Strafrecht overig
Conclusie AG. Veroordeling wegens rijden onder invloed van THC, art. 8 lid 5 WVW 1994. Strikte waarborg art…
Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026
ECLI:NL:PHR:2026:964 · Parket bij de Hoge Raad · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-964
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 5 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/00848
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:964
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Veroordeling wegens rijden onder invloed van THC, art. 8 lid 5 WVW 1994. Strikte waarborg art. 6 lid 1 Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (‘Regeling’). Middel klaagt over de verwerping van het verweer dat niet blijkt hoeveel milliliter bloed bij de verdachte is afgenomen en dat daardoor niet blijkt dat een van de strikte waarborgen is nageleefd waarmee het bloedonderzoek is omgeven. AG: de in art. 6 lid 1 Regeling voorgeschreven af te nemen hoeveelheid van “bij voorkeur 8 milliliter, maar ten minste 3 milliliter” behoort tot de strikte waarborgen van het in art. 8.5 WVW 1994 bedoelde onderzoek. Het hof mocht aannemen dat de afgenomen hoeveelheid bloed in de buisjes minstens 3 ml bedraagt: bij het onderzoek is bloed afgenomen d.m.v. venapunctie, verbalisant heeft verklaard dat daarbij overeenkomstig het Besluit is gehandeld, en aanwijzingen van het tegendeel zijn door de raadsman niet naar voren gebracht. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk. Strekt tot verwerping.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00848
Zitting 6 oktober 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij mondeling arrest van 24 februari 2025 (parketnummer 20-002103-24) door de enkelvoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van € 900, te vervangen door achttien dagen hechtenis. Het hof heeft de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor zes maanden ontzegd, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. T.J.N. Hameleers, M. Draaijers en J.H.L. Antonides, allen advocaat in Roermond, hebben een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel stelt de vraag aan de orde of de hoeveelheid af te nemen bloed behoort tot de strikte waarborgen van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW 1994 en in hoeverre uit de uitspraak moet blijken dat daaraan is voldaan.
De zaak
4. De verdachte is veroordeeld wegens het rijden onder invloed van THC nadat hij één of meer joints had gerookt. Ter terechtzitting van het hof van 24 februari 2025 heeft de raadsman aangevoerd dat niet blijkt hoeveel milliliter bloed bij de verdachte is afgenomen en dat daardoor niet blijkt dat een van de strikte waarborgen is nageleefd waarmee het bloedonderzoek is omgeven, namelijk dat bij voorkeur acht milliliter maar ten minste drie milliliter bloed wordt afgenomen. Het hof heeft dit verweer verworpen.
De bewezenverklaring, bewijsvoering en het gevoerde verweer
5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat hij:
“op 30 november 2023 te [plaats] een voertuig, te weten een bedrijfsauto (bestelauto), heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8. eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 8,9 microgram tetrahydrocannabinol (THC) per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.”
6. Het hof heeft volstaan met de volgende opgave van de bewijsmiddelen:
“1. De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie Eenheid Limburg, afdeling CVOM, proces-verbaalnummer PL2300- 2023189807, op ambtseed opgemaakt en gesloten d.d. 21 januari 2024 door [verbalisant] , brigadier van de politie, hierna te noemen: politiedossier. Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.
2. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 9 januari 2025 (p. 8-9 van het politiedossier, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte;
3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, d.d. 30 juli 2024, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte;
4. De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd bij het hof d.d. 24 februari 2025;
5. Het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 21 januari 2024 (p. 4-7 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant] ;
6. Het rapport van het bloedonderzoek van het Maasstad Ziekenhuis d.d. 27 december 2024 (p. 14-15 van het politiedossier);
