Strafrecht overig
Bloedproef; is niet de juiste hoeveelheid bloed afgenomen? ‘Onderzoek’ in de zin van art. 26, lid 2, WVW.
ECLI:NL:HR:1979:AD6946 · Hoge Raad · 19 juni 1979
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-1979-ad6946
Zaakgegevens
Op 19 juni 1979 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 19 juni 1979
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 70630
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:1979:AD6946
Samenvatting
Bloedproef; is niet de juiste hoeveelheid bloed afgenomen? ‘Onderzoek’ in de zin van art. 26, lid 2, WVW.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 15 mei 1979
ECLI:NL:PHR:1979:4Hoge Raad · 19 juni 1979deze uitspraak
ECLI:NL:HR:1979:AD6946
Uitspraak
19 juni 1979
strafkamer
Nr. 70.630
G.C.
Hoge Raad der Nederlanden
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 december 1978 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - behoudens ten aanzien van de strafoplegging - bevestigd een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 9 februari 1978, waarbij de verdachte tot straffen is veroordeeld ter zake van "als bestuurder van een motorrijtuig handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wegenverkeerswet". Het Hof heeft de verdachte deswege veroordeeld tot een week gevangenisstraf, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van tien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr G. Spong, advocaat te 's-Gravenhage, het navolgende middel van cassatie voorgesteld:
"Verzuim van vormen waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven en/of schending van het Nederlandse recht in het bijzonder de artt. 359 en 415 Sv. doordien het Hof het namens rekwirant ter terechtzitting in hoger beroep opgeworpen verweer dat het resultaat van het bloedonderzoek geen acht mag worden geslagen omdat niet is gebleken dat de in de Bloedproefbeschikking voorgeschreven hoeveelheid bloed van de verdachte is afgenomen op onjuiste gronden heeft verworpen, zodat 's-Hofs arrest niet naar de eis der Wet met redenen is omkleed.
Toelichting:
Het gevoerde verweer stelt de rechtmatigheid van een onderdeel van het bewijsmateriaal ter diskussie, althans dient aldus te worden opgevat, dat het vermoeden dat het bewijsmateriaal rechtmatig is verkregen op zijn minst aangevochten wordt. Dit betekent dat het Hof zich over de rechtmatigheid van de wijze waarop het door hem gebezigde materiaal, is verkregen, moet uitlaten en wel op zodanige wijze dat de juistheid van het verweer moet worden onderzocht. (vgl. H.R. 18 april 1978, N.J. 1978, 365). Dit laatste heeft het Hof niet gedaan. Door te overwegen, dat "indien er geen aanwijzingen bestaan dat een andere dan de voorgeschreven hoeveelheid bloed is afgenomen, ervan mag worden uitgegaan dat te dien aanzien de voorschriften zijn nageleefd" laat het Hof de juistheid van het verweer, waarin zo expliciet een vraagteken wordt gezet achter de vraag of de betreffende voorschriften zijn nageleefd, in het midden. De Rechter mag ervan uitgaan dat bewijsmateriaal door politie, Openbaar Ministerie en Rechter-Commissaris op rechtmatige wijze is vergaard. Een onderzoek naar de methoden van vergaring is echter noodzakelijk als - gelijk i.c. - de verdachte een beroep doet op de onrechtmatige verkrijging. (vgl. noot van Veen onder H.R. 28 november 1978 N.J. 1979, 102). Het Hof had mitsdien in deze een onderzoek moeten instellen naar de hoeveelheid afgenomen bloed".
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Remmelink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4. Bewezenverklaring en gebezigde bewijsmiddelen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:
"dat hij te Amsterdam, op of omstreeks 22 augustus 1977, als bestuurder van een vierwielig motorvoertuig, dit voertuig heeft bestuurd over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Zeevaarthof, in ieder geval over een voor het openbaar verkeer openstaande weg, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof - alcoholhoudende drank - waarvan hij wist of redelijkerwijze moest weten dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht".
