplaats], en 2°. [requirant 2], geboren [geboortedatum] 1909 te [geboorteplaats], beiden kooplieden, wonende te [woonplaats], requiranten van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van den negenden April 1931, waarbij in hooger beroep, — met vernietiging van een vonnis, door de Arrondissements-Rechtbank te Winschoten in deze zaak gewezen, — requiranten ter zake van: ‘’diefstal door twee vereenigde personen’’ met toepassing van de artikelen 5, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht veroordeeld zijn ieder tot één jaar gevangenisstraf;

Gehoord het verslag van den Raadsheer de Menthon Bake;

Gezien de insinuatie, namens den Procureur-Generaal aan de requiranten beteekend, ter kennisgeving van den dag voor de behandeling dezer zaak bepaald;

Gelet op het middel van cassatie, namens den requirant [requirant 1] voorgesteld bij schriftuur, luidende:

Schending, althans verkeerde toepassing van de artikelen 348, 350, 358, 359, 422, 423 van het Wetboek van Strafvordering, vermits het Gerechtshof niet heeft beraadslaagd op den grondslag der telastelegging, overeenkomstig artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering, door bij de bewezenverklaring geene beslissing te geven over eenige mede telaste gelegde omstandigheden, kunnende toch tot deze beslissing niet leiden de door het Gerechtshof aangevoerde reden, dat deze omstandigheden niet behooren tot de elementen van het strafbaar feit;

Gehoord den Procureur-Generaal, in zijne conclusie, strekkende tot verwerping van het ingestelde beroep;

Overwegende dat in de eerste plaats aan requiranten is telaste gelegd, dat zij in of omstreeks den nacht van 19 op 20 October 1930, Nederlanders zijnde, te zamen en in vereeniging, althans ieder afzonderlijk — of te zamen en in vereeniging, althans ieder afzonderlijk, met een of meer andere personen, te Wijmeer of elders in Duitschland — althans in de gemeente Bellingwolde of elders in het arrondissement Winschoten of in Nederland — met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening hebben weggenomen een of meer schapen, toebehoorende aan [betrokkene 1], althans aan een ander of anderen dan verdachten of één hunner — óf een of meer van hun of zijn mededaders althans hun of zijn mededaders, zulks terwijl bovenomschreven feit door de Nederlandsche strafwet als misdrijf wordt beschouwd en in Duitschland gepleegd zijnde, door de wet van dat land op dat feit straf is gesteld;

Overwegende ten aanzien van het middel:

dat het Hof in het bestreden arrest, na eerst de verklaringen van vier getuigen en van requiranten te hebben opgenomen, heeft overwogen: dat het Hof door de boven gerelateerde verklaringen van genoemde getuigen en van de verdachten, waarbij de verklaring van ieder der verdachten slechts tot bewijs strekt tegen dengene die ze heeft afgelegd, bewezen acht en de overtuiging heeft bekomen, dat de verdachten het hun primair telaste gelegde feit hebben begaan, met dien verstande, dat zij in den nacht van 19 op 20 October 1930 te zamen en in vereeniging te Wijmeer in Duitschland hebben weggenomen meer dan een schaap, toebehoorende aan [betrokkene 1];

dat over de mede telaste gelegde omstandigheden, dat verdachten Nederlanders waren en dat het in de dagvaarding omschreven feit door de Nederlandsche Strafwet als misdrijf wordt beschouwd en in Duitschland gepleegd zijnde, door de wet van dat land op dat feit straf is gesteld, welke omstandigheden niet behooren tot de elementen van het strafbare feit en slechts van belang zijn voor de vraag of de Nederlandsche Strafwet op de verdachten toepasselijk is, bij de bewezenverklaring geen beslissing behoeft te worden gegeven;

dat het Hof vervolgens de feiten en omstandigheden heeft aangewezen, welke reden geven voor zijne beslissing, dat requiranten het feit hebben begaan, en daarna heeft overwogen : dat bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachten ten tijde van het plegen van dat feit waren Nederlanders;

dat dit feit door de Nederlandsche Strafwet wordt beschouwd als een misdrijf, terwijl op dat feit in het land, waar het begaan is, Duitschland, straf is gesteld in het Strafgesetzbuch für das Deutsche Reich;

dat derhalve de Nederlandsche Strafwet op de verdachten toepasselijk is;

Overwegende dat requirant U. Dekker blijkens de toelichting op het middel oordeelt, dat het Hof, door bij de bewezenverklaring niet te beslissen, over de mede in de eerste plaats telaste gelegde feiten, dat requiranten Nederlanders waren, toen zij het strafbare feit pleegden, en dat op dit feit door de Duitsche wet straf is gesteld, niet heeft beraadslaagd op den grondslag der telastlegging;

dat deze grief echter ongegrond is;

dat het Hof immers heeft beslist, dat die beide feiten zijn komen vast te staan;

dat het Hof daaraan nu wel heeft doen voorafgaan de overweging, dat deze omstandigheden niet behooren tot de elementen van het strafbare feit doch slechts van belang zijn voor de vraag, of de Nederlandsche strafwet op requiranten toepasselijk is, weshalve omtrent die omstandigheden bij de bewezenverklaring geen beslissing behoeft te worden gegeven, maar dat dit betoog volkomen juist is;

dat immers met het oog op artikel 5, aanhef en 2° van het Wetboek van Strafrecht bedoelde omstandigheden, — welke geen bestanddeelen vormen van de telaste gelegde en bewezen verklaarde strafbare feiten en dan ook niet in aanmerking kunnen komen bij de in artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering genoemde vraag, ‘’of bewezen is, dat het feit door den verdachte is begaan’’, — slechts den grondslag vormen om den rechter te doen oordeelen over de ontvankelijkheid van den Officier van Justitie in de door hem ingestelde strafvordering;

dat voorts betreffende meergenoemde omstandigheden de regelen omtrent het bewijs toepassing missen;

dat dus het middel niet tot cassatie kan leiden;

Verwerpt het gedaan beroep in cassatie.

Gewezen te ’s-Gravenhage bij de Heeren Taverne, waarnemend President, Schepel, de Menthon Bake, Fick en Meckmann, Raden, in bijzijn van den Griffier Jas, die dit arrest hebben onderteekend en door den waarnemend President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van den twee en twintigsten Juni 1900 Een en Dertig in tegenwoordigheid van de genoemde Heeren, alsmede van den Advocaat-Generaal Van Lier.