7. De brief van de uitslag van het bloedonderzoek d.d. 2 januari 2024 (p. 16-17 van het politiedossier);
8. De opdracht ten behoeve van Toxicologisch bloedonderzoek d.d. 30 november 2023 p. 13 van het politiedossier).”
7. Ter terechtzitting van het hof van 24 februari 2025 heeft de raadsman een verweer gevoerd dat betrekking heeft op de hoeveelheid bloed die bij de verdachte is afgenomen ten behoeve van het onderzoek bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW 1994. De toen overgelegde pleitnota houdt het volgende in:
“3) Onvoldoende bloed bij cliënt afgenomen, dat is onderzocht, geen onderzoek als bedoeld in art. 8 WVW
Artikel 6 lid 1 Regeling vermeldt dat er bij voorkeur 8 milliliter bloed, maar ten minste 3 milliliter bloed wordt afgenomen. Uit het dossier blijkt niet welke hoeveelheid er is afgenomen. Dat dit een strikte waarborg is blijkt al uit het feit dat de wetgever de vingerprik niet als geschikt middel heeft gezien om te fungeren als middel waarop de bloedafname kan geschieden. Dit ‘omdat het waarschijnlijk te weinig bloed oplevert voor de huidige analysemethode van het bloed en nog onvoldoende duidelijk is of het bloed uit de vingerprik een gelijk meetresultaat oplevert als bloed dot via een venapunctie is verkregen. ’
De verdediging stelt zich bij gebrek aan kenbaarheid op het standpunt dat er te weinig bloed is afgenomen.
Dat betreft wel een strikte waarborg, zo blijkt ook uit Tekst & Commentaar.
Op basis van het dossier kan dus niet gezegd worden dat alle waarborgen met betrekking tot het Besluit Alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer zijn gevold noch dat er sprake is van een onderzoek als bedoeld in art. 8 WVW.
In zijn arrest van 11 oktober 2011 overweegt de Hoge Raad (zie r.o. 2.3.1) - onder verwijzing naar eerdere rechtspraak: HR 16 februari 1982, NJ 1982/385 - dat van een onderzoek als bedoeld in art. 8 tweede lid WVW 1994 slechts sprake is indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omringd.
Zie in dat kader zeer recent (19 februari 2025) de vrijspraak door het Hof Amsterdam onder 23 002620-22:
‘Het voorschrift van artikel 6, eerste lid van de Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (oud) bepaalt dat bij een bloedonderzoek minimaal 3 milliliter bloed wordt afgenomen. Dit voorschrift behoort tot de strikte waarborgen waarmee het onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 is omringd.’
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat minimaal 3 milliliter bloed is afgenomen van de verdachte ten behoeve van het bloedonderzoek. Het hof kan derhalve de hoeveelheid afgenomen bloed niet vaststellen. Dit betekent dat geen sprake is van een ‘onderzoek’ als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994 en de verdachte vrijgesproken dient te worden’.
De verdediging stelt zich dan ook uitdrukkelijk op het standpunt dat er geen sprake is van een onderzoek als bedoeld in 8 WVW en client daarom moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.”
8. Het hof heeft dit verweer verworpen en daarbij het volgende overwogen:
“Omtrent de hoeveelheid bloed overweegt het hof het volgende. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het bloed is afgenomen via de aderen in zijn arm. In die procedure worden buisjes bloed afgenomen, naar algemene ervaringsregels minstens 3 milliliter bloed. Bij het afnemen van bloed via de vinger is dat bijvoorbeeld niet het geval. De verbalisant had dit explicieter mogen opnemen, maar dat is het neveneffect van de standaardisering van een proces-verbaal.
(…)
Concluderend is het voldoende onderzoek goed uitgevoerd, en is de uitslag betrouwbaar waardoor het hof het feit bewezenverklaard.”
Een nadere omschrijving van het middel
9. De stellers van het middel komen op tegen het oordeel dat het een algemene ervaringsregel is dat bij het afnemen van bloed via de aderen minstens drie milliliter bloed wordt afgenomen. Daarmee hebben de stellers van het middel het oog op de eis dat bij het in artikel 8 lid 5 WVW 1994 bedoelde onderzoek bij voorkeur acht milliliter maar ten minste drie milliliter wordt afgenomen. Deze eis is neergelegd in artikel 6 lid 1 van de Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Daarmee gaan de stellers van het middel ervan uit dat de hoeveelheid af te nemen bloed behoort tot de strikte waarborgen waarmee het bedoelde onderzoek is omringd. Onder verwijzing naar twee andere (voor de stellers van het middel geen onbekende) uitspraken wordt vastgesteld dat de rechtspraak hierover verdeeld is. Naast de voorliggende zaak wordt gewezen op een arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 31 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:923. In deze zaak werd het verweer verworpen dat uit het dossier niet blijkt dat tenminste drie milliliter bloed is afgenomen en dat daarmee niet is voldaan aan een strikte waarborg. Voor de tegengestelde opvatting wordt gewezen op een arrest van het hof Amsterdam van 25 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:780, waarin werd overwogen dat de hoeveelheid af te nemen bloed behoort tot de strikte waarborgen en dat het hof de hoeveelheid afgenomen bloed niet kan vaststellen. Dat betekende in die zaak dat geen sprake was van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW 1994, met vrijspraak tot gevolg.