Deze bewezenverklaring berust op de navolgende bewijsmiddelen:
I. de verklaring van verdachte ter terechtzitting, voorzover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
"Op 22 augustus 1977 omstreeks 21.30 uur heb ik als bestuurder van een vierwielig motorvoertuig, t.w. een personenauto, dat voertuig bestuurd over enkele voor het openbaar verkeer openstaande wegen te Amsterdam o.m. over de Zeevaarthof. Tevoren had ik een aantal pilsjes gedronken, wetende dat het gebruik van die alcoholhoudende drank de rijvaardigheid kan verminderen, en ik was, toen ik in die auto reed, niet geheel meer in staat tot behoorlijk besturen ervan. Ik ben op de Zeevaarthof door de politie aangehouden en meegenomen naar het politiebureau Mosplein te Amsterdam, waar ik mij heb onderworpen aan een bloedproef".
II. een ambtsedig proces-verbaal nr. V 1-85-77 van 22 augustus 1977, opgemaakt door [verbalisant 1], wachtmeester der Koninklijke Marechaussee en [verbalisant 2], marechaussee der 1e klasse, beiden dienstdoende bij de gemeentepolitie te Amsterdam, en voorzien van identiteitszegel nr. 11967 ten name van verdachte, voorzover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van verbalisanten:
"dat hen op 22 augustus 1977 omstreeks 21.35 uur - is gebleken dat op de voor het openbaar verkeer openstaande weg Zeevaarthof te Amsterdam een persoon optrad als bestuurder van een voertuig; dat diens adem riekte naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank; dat deze bestuurder in nagenoeg kennelijke staat van dronkenschap verkeerde; dat zij die bestuurder, die genaamd bleek te zijn [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats] [a-straat 1] als verdacht van overtreding van artikel 26 1e lid c.q. 2e lid van de Wegenverkeerswet, op 22 augustus 1977 te omstr. 21.35 uur aanhielden en ter voorgeleiding voor de hulpofficier van justitie, de hoofdinspecteur van politie aan het 1e district overbracht en naar het politiebureau Mosplein te Amsterdam waar hij ter beschikking is gesteld van genoemde hulpofficier van justitie; dat verdachte daar, - toestemming verleende tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 26, 2e lid W.V.W. (bloedproef) en dat daarna op 22 augustus 1977 omstreeks 23.12 uur de arts dr. [arts] van verdachte bloed heeft afgenomen; dat de tweede verbalisant zich ervan heeft vergewist dat het van verdachte afgenomen bloed op de voorgeschreven wijze gewaarmerkt en verpakt is verzonden naar het Gerechtelijk laboratorium van het ministerie van justitie te Rijswijk".
III. een bij vorengenoemd proces-verbaal gevoegd rapport nr. 63686 met het formulier, voorzien van identiteitszegel nr. 11967 ten name van verdachte, welk formulier inhoudt de verklaring van de arts [arts]:
"dat hij op 22 augustus 1977 te 23.15 uur bloed heeft afgenomen van verdachte",
en welk rapport, opgemaakt op 31 augustus 1977 op de eed als vaste gerechtelijke deskundige afgelegd door drs A.J. Steenstra, scheikundige aan het gerechtelijk laboratorium van het Ministerie van Justitie te Rijswijk, inhoudt, zakelijk weergegeven:
"dat het resultaat van de analyse van het bloed, waarvan de gegevens op het vorenbedoeld formulier zijn vermeld, na aftrek van de voorgeschreven correctie, was: 2,14 mg. alcohol per ml. bloed".
5. Beslissing van het Hof op gevoerd verweer
Het bestreden arrest houdt onder meer in dat ter terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte als verweer is aangevoerd:
"dat op het resultaat van het bloedonderzoek geen acht mag worden geslagen omdat niet is gebleken dat de in de bloedproefbeschikking voorgeschreven hoeveelheid bloed van verdachte is afgenomen".
Het Hof heeft dit verweer verworpen op grond van de overweging dat:
"indien - gelijk in dit geval - geen aanwijzingen bestaan dat een andere dan de voorgeschreven hoeveelheid bloed is afgenomen, ervan mag worden uitgegaan dat te dien aanzien de voorschriften zijn nageleefd".
6. Beoordeling van het middel
Het middel strekt tot bestrijding van de verwerping door het Hof van het hiervoor onder 5 weergegeven verweer.
Het Hof heeft, door te overwegen als onder 5 weergegeven, dat verweer verworpen op gronden die deze beslissing kunnen dragen.
Het middel treft derhalve geen doel.
7. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het cassatieberoep worden verworpen.
8. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Moons als voorzitter en de raadsheren Royer, Wijnholt, De Waard en Hermans, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-[verdachte], en uitgesproken op 19 juni 1979.