Strafrecht overig
Beklag tegen onttrekking aan het verkeer van 3 speelautomaten. Verzuim p-v op te maken van onderzoek in…
ECLI:NL:PHR:1969:AB4363 · Parket bij de Hoge Raad · 5 mei 1969
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-1969-ab4363
Zaakgegevens
Op 5 mei 1969 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 5 mei 1969
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 749
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:1969:AB4363
Samenvatting
Beklag tegen onttrekking aan het verkeer van 3 speelautomaten. Verzuim p-v op te maken van onderzoek in raadkamer, art. 25 Sv. HR ambtshalve: Ex art. 25.1 Sv moet van onderzoek in raadkamer door griffier p-v worden opgemaakt, behelzende zakelijke inhoud van afgelegde verklaringen en van hetgeen verder bij dat onderzoek is voorgevallen. Dit artikel bevat nadere voorschriften t.a.v. wijze waarop dit p-v behoort te worden ingericht, vastgesteld en ondertekend, terwijl laatste lid bepaalt dat p-v met beschikking en verdere tijdens onderzoek in raadkamer in geding gebrachte stukken bij processtukken worden gevoegd. Uit dit p-v moet mede blijken dat OM overeenkomstig art. 23.2 Sv is gehoord. Nu zodanig p-v niet bij processtukken is aangetroffen, moet worden aangenomen dat opmaken daarvan is verzuimd, welk verzuim betrekking heeft op zo wezenlijke grondslag van strafproces in raadkamer, dat het nietigheid van onderzoek moet medebrengen, ook al is deze niet met zoveel woorden in wet bedreigd. Volgt vernietiging en verwijzing. CAG: anders.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 14 april 1969
ECLI:NL:PHR:1969:1Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 5 mei 1969deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:1969:AB4363
Hoge Raad · 10 juni 1969
ECLI:NL:HR:1969:AB4363
Conclusie
L.
Nr. 749/221 S.
Parket, 5 mei 1969.
Mr. Kist.
Nadere conclusie inzake:
[rekwirant]
Edelhoogachtbare Heren,
Naar aanleiding van de alsnog ingediende cassatieschriftuur, moge ik het navolgende opmerken.
Onderdeel A van het middel zal m.i. niet tot cassatie kunnen leiden. Het oordeel van de Kantonrechter, dat zelfs indien het bespelen van de aan het verkeer onttrokken verklaarde speelautomaten alleen aan Chinezen was toegestaan, dit de ruimte waar zo stonden niet tot een besloten ruimte maakte, maar een voor het publiek — in casu Chinezen — toegankelijke, acht ik juist. De Kantonrechter heeft daarmee, dunkt mij, niet blijk gegeven te zijn uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent het wettelijk begrip ‘’voor het publiek toegankelijk.’’
Dit begrip zal benaderd moeten worden vanuit de tegenstelling ervan: de bestreden groep of kring.
In aanmerking genomen het van algemene bekendheid zijnde feit dat in Amsterdam vele Chinezen wonen, kan een beperking van de toegankelijkheid van de bedoelde ruimte tot publiek dat naar ras of nationaliteit Chinees kan worden genoemd, niet betekenen, dat bedoelde ruimte niet voor het publiek toegankelijk zou moeten worden geacht. Van een besloten groep of kring, d.w.z. een groep of kring die uit hoofde van het beperkte aantal der leden en de tussen die leden bestaande relatie als besloten zou kunnen worden aangemerkt (vgl. HR 13 januari 1959 N.J. 1959 no. 58 en H.R. 13 januari 1959 N.J. 1959 no. 59 gewezen onder de oude Loterijwet) is hier m.i. geen sprake. Het aantal is te groot en de enige band is het ras of de nationaliteit.
Daarom moet de conclusie zijn: uitsluitend Chinees publiek is (in de gegeven omstandigheden) publiek in de zin van artikel 30 van de Wet op de Kansspelen.
Ook onderdeel B van het middel zal niet kunnen slagen. Dit onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag, dat de Kantonrechter blijkens de inhoud van zijn beschikking wel degelijk, zij het ook veronderstellenderwijs, is uitgegaan van de situatie, dat het bespelen van de speelautomaten alleen aan Chinezen was toegestaan. Hij kan derhalve niet gezegd worden de in onderdeel B omschreven situatie niet in aanmerking te hebben genomen, zij het ook dat dit tot een voor rekwirant ongunstige beslissing heeft geleid. Dat, zoals het middel stelt, politie en justitie (hier kan slechts het O.M. bedoeld zijn), onder de beschreven omstandigheden niet tot strafrechtelijke vervolging zouden overgaan (bedoeld zal zijn: in het verleden niet zijn overgegaan), kan, gesteld dat deze bewering juist is, de Kantonrechter niet binden. Deze heeft immers zelfstandig te beslissen of een aan hem voorgelegd feit strafbaar is.
In onderdeel C tenslotte wordt een beroep gedaan op diverse feiten waarvan niet blijkt uit de bestreden beschikking, zodat dit onderdeel reeds wegens gemis aan feitelijke grondslag niet kan slagen.
Het middel in al zijn onderdelen ongegrond achtend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,