Het wettelijk kader
10. De tenlastelegging is toegesneden op artikel 8 lid 5 WVW 1994. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging (en bewezenverklaring) voorkomende begrip ‘onderzoek’ is gebruikt in de betekenis die dat bestanddeel in die bepaling heeft.
11. Artikel 8 lid 5 WVW 1994 luidde ten tijde van het bewezen verklaarde en ook nu nog:
“Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn.”
12. De artikelen 2, 3 lid 1 aanhef en onder b en artikel 12 lid 1 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: het Besluit) luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en ook nu als volgt:
Artikel 2
“Als stoffen als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 worden aangewezen: (…), cannabis, (…).”
Artikel 3 lid1 aanhef en onder b
“De grenswaarden voor de in artikel 2 aangewezen stoffen zijn, indien zij enkelvoudig zijn gebruikt en gemeten in geval van:
(…)
cannabis: 3,0 microgram tetrahydrocannabinol per liter bloed”.
Artikel 12 lid 1
“Ten behoeve van het bloedonderzoek neemt een arts of verpleegkundige door middel van een venapunctie twee buisjes bloed van de verdachte af of, indien een venapunctie vanuit medisch oogpunt niet verantwoord is, door middel van een infuus. In afwijking van de eerste volzin mag de arts of verpleegkundige ook een buisje bloed van de verdachte afnemen indien het vanuit medisch oogpunt niet verantwoord is, twee buisjes bloed van hem af te nemen. De hoeveelheid bloed dat ieder buisje dient te bevatten, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.”
13. Artikel 6 lid 1 en lid 2 aanhef en onder a Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: de Regeling), luidden ten tijde van het bewezen verklaarde als volgt:
“1. De hoeveelheid bloed die wordt afgenomen ten behoeve van een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 1, onder b, van het Besluit en een aanvullend bloedonderzoek als bedoeld in artikel 1, onder c, van het Besluit, bedraagt bij voorkeur 8 milliliter, maar ten minste 3 milliliter.
2. Voor de bloedafname, bedoeld in het eerste lid, worden de volgende hulpmiddelen voorgeschreven:
a. twee buisjes elk met een inhoud van 5 milliliter die ten minste 4 milligram per milliliter inhoud van de buis natriumfluoride bevatten en voldoende heparinenatrium voor antistolling van het bloed”.
14. Met ingang van 20 september 2024 is artikel 6 lid 2 onder a van de Regeling gewijzigd en luidt het (met de ongewijzigde aanhef) als volgt:
“Voor de bloedafname, bedoeld in het eerste lid, worden de volgende hulpmiddelen voorgeschreven:
a. twee glazen buizen elk met een inhoud van 5 milliliter die ten minste 4 milligram per milliliter inhoud van de buis natriumfluoride bevatten en voldoende heparinenatrium voor antistolling van het bloed of twee plastic buizen elk met een inhoud van 4 milliliter die ten minste 2 milligram per milliliter inhoud van de buis natriumfluoride bevatten en voldoende kaliumoxalaat voor antistolling van het bloed”.
15. Voor het antwoord op de vraag of voorschriften behoren tot de strikte waarborgen waarmee het onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW 1994 is omringd, heeft de Hoge Raad als maatstaf aangelegd of zij ertoe strekken de betrouwbaarheid van het onderzoek als zodanig te waarborgen.
16. In zijn arrest van 16 februari 1982 heeft de Hoge Raad bepaald dat de toenmalige voorschriften met betrekking tot de hoeveelheid af te nemen bloed behoorden tot de strikte waarborgen waarmee het onderzoek (toen) was omringd. In artikel 4 lid 2 van de indertijd toepasselijke Bloedproefbeschikking was voorgeschreven dat “een hoeveelheid van ongeveer 10 milliliter afgenomen” wordt, tenzij het om bijzondere redenen nodig is om een hoeveelheid van vijftien milliliter af te nemen. In het daaropvolgende artikel 5 lid 1 was voorgeschreven dat de arts de door hem afgenomen hoeveelheid bloed verdeelt over monsterbuisjes van elk vijf milliliter.
