Strafrecht overig
Bloedproef; is niet de juiste hoeveelheid bloed afgenomen? ‘Onderzoek’ in de zin van art. 26, lid 2, WVW.
Parket bij de Hoge Raad, 15 mei 1979
ECLI:NL:PHR:1979:4 · Parket bij de Hoge Raad · 15 mei 1979
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-1979-4
Zaakgegevens
Op 15 mei 1979 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 mei 1979
- Datum publicatie
- 13 augustus 2026
- Zaaknummer
- 70.630
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:1979:4
Samenvatting
Bloedproef; is niet de juiste hoeveelheid bloed afgenomen? ‘Onderzoek’ in de zin van art. 26, lid 2, WVW.
Conclusie
na. -
Nr. 70.630
Zitting 15 mei 1979
Mr. Remmelink.
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbare Heren,
In deze zaak waarin het Hof, afgezien van de opgelegde straffen en de motivering, bevestigend het vonnis van de Politierechter, requirant heeft veroordeeld terzake van "als bestuurder van een motorrijtuig handelen in strijd met art. 26 lid 1 WVW" (requirant zou een auto hebben bestuurd onder zodanige invloed enz. ), tegen welk arrest hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, is namens hem één middel in cassatie voorgesteld, waarin hij erover klaagt, dat het Hof niet voldoende zou zijn ingegaan op het te zijner zitting gevoerde verweer, dat op de resultaten van het bloedonderzoek geen acht mocht worden geslagen, omdat niet is gebleken, dat de in (art. 4 van) de Bloedproefbeschikking voorgeschreven hoeveelheid bloed is afgenomen waartoe een beroep is gedaan op het bekende arrest van Uw Raad van 3 oktober 1978, NJ 1979, no. 51, met noot van Van Veen. Het Hof zou volgens requirant de juistheid van dit verweer in het midden hebben gelaten doordien het college (slechts) zou hebben overwogen, dat "indien er geen aanwijzingen bestaan dat een andere dan de voorgeschreven hoeveelheid bloed is afgenomen, ervan mag worden uitgegaan dat te dien aanzien de voorschriften zijn nageleefd". Het komt mij voor, dat het middel feitelijke grondslag ontbeert, omdat het Hof meer heeft overwogen (vastgesteld), dan in de toelichting bij het middel wordt gesteld. Het Hof heeft nl. aan het zoëven geciteerde toegevoegd: "gelijk in dit geval". M.a.w. het Hof stelde vast, dat er in dit geval geen aanwijzingen bestonden, dat een andere dan de voorgeschreven hoeveelheid bloed was afgenomen. Bij dat feitelijk oordeel zal Uw Raad zich m.i. moeten neerleggen. Uw Raad stelt zich immers op het standpunt, dat de onwettigheid niet de wettigheid van de bewijsverkrijging voor wat betreft de toepassing van de exclusionary rule moet blijken. Vgl. HR 25 okt. 1977, NJ 1978, no. 137. Zie over dit topic ook nog de conclusie van het O.M. inzake F.K. v.d. Meer, no. 70466, genomen op 20 maart 1979.
Het middel niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,