17. Van enige relativering leek de Hoge Raad niet te willen weten in gevallen waarin het mogelijk was gebleken met een mindere hoeveelheid bloed het onderzoek te verrichten en er kennelijk geen reden was om aan de betrouwbaarheid te twijfelen. In een (eerder) arrest waarin weliswaar was vastgesteld dat niet de voorgeschreven tien milliliter maar vijf milliliter bloed was afgenomen, was het toch mogelijk gebleken het bloedonderzoek te verrichten. Het hof had bovendien gewezen op de hoeveelheid van twee milliliter die (destijds) nodig was om een tegenonderzoek te kunnen verrichten. De Hoge Raad vernietigde de veroordeling en overwoog daarbij dat de omstandigheid dat bij de afname van het bloed het bepaalde in artikel 4 lid 2 Bloedproefbeschikking niet was nageleefd, meebrengt dat (kort gezegd) het hof het resultaat van het bloedonderzoek niet voor het bewijs had mogen gebruiken. In een andere zaak, die leidde tot het arrest van 14 oktober 1980, had de advocaat-generaal geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Weliswaar was slechts één bloedmonster in plaats van twee bloedmonsters verzonden, maar de verdachte was naar haar mening op geen enkele wijze benadeeld en hij kon dat ook niet zijn omdat hij geen prijs stelde op tegenonderzoek (waarvoor het tweede bloedmonster was bedoeld, voeg ik daaraan toe). De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest omdat het hof “enerzijds ervan is uitgegaan dat in het onderhavige geval slechts een monsterbuisje (van 5 milliliter) met van de verdachte afkomstig bloed naar het Gerechtelijk Laboratorium is verzonden, noch anderzijds in weerwil hiervan het ten laste gelegde bewezen heeft verklaard” en sprak de verdachte zelf vrij.
18. Deze zaken hebben gemeen dat de rechter telkens (uitdrukkelijk) had vastgesteld dat de afgenomen hoeveelheid bloed niet voldeed aan de daaraan in de toepasselijke regeling gestelde eisen. Dit leidde tot vrijspraak. Hoewel het gaat om wat oudere rechtspraak, leid ik hieruit af dat het voorschrift in de Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer met betrekking tot de hoeveelheid af te nemen bloed nog steeds behoort tot de strikte waarborgen waarmee het onderzoek in artikel 8 lid 5 WVW 1994 is omringd.
19. Ingeval de bewijsmiddelen niet rechtstreeks informatie bevatten over de hoeveelheid afgenomen bloed, komt de vraag op of de rechter de (toereikende) hoeveelheid uit omstandigheden mag afleiden. Voor het bevestigende antwoord op die vraag biedt een arrest uit 1979 steun. Het verweer in die zaak hield in dat niet was gebleken dat de in de Bloedproefbeschikking voorgeschreven hoeveelheid bloed van de verdachte was afgenomen. Het hof verwierp dit verweer met de overweging dat “indien – gelijk in dit geval − geen aanwijzingen bestaan dat een andere dan de voorgeschreven hoeveelheid bloed is afgenomen, ervan mag worden uitgegaan dat te dien aanzien de voorschriften zijn nageleefd”. De Hoge Raad merkte op dat het hof door zo te overwegen, het verweer had verworpen op gronden die de beslissing konden dragen.
De bespreking van het middel
20. In de voorliggende zaak blijkt uit de door het hof gebruikte proces-verbaal rijden onder invloed van 21 januari 2024 dat een arts de verdachte bloed heeft afgenomen conform het Besluit en dat de verbalisant vervolgens “de buisjes bloed” (meervoud) heeft verpakt en verzegeld en in de vriezer heeft geplaatst. Het proces-verbaal houdt in:
“Op donderdag 30 november 2023 om 09:39 uur, heeft de arts, [deskundige] in aanwezigheid van mij, [verbalisant] (LN003265), de verdachte bloed afgenomen conform Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.
(…)
Ik, [verbalisant] (LN003265), heb de buisjes bloed in de voorgeschreven verpakking, gewaarmerkt, direct verpakt en verzegeld, overeenkomstig het bepaalde in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, en overeenkomstig de Regeling alcohol drugs en geneesmiddelen in het verkeer, in de daartoe bestemde vriezer geplaatst, liggend op het grootste oppervlak.”
21. Wanneer bij het hier bedoelde onderzoek bloed door middel van een venapunctie wordt afgenomen en de verbalisant verklaart dat daarbij overeenkomstig het Besluit is gehandeld, mag de rechter − behoudens aanwijzingen voor het tegendeel − aannemen dat de hoeveelheid afgenomen bloed in de (minstens twee) “buisjes” minstens drie milliliter bedraagt. Aanwijzingen van het tegendeel zijn door de raadsman niet naar voren gebracht. Om deze redenen acht ik het oordeel waartegen het middel opkomt niet onbegrijpelijk.
Slotsom
22. Het middel faalt.
23. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
24